Betreft: Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "Jeugd in Actie" voor de periode 2007-2013
-
1.De Commissie heeft de Raad op 15 juli een voorstel voorgelegd voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma "JEUGD IN ACTIE" voor
de periode 2004-2013. Dit vormde het vervolg op de mededeling van de Commissie van
9 maart 2004 met de titel "Naar een actief burgerschap" waarin zij, in de context van het
ruimere concept burgerschap, de hoofdlijnen van een nieuw programma op het gebied van de
jeugd had uiteengezet. In de zitting van de Raad Onderwijs, Cultuur en Jeugdzaken van
28 mei hebben de voor jeugdzaken verantwoordelijke ministers op basis van die mededeling
een gedachtewisseling gehouden.
-
2.Het voorstel "Jeugd in Actie" is gebaseerd op artikel 149, lid 4, van het VEG. Het is veel betekenend dat een specifiek communautair instrument gewijd blijft aan actie op Europees
niveau op het gebied van de jeugd, waarmee ingespeeld wordt op het duidelijke signaal vanuit
de publieke raadpleging van de Commissie en de door de ministers het meest recentelijk op
28 mei geformuleerde standpunten. In het algemeen weerspiegelt het voorgestelde programma
de structuur van het huidige programma, terwijl tegelijkertijd innovaties worden ingevoerd op
basis van de ervaringen met de open coördinatiemethode en de bepalingen van het huidige
actieplan ter ondersteuning van de op jeugdgebied werkzame instanties (2004-2006) daarin
worden opgenomen. Er is een begroting van 915 miljoen euro voorgesteld, maar besloten is
dat de met de begroting verband houdende vraagstukken in deze fase niet moeten worden
besproken, gezien de lopende besprekingen over de komende financiële vooruitzichten van de
EU.
1
-
3.In afwachting van het advies van het Europees Parlement , het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, heeft de Groep jeugdzaken het ontwerp-besluit
(artikelen en bijlage) gedurende verscheidene vergaderingen in september en oktober een
eerste maal behandeld. Uit deze gedachtewisseling bleek dat later een algemene consensus
over het overgrote deel van de inhoud van het ontwerp-besluit tot stand kan komen.
-
4.Gezien het belang van het oordeel van jongeren over Jeugd in Actie zal in het proces dat tot een akkoord over Jeugd in Actie leidt, rekening worden gehouden met het resultaat van het
Youth Event van het voorzitterschap in Rotterdam (27-29 november 2004).
-
5.Tussen de delegaties blijken enkele verschillende gezichtspunten te bestaan wat betreft bepaalde specifieke en technische aspecten van het toekomstige programma die uitvoeriger
moeten worden besproken. In dit stadium vindt de behandeling van het voorstel plaats in de
Groep jeugdzaken. Niettemin zou een gedachtewisseling op ministerieel niveau nuttig zijn
voor wat betreft bepaalde onderliggende aspecten van het voorstel. In dit verband stelt het
voorzitterschap een aantal discussiepunten voor ter bespreking in de zitting van de Raad van
15 november 2004, teneinde een eerste richtsnoer voor de toekomstige besprekingen van de
Groep jeugdzaken te geven.
1
Op 26 september 2004 heeft de Commissie cultuur van het Europees Parlement mevrouw Lissy Gröner als rapporteur aangewezen. Deze commissie heeft thans een aanvang gemaakt met haar eerste behandeling van het Commissievoorstel.
DISCUSSIEPUNTEN ZOALS VOORGESTELD TIJDENS DE VERGADERING VAN HET
COMITÉ VAN PERMANENTE VERTEGENWOORDIGERS VAN 27 OKTOBER 2004:
Succes van het programma
-
1.Hoe beoordeelt u het voorgestelde nieuwe programma Jeugd en, met name:
-
-welk element/welk aspect van het programma vindt u vernieuwend?
-
-hoe beoordeelt u de specifieke acties van het programma?
-
-wat is de meerwaarde van het programma?
Leeftijdsgroep
-
2.Wat zou, gezien de leeftijdsgrenzen in het huidige programma (15-25 jaar), een geschikte leeftijd (<15 jaar) zijn om te kunnen starten met voorbereidende activiteiten voor het
programma en wat zou een geschikte leeftijd (>25 jaar) zijn om follow-upactiviteiten van het
programma mogelijk te maken?
Toegankelijkheid van het programma
-
3.Hoe kunnen jongeren met minder kansen worden gestimuleerd om actiever aan de verschillende acties van het nieuwe programma Jeugd deel te nemen en op welke manier
kunnen wij hindernissen die hen belemmeren om optimaal van het programma gebruik te
maken onderkennen en wegnemen? Wat kunnen wij doen om het programma voor deze
jongeren toegankelijker te maken?
Het voorzitterschap benadrukt dat deze vragen worden gesteld om het debat van de Raad te
vergemakkelijken. Het staat de ministers echter vrij, indien gewenst, andere onderwerpen ter sprake
te brengen.
__________________

