Gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming door het Europees Parlement en de Raad van een verordening tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

ONTWERP-MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

De Commissie heeft op 27 augustus 2003 bij de Raad een voorstel ingediend voor een

verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG)

nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op

werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap

verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze

van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Diverse wijzigingen).

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 10 december 2003 advies uitgebracht.

Het Europees Parlement heeft op 11 maart 2004 advies in eerste lezing uitgebracht overeen-

komstig artikel 251 van het Verdrag.

De Commissie heeft vervolgens op 30 april 2004 haar gewijzigd voorstel ingediend, met

aanvaarding van de vier amendementen van het Europees Parlement.

De Raad heeft drie van deze amendementen volledig, en van een de strekking aanvaard.

De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld op [...] 2004, overeenkomstig

artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag.

II. DOEL

1

Doel van deze verordening is bijwerking van de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en 2

nr. 574/72 teneinde wijzigingen in de nationale wetgeving in aanmerking te nemen en de juridische situatie met betrekking tot bepaalde artikelen van deze verordeningen op te

helderen. In de verordening wordt rekening gehouden met de recente ontwikkelingen in de

rechtspraak van het Hof van Justitie, in het bijzonder de arresten betreffende de bijzondere,

niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, die niet-exporteerbaar zijn indien ze

aan specifieke criteria voldoen en zijn opgenomen in bijlage II bis van Verordening (EEG)

nr. 1408/71. In de verordening wordt tevens rekening gehouden met de rechtspraak

betreffende de verbanden tussen de verordening en de bepalingen van de bilaterale sociale-

zekerheidsovereenkomsten, die van kracht blijven indien ze voldoen aan de voorwaarden om

te worden opgenomen in bijlage III van de verordening.

III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

  • 1. 
    Amendementen van het Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft vier amendementen op het Commissievoorstel aange-

nomen.

Deze amendementen zijn alle integraal in het gewijzigde Commissievoorstel over-

genomen.

1 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. 2

Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71.

  • 2. 
    Standpunt van de Raad ten aanzien van de amendementen van het Europees Parlement

De Raad heeft de volgende drie amendementen volledig kunnen aanvaarden:

  • amendement 1, strekkende tot opneming in de lijst van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties van bijlage II bis van Verordening (EEG)

nr. 1408/71, van een prestatie waarin in de Spaanse wetgeving is voorzien, namelijk de

"mobiliteitstoeslag ter compensatie van de vervoerskosten". De Raad heeft dit

amendement kunnen aanvaarden aangezien het volledig voldoet aan de in het gemeen-

schappelijk standpunt vastgelegde herziene criteria (namelijk een prestatie "die bestemd

is om uitsluitend specifieke bescherming voor gehandicapten te bieden, nauw verband

houdend met de sociale omgeving van de betrokken persoon in de desbetreffende

lidstaat");

  • amendement 2, strekkende tot opneming in de lijst van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties van in bijlage II bis van Verordening (EEG)

nr. 1408/71, van een prestatie waarin in de Ierse wetgeving is voorzien, namelijk de

"mobiliteitstoeslag". Ook dit amendement kon door de Raad worden aanvaard aange-

zien het eveneens volledig voldoet aan de herziene criteria van het gemeenschappelijk

standpunt;

  • amendement 3, strekkende tot opneming in de lijst van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties van bijlage II bis van Verordening (EEG)

nr. 1408/71, van een prestatie waarin in de Britse wetgeving is voorzien, namelijk de

"inkomenstoeslag". Ook met dit amendement heeft de Raad ingestemd aangezien het

aan de herziene criteria van het gemeenschappelijk standpunt voldoet.

De Raad is tevens akkoord gegaan, onder voorbehoud van herformulering, met de strekking

van een mondeling amendement van het Parlement, dat beoogt de lidstaten te verzoeken

maatregelen te nemen om de nadelige gevolgen van sommige wijzigingen in de lijst van de in

bijlage II bis opgenomen prestaties (in het bijzonder wanneer de prestatie niet-exporteerbaar

wordt ten gevolge van de opneming in de bijlage) voor personen die vroeger deze prestaties

ontvingen, door middel van een overgangsregeling of bilaterale oplossingen te verhelpen

(zie overweging 6).

IV. ARTIKEL 1, PUNT 5, VAN HET COMMISSIEVOORSTEL

Artikel 1, punt 5, van het Commissievoorstel strekt tot wijziging van artikel 33, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 om daarin te specificeren dat bijdragen bij ziekte en

moederschap kunnen worden ingehouden op alle pensioenen of renten die worden uitgekeerd

aan pensioen- of rentetrekkers, indien zulks in de nationale wetgeving is bepaald.

De Raad heeft besloten om, dit deel van het Commissievoorstel niet in zijn gemeen schappelijk standpunt over te nemen en de inwerkingtreding van Verordening (EG)

nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels af te wachten.

De Raad erkent dat er een evenwicht moet zijn tussen premie-inhouding en uitgekeerde bedragen, als beoogd in artikel 33, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 1408/71. De mogelijk-

heid om premies in te houden op basis van alle pensioenen en renten die aan een pensioen- of

rentetrekker worden uitgekeerd, is een uitvloeisel van dat beginsel. Aangezien Verordening

(EG) nr. 1408/71 thans gewijzigd en vereenvoudigd wordt en gelet op het akkoord om de

wijze van toepassing van artikel 5 (gelijkstelling van feiten) met betrekking tot artikel 30

(premies of bijdragen ten laste van de pensioengerechtigden) van de vereenvoudigde

Verordening (EG) nr. 883/2004, in de uitvoeringsverordening te regelen, acht de Raad het

voorbarig om die maatregel nu te nemen. Tevens moet volgens de Raad echter duidelijk zijn

dat op grond van de nationale wetgeving geen hogere premies of bijdragen kunnen worden

geheven dan wanneer de betrokkenen alle pensioenen of renten krachtens de wetgeving van

die lidstaat zou ontvangen.

V. SPECIFIEKE VRAAGSTUKKEN MET BETREKKING TOT BIJLAGE II BIS VAN VERORDENING (EEG) Nr. 1408/71 VAN DE RAAD

Doel van het Commissievoorstel was onder meer artikel 4, lid 2 bis, en bijlage II bis van

Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad, die betrekking hebben op bijzondere, niet op

premie- of bijdragebetaling berustende prestaties, te wijzigen in het licht van recente

jurisprudentie van het Hof van Justitie over de indeling van "bijzondere, niet op premie- of

bijdragebetaling berustende prestaties", te weten de arresten van 5 maart 1998 in zaak

C 160/96, Molenaar tegen Allgemeine Ortskrankenkasse Baden-Württemberg

(Jur., 1998-I-843), van 8 maart 2001 in zaak C-215/99, Friedrich Jauch tegen Pensions-

versicherungsanstalt der Arbeiter (Jur., 2001-I-1901), en van 31 mei 2001 in zaak C-43/99,

Ghislain Leclerc, Alina Deaconescu tegen Caisse nationale des prestations familiales

(Jur., 2001, I-4265).

Bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties houden het midden

tussen "gewone" socialezekerheidsuitkeringen en sociale bijstand en zijn vergelijkbaar met

bijstand aangezien de behoefte een wezenlijke toekenningscriterium vormt. Bijlage II bis

bevat een lijst van prestaties die alleen worden verstrekt op het grondgebied van de lidstaat

van verblijf krachtens artikel 10 bis van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (en derhalve niet

kunnen worden meegenomen bij verhuizing naar een andere lidstaat).

De Commissie heeft voorgesteld dat deze lijst, met het oog op bevordering van het vrije

verkeer van personen binnen de Unie, wordt gestroomlijnd en dat een aantal prestaties

overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie uit bijlage II bis van Verordening

(EEG) nr. 1408/71 van de Raad wordt geschrapt.

De Raad heeft met eenparigheid van stemmen ingestemd met de herziene criteria voor de

indeling van de prestaties in deze bijlage, zoals weergegeven in de gewijzigde versie van

artikel 4, lid 2 bis, van de verordening, welke is opgenomen in het gemeenschappelijk stand-

punt. Die criteria zijn identiek met de criteria in de tekst van artikel 70 van Verordening

(EEG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels wat betreft de

corresponderende bijlage in die verordening (bijlage X). Om bij te dragen tot de objectieve

toepassing van deze criteria, werd voorgesteld er bij de toepassing van artikel 4, lid 2 bis, voor te

zorgen dat:

  • vergelijkbare uitkeringen met identieke of gelijkwaardige kenmerken op dezelfde manier worden ingedeeld, zodat een consequente en samenhangende behandeling kan worden

gegarandeerd;

  • indien een uitkering niet als een "bijzondere", niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie wordt beschouwd, wordt aangegeven welk coördinatiesysteem krachtens artikel 4,

lid 1, in voorkomend geval toepasselijk is.

Daarnaast heeft de Raad gepoogd overeenstemming te bereiken over criteria voor de opneming van

prestaties in bijlage II bis, en enkele hoofdkenmerken van gehandicaptenregelingen te omschrijven

die ertoe zouden bijdragen dat die regelingen worden ingedeeld als uitkeringen bedoeld "om

uitsluitend personen met een handicap een bijzondere bescherming te bieden". Door deze aanpak

kon er algemene overeenstemming worden bereikt over de indeling van verreweg de meeste

prestaties in bijlage II bis, hetgeen in een aanzienlijke stroomlijning van die bijlage heeft

geresulteerd.

Er kon echter geen algemene overeenstemming worden bereikt over het voorstel van de Commissie

om bepaalde specifieke prestaties uit bijlage II bis te schrappen. De lidstaten die zich hiertegen

verzetten, gingen er niet mee akkoord dat de prestaties die in bijlage II bis kunnen worden opge-

nomen, bepaald moeten worden aan de hand van de voorgestelde criteria. Deze lidstaten willen hun

in bijlage II bis opgenomen prestaties behouden omdat zij vinden dat deze voldoen aan de eisen van

artikel 4, lid 2 bis, en dat de recente jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie geen aan-

leiding geeft tot schrapping uit de bijlage.

Om de verordening te kunnen aannemen, gezien de aanzienlijke vooruitgang die er in het

algemeen is geboekt, heeft de Raad besloten deze prestaties in bijlage II bis te handhaven, in

afwachting van latere jurisprudentie van het Hof die de betrokken criteria zou kunnen

verduidelijken en vervolgens aanleiding zou kunnen geven tot herziening van de bijlage.

In dat verband heeft de Commissie een verklaring voor de Raadsnotulen afgelegd waarin zij

benadrukt dat de lijst wellicht moet worden herzien in het licht van nieuwe jurisprudentie van

het Hof van Justitie, met name betreffende de prestaties in kwestie. De Commissie heeft

verklaard dat zij zich het recht voorbehoudt, zich tot het Hof te wenden en, indien nood-

zakelijk, op basis van de bevindingen van het Hof, een voorstel tot herziening van de lijst van

prestaties in bijlage II bis in te dienen.

De Raad is tevens overeengekomen dat er, rekening houdend met de doelstellingen van

artikel 42 van het Verdrag, verder beraad is vereist over de coördinatie van de uitkeringen

voor gehandicapten, waaronder met name die uitkeringen die overeenkomstig de jurispru-

dentie van het Hof van Justitie of uit hoofde van deze verordening uit bijlage II bis van

Verordening (EEG) nr. 1408/71 worden geschrapt, en dat er vóór eind 2005 specifieke

voorstellen dienen te worden ingediend.

VI. CONCLUSIE

De Raad is van mening dat het gemeenschappelijk standpunt aan beide hoofddoelstellingen

van het oorspronkelijke Commissievoorstel voldoet en dat het door de opneming van de in

deel III van deze motivering vermelde amendementen in grote mate het advies van het

Europees Parlement in eerste lezing in acht neemt.

___________________

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie