Hierbij gaat voor de delegaties het voorstel van de Commissie dat bij brief van mevrouw Patricia BUGNOT aan de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger, is toegezonden.
________________________
Bijlage: COM(2004) 509 def. - COD 2004/0172
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
Brussel, 20.7.2004 COM(2004) 509 definitief
2004/0172 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende wederzijdse administratieve bijstand ter bescherming van de financiële
belangen van de Gemeenschap tegen fraude en andere onwettige activiteiten
(door de Commissie ingediend)
TOELICHTING
-
1.D OEL
De financiële belangen van de Gemeenschap, die nauw verweven zijn met die van de lidstaten, staan bloot aan uiteenlopende vormen van fraude en andere onwettige activiteiten die ten koste gaan van de ontvangsten en uitgaven van de communautaire begroting
1
.
Fraudebestrijding is een zaak van gemeenschappelijk belang, die zowel van de lidstaten als van de Commissie de nodige inzet vraagt. Meer dan ooit is het een belangrijk punt op de politieke agenda van de Commissie.
EG-fraude verloopt vaak via georganiseerde internationale structuren die handig gebruik weten te maken van het financiële stelsel om de opbrengsten van EG-fraude wit te wassen en verborgen te houden. Profiterend van de marktvrijheid die door de Europese integratie tot stand is gebracht, weet de georganiseerde criminaliteit haar activiteiten vaak over verschillende lidstaten te verspreiden. Dat is met name het geval bij internationale BTW-fraude, het witwassen van de opbrengsten van EG-fraude en fraude met de structuurfondsen.
Wanneer de autoriteiten van de lidstaten worden geconfronteerd met ingewikkelde fraudeconstructies die zich over twee of meer lidstaten uitstrekken, is snelle en multilaterale administratieve samenwerking bij de benodigde onderzoeken van doorslaggevend belang. Er moet informatie worden uitgewisseld tussen de autoriteiten van verschillende lidstaten en er moet worden vastgesteld welke banden er bestaan tussen alle partijen die betrokken zijn bij EG-fraude en het witwassen van criminele opbrengsten, zodat snel en gecoördineerd kan worden opgetreden.
Coördinatie en ondersteuning zijn bepalend voor de doeltreffendheid van multilaterale operationele samenwerking. Nu de interne markt 25 lidstaten omvat, wordt samenwerking op het gebied van fraudebestrijding steeds moeilijker zonder ondersteuning en coördinatie op Europees niveau. Een ondersteunende en coördinerende rol voor de Commissie heeft dus een duidelijke meerwaarde, omdat de Commissie in de beste positie verkeert om een totaalbeeld te ontwikkelen van de activiteiten op het gebied van EG-fraude en bovendien de belangen van alle lidstaten even zorgvuldig behartigt. Omgekeerd zouden daardoor de lidstaten ook meer gericht en gestroomlijnd kunnen optreden.
Het bestaande wettelijke kader voor administratieve samenwerking is echter onvolledig als het gaat om het toekennen van een actieve rol aan de Commissie bij het ondersteunen en coördineren van de activiteiten van de lidstaten, met name op het gebied van BTW-fraude en informatie over het witwassen van geld dat voortvloeit uit EG-fraude.
-
2.H OOFDPUNTEN
De voorgestelde verordening biedt een meerwaarde voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten omdat zij de Commissie in staat stelt haar rol als coördinator van de
1 Fraude en onregelmatigheden die de financiële belangen van de Europese Gemeenschap schaden, worden in deze toelichting verder aangeduid met de term "EG-fraude".
fraudebestrijdingsactiviteiten van de lidstaten beter te vervullen. De multilaterale samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie zal door deze verordening verbeteren, bijvoorbeeld doordat de Commissie coördinatievergaderingen op Europees niveau die kan organiseren.
Enerzijds bouwt dit initiatief voort op bestaande wetgeving. Anderzijds wordt beoogd de bestaande samenwerkingsinstrumenten op het niveau van de Gemeenschap en de Europese Unie aan te vullen, door de hoofdlijnen van deze instrumenten verder te ontwikkelen voor nieuwe samenwerkingsgebieden en zo een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap tot stand te brengen. Daartoe wordt uitgegaan van de normen die in deze andere instrumenten zijn ontwikkeld, met name in Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad
2 3
en Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad .
Omdat de ondersteuning van de Commissie vooral gericht moet zijn op gevallen die op communautair niveau van bijzonder belang zijn, stelt zij voor om de toepassing van deze verordening te koppelen aan bepaalde drempels en zo de werkingssfeer te beperken tot complexe gevallen van ernstige fraude die strafrechtelijk moeten worden vervolgd.
Dit voorstel voor een verordening heeft alleen betrekking op wederzijdse administratieve bijstand. Het verleent de Commissie of het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) geen extra onderzoeksbevoegdheden. Het versterkt de mechanismen voor samenwerking en informatie-uitwisseling en verschaft de basis en de instrumenten voor multidisciplinaire samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten onderling en tussen deze autoriteiten en de Commissie.
Efficiënte en effectieve samenwerking op het gebied van fraudebestrijding vereist een geïntegreerd optreden van alle betrokkenen. Op basis van artikel 280, lid 3, van het EG-Verdrag moet dan ook sprake zijn van een nauwe en geregelde multidisciplinaire samenwerking tussen alle autoriteiten die door de lidstaten zijn belast met de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap.
Overeenkomstig de coördinerende rol die aan de Commissie wordt toegekend bij artikel 280 van het EG-Verdrag, kunnen de Commissie en OLAF de maatregelen van de lidstaten tegen EG-fraude ondersteunen. Concreet betekent dit dat informatie wordt uitgewisseld, dat gebruik wordt gemaakt van de faciliteiten en de infrastructuur van de Commissie (netwerk, gegevensbanken, instrumenten voor administratieve samenwerking, enz.) en dat wordt bijgedragen tot samenhangende vervolgmaatregelen. Dit laatste kan effectiever gebeuren als informatie die door de Commissie is verzameld of verstrekt, als bewijs kan dienen in administratieve of gerechtelijke procedures.
Op basis van de voorgestelde verordening zou de Commissie de lidstaten betere en betrouwbare informatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld in de vorm van gedetailleerde verslagen, en zou zij door haar analysewerkzaamheden een duidelijker beeld kunnen schetsen van nieuwe fraudetrends en kwetsbare sectoren. Bovendien zou de beschikbare informatie gemakkelijker in verband kunnen worden gebracht met degenen die zich schuldig maken aan georganiseerde fraude.
2 PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1.
3 PB L 264 van 15.10.2003, blz. 1.
Tenslotte zijn voor de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap ook doeltreffende vervolgmaatregelen nodig nadat een onderzoek heeft plaatsgevonden.
-
3.B ETEKENIS VOOR ANDERE BELEIDSTERREINEN DAN DOUANE EN LANDBOUW Behalve voor douane en landbouw (Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad) kent het Gemeenschapsrecht nog geen specifieke regels voor administratieve samenwerking met de Commissie.
3.1. Wetgeving inzake het witwassen van geld en de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap
Artikel 280 van het EG-Verdrag heeft betrekking op "fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de belangen van de Gemeenschap worden geschaad", zoals het witwassen van de opbrengsten van onwettige activiteiten ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap.
Bij het witwassen van geld wordt doorgaans pas naar aanleiding van informatie over verdachte financiële transacties een onderzoek ingesteld naar de onwettige activiteit die aan het witwassen voorafgaat. Maar juist bij de ontdekking van fraude kunnen bij de invorderingspogingen witwaspraktijken en circuits worden opgespoord. Daarom zou informatie-uitwisseling op Europees niveau over onwettige activiteiten ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap zeker voor een toegevoegde waarde zorgen.
3.2. Wederzijdse administratieve bijstand op het gebied van BTW-fraude en Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde 4 5
Het huidige BTW-stelsel, dat is gebaseerd op de zesde BTW-richtlijn , is fraudegevoelig .
Volgens de ramingen van sommige lidstaten beloopt het nadeel van de BTW-fraude voor de nationale begrotingen en de begroting van de Gemeenschap 10% of meer van de netto BTW-ontvangsten.
Omdat op basis van de netto BTW-ontvangsten wordt berekend welk bedrag aan eigen middelen uit de BTW aan de Gemeenschapsbegroting moet worden afgedragen, waarbij een uniform percentage van 0,5% wordt toegepast op het totaal van de nationale transacties waarop BTW wordt geheven, kan grootschalige BTW-fraude een negatief effect hebben op de netto BTW-ontvangsten van de lidstaten en daarmee dus ook op hun bijdragen aan de Gemeenschapsbegroting. Omdat daarbij de financiële belangen van de Gemeenschap in het geding zijn, heeft de Commissie er alle belang bij en is zij zelfs verplicht maatregelen te nemen om de operationele activiteiten van de lidstaten ter bestrijding van ernstige BTW-fraude te steunen.
4 Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17.5.1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/15/EG (PB L 52 van 21.2.2004, blz. 61). 5 Zie het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van regelingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van bestrijding van BTW-fraude, COM(2004) 260 def.
Administratieve samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op basis van Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde
6
, waarop dit voorstel een
aanvulling vormt, biedt goede en afdoende mogelijkheden voor informatie-uitwisseling met het oog op de controle op een correct verloop van intracommunautaire transacties en voldoet goed als instrument om op te treden tegen veelvoorkomende BTW-inbreuken
7
. Maar
daarnaast is ook dringend behoefte aan bijstand en coördinatie op Europees niveau, om de meest complexe en ernstige gevallen van BTW-fraude met vertakkingen in verschillende lidstaten aan te pakken.
3.3. Instrumenten voor wederzijdse bijstand met het oog op fraudebestrijding op andere communautaire uitgaventerreinen dan landbouw
Bij communautaire uitgaven kan het gaan om uitgaven, onderaannemers en begunstigden in verschillende lidstaten, waardoor in geval van onregelmatigheden in meer dan één lidstaat een onderzoek moet worden ingesteld. Momenteel bestaan er geen goede instrumenten met regels voor horizontale of verticale wederzijdse administratieve bijstand op basis waarvan dergelijke vormen van fraude kunnen worden aangepakt. Dat geldt ook voor fraude op het gebied van de directe uitgaven van de Gemeenschap.
-
4.V ERHOUDING TOT BESTAANDE FRAUDEBESTRIJDINGSINSTRUMENTEN
Dit wetgevingsinitiatief heeft specifiek betrekking op administratieve samenwerking ter bestrijding en voorkoming van EG-fraude en daaruit voortvloeiende witwaspraktijken, en maakt deel uit van een regelgevingskader van administratieve en strafrechtelijke instrumenten ter verbetering van de fraudebestrijding, maar laat deze bestaande instrumenten onverlet. Dit voorstel is bedoeld als aanvulling op de bestaande fraudebestrijdingsinstrumenten, met name Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad
8
en
9
Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 van de Raad .
Informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten in een vroeg stadium zou een wezenlijk afschrikkend effect kunnen hebben ten aanzien van onregelmatigheden, in het bijzonder het witwassen van geld
10
. De regels inzake wederzijdse bijstand die in dit voorstel
zijn vervat, vormen dus een aanvulling op de strafrechtelijke instrumenten die door de Raad zijn vastgesteld in het kader van de derde pijler.
6 PB L 264 van 15.10.2003, blz. 1.
7 Zie het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van regelingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van bestrijding van BTW-fraude, COM(2004) 260 def., punten 1, 4.4 en 5.2. 8 PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.
9 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11.11.1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden, PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2. 10 Zie het toelichtend rapport bij het tweede protocol (PB C 91 van 31.3.1999, blz. 8), met name het punt over artikel 7. Zie ook voetnoot 6.
-
5.H ET VOORSTEL IN GROTE LIJNEN
Titel I Algemene bepalingen: artikelen 1 - 4
Artikel 1 beschrijft het doel en de inhoud van de verordening, die regels geeft voor wederzijdse administratieve bijstand tussen de autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, voor de communautaire samenwerkingsterreinen waarvoor dergelijke regels tot nu toe niet bestonden.
In artikel 2 wordt de werkingssfeer van de verordening beschreven en de verhouding tot de geldende Gemeenschapswetgeving verduidelijkt, waarbij wordt beklemtoond dat dit voorstel een aanvulling op de bestaande wetgeving vormt. Het subsidiariteitsbeginsel wordt in acht genomen doordat de werkingssfeer beperkt blijft tot gevallen die op communautair niveau van bijzonder belang zijn.
Artikel 3 bevat de specifieke definities die worden gehanteerd bij de toepassing van deze verordening. Vanwege de "horizontale" aard van deze verordening gelden deze definities voor de verschillende terreinen waarop de communautaire begroting betrekking heeft.
Het begrip "onregelmatigheid" in de zin van deze verordening omvat gedragingen die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden, met inbegrip van onwettige gedragingen in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
11
,
maar blijft niet beperkt tot deze gedragingen: ook het witwassen van geld en BTW-fraude vallen onder dit begrip.
Omdat de werkingssfeer beperkt blijft tot gevallen die "op communautair niveau van bijzonder belang zijn", kan de Commissie zich richten op gevallen waarin zij de lidstaten een duidelijke meerwaarde kan bieden. Bovendien kan zo worden voorkomen dat de diensten van de Commissie worden overstelpt met informatie en verzoeken betreffende gevallen van ondergeschikt belang. Te behandelen gevallen moeten vertakkingen hebben in of raakvlakken hebben met verschillende lidstaten. In geval van BTW-fraude moet het geraamde fiscale nadeel voor de lidstaten ten minste van 500 000 EUR bedragen. Voor de andere gebieden waarop deze verordening betrekking heeft geldt een drempel van 100 000 EUR. Deze drempels zouden kunnen worden verhoogd door middel van uitvoeringsbepalingen.
In artikel 4, lid 1, worden de "bevoegde autoriteiten" beschreven. Het betreft hier de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, uit een algemene en multidisciplinaire optiek, en de Commissie, die deelneemt aan de wederzijdse administratieve bijstand of de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten of daarbij als coördinator optreedt.
In artikel 4, lid 2, dat betrekking heeft op de binnenlandse status van de bevoegde autoriteiten, wordt de regel geformuleerd dat de samenwerking niet mag worden belemmerd door een verschillende status van de autoriteiten volgens het nationale recht van de lidstaten.
Titel II Samenwerkingsverplichtingen: artikelen 5 - 14
Titel II bevat bepalingen over administratieve samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten, de Commissie inbegrepen.
11 PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.
Hoofdstuk I Wederzijdse bijstand en informatie-uitwisseling
Afdeling I Bijstand op verzoek
Artikel 5 bepaalt dat bijstand kan worden gevraagd en dat zo'n verzoek moet worden ingewilligd. Dit artikel beoogt de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken. Er wordt in geschetst hoe informatie moet worden verzameld en uitgewisseld.
In artikel 6 wordt het voorbeeld gevolgd van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad, dat de mogelijkheid biedt bijzonder toezicht uit te oefenen.
Artikel 7 bepaalt de regels voor het verrichten van administratieve onderzoeken op verzoek van de bevoegde autoriteiten en voor de deelname van ambtenaren van de verzoekende autoriteit aan dergelijke onderzoeken.
Artikel 8 staat toe dat ambtenaren van een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat hun functie uitoefenen en toegang hebben tot documenten in de kantoren van de aangezochte autoriteit,
waarmee wordt voortgebouwd op vergelijkbare bepalingen in Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad.
12
Artikel 11, lid 1, bepaalt dat de Commissie via het VIES (systeem voor de uitwisseling van
BTW-gegevens) toegang heeft tot de transactiegegevens van de lidstaten. Daardoor zal de Commissie over meer informatie beschikken en haar coördinerende rol beter kunnen vervullen.
Afdeling 2 Bijstand zonder voorafgaand verzoek
Artikel 12 bepaalt dat informatie over onregelmatige of onregelmatig aandoende transacties aan de Commissie moet worden verstrekt, dat wil zeggen in gevallen waarin sprake is van een gegrond vermoeden van onregelmatigheid. Deze informatie wordt door de Commissie samengebracht en geanalyseerd, met het oog op een betere ondersteuning en coördinatie van de activiteiten van de lidstaten op het gebied van het verkrijgen van inlichtingen.
Artikel 13 regelt het uitoefenen van bijzonder toezicht zonder een specifiek verzoek daartoe in het kader van deze verordening en het verstrekken van relevante informatie.
Artikel 14 bepaalt dat de lidstaten algemene informatie moeten verstrekken die kan bijdragen tot fraudebestendige Gemeenschapswetgeving en een algemeen fraudebestrijdingsbeleid in de gehele Gemeenschap.
Hoofdstuk II Gebruik van informatie
De regel in artikel 15 voor het gebruik van in het kader van deze verordening verkregen documenten en materiaal als bewijs in administratieve of gerechtelijke procedures is vergelijkbaar met die in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 515/97 en moet zorgen voor een beter vervolg op de onderzoeksactiviteiten van de lidstaten.
12 VIES = VAT information exchange system, ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad en voortgezet bij Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad.
Artikel 16 vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie die door de Commissie is verzameld in het kader van multidisciplinaire samenwerking.
Artikel 17 zorgt ervoor dat de lidstaten de Commissie op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen met betrekking tot onregelmatigheden die tot wederzijdse bijstand hebben geleid.
Artikel 18 bepaalt dat in het kader van deze verordening alleen informatie mag worden uitgewisseld en gebruikt voor zover dat noodzakelijk is. Bij de uitwisseling van informatie moeten de vertrouwelijkheidsregels en de geheimhoudingsplicht in acht worden genomen.
Artikel 19 behelst de verplichting om, onder bepaalde voorwaarden, informatie die in het kader van deze verordening van derde landen is verkregen, uit te wisselen om de financiële belangen van de Gemeenschap doeltreffend te beschermen.
Artikel 20 bepaalt dat de Commissie haar eigen mogelijkheden op het gebied van risicoanalyse kan gebruiken om de autoriteiten van de lidstaten verslagen en gegevens over risico's te verstrekken waarmee zij fraude doeltreffender kunnen bestrijden.
Krachtens artikel 21 zullen uitvoeringsbepalingen voor deze verordening worden vastgesteld. Deze uitvoeringsbepalingen moeten door de Commissie worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van Besluit 1999/468/EG
13
.
Artikel 22 bepaalt dat de Commissie bij de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen zal worden bijgestaan door een regelgevend comité. Dit comité zal zijn werkzaamheden samen met het comité van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad verrichten en laat de bevoegdheden van andere comités, met name dat van Verordening (EG) nr. 1798/2003, onverlet. Het comité zal zijn werkzaamheden nauw met die van andere comités coördineren.
13 PB L 187 van 17.7.1999, blz. 23.
2004/0172 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende wederzijdse administratieve bijstand ter bescherming van de financiële
belangen van de Gemeenschap tegen fraude en andere onwettige activiteiten
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 280, lid 4,
1
Gezien het voorstel van de Commissie , 2
Gezien het advies van de Rekenkamer , 3
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag , Overwegende hetgeen volgt:
(1) De Gemeenschap en de lidstaten hechten groot belang aan de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en aan de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad.
(2) Het communautaire kader voor wederzijdse bijstand moet nauwe en geregelde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten onderling en tussen deze autoriteiten en de Commissie mogelijk maken, teneinde de financiële belangen van de Gemeenschap te beschermen op alle gebieden waar sprake is van communautaire financiële middelen of uitgaven.
(3) De bepalingen van deze verordening mogen geen negatief effect hebben op de onderzoeken die door het Europees Bureau voor fraudebestrijding worden verricht op grond van de onderzoeksbevoegdheden en met inachtneming van de waarborgen die zijn vervat in Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) 4
. De werkingssfeer van deze verordening moet beperkt
blijven tot bepaalde vormen van bijstand, informatie-uitwisseling en coördinatie die kunnen voorafgaan aan, volgen op of samenvallen met de onderzoeksactiviteiten van OLAF.
1
PB C [...] van [...], blz. [...].
2 PB C [...] van [...], blz. [...]. 3 PB C [...] van [...], blz. [...]. 4 PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.
(4) De invoering van nieuwe communautaire maatregelen moet de toepassing van het nationale strafrecht en van de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken, alsmede de nationale rechtsbedeling onverlet laten.
(5) De bestrijding van grensoverschrijdende fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden, vereist meer coördinatie op communautair niveau en multidisciplinaire samenwerking met de autoriteiten van de lidstaten op het gebied van fraude en andere onwettige activiteiten, die veelal verband houden met georganiseerde criminaliteit en schadelijk zijn voor de financiële belangen van de Gemeenschap. Deze verordening moet tevens samenwerking tussen alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten onderling en tussen deze autoriteiten en de Commissie mogelijk maken. (6) De bepalingen van deze verordening mogen geen afbreuk doen aan Gemeenschapswetgeving die meer specifieke of uitvoerige samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie regelt, zoals Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing 5
van de douane- en landbouwvoorschriften , of Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 218/92
6
.
(7) Informatie-uitwisseling is een essentiële factor bij de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden. Op basis van de informatie die zij van de lidstaten krijgt, dient de Commissie de lidstaten een algemeen beeld te geven van fraude en andere onwettige activiteiten op Europese schaal.
(8) Fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden, kunnen, met name in grensoverschrijdende gevallen waarbij het vaak om georganiseerde internationale fraudeconstructies in twee of meer lidstaten gaat, het best worden voorkomen en bestreden door operationele, statistische en/of algemene informatie op Gemeenschapsniveau aan analyses en risicobeoordelingen te onderwerpen met behulp van de inlichtingen- en risicoanalysecapaciteit van de Commissie in het algemeen en van OLAF in het bijzonder. (9) De bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten die schadelijk zijn voor de financiële belangen van de Gemeenschap vereist ook in een later stadium een coherente aanpak. Informatie die door de Commissie is verzameld of verstrekt, moet derhalve toelaatbaar kunnen zijn als bewijs in administratieve of gerechtelijke procedures. (10) Voor een geslaagde samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie is het van belang dat bij de uitwisseling van informatie waarvoor een
5
PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).
6 PB L 264 van 15.10.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 885/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 1).
geheimhoudingsplicht geldt, de vertrouwelijkheidsregels in acht worden genomen en dat op grond van de nieuwe bepalingen verwerkte persoonsgegevens zorgvuldig worden beschermd.
(11) Er dient rekening te worden gehouden met de regels inzake gegevensbescherming die gelden voor de communautaire instellingen, welke zijn neergelegd in artikel 286 van het Verdrag en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens 7
, alsmede
met de regels die op de lidstaten van toepassing zijn krachtens Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens
8
.
(12) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden 9
.
(13) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden, te weten de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat voor de verwezenlijking van die doelstellingen noodzakelijk is. (14) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn vastgelegd, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
T ITEL I
A LGEMENE BEPALINGEN Artikel 1
Onderwerp
Deze verordening stelt het wettelijk kader vast voor de onderlinge administratieve samenwerking en de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en tussen die autoriteiten en de Commissie teneinde een gelijkwaardige en
7
PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
8 PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1). 9 PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude en andere onwettige activiteiten te waarborgen.
Artikel 2
Toepassingsgebied
-
1.Deze verordening is van toepassing op gevallen van fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden en die op communautair niveau van bijzonder belang zijn.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen ook in andere situaties informatie uitwisselen en bijstand verlenen overeenkomstig deze verordening, wanneer zij van oordeel zijn dat die informatie-uitwisseling en bijstand op communautair niveau nodig zijn bij de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden. 2. De bepalingen van deze verordening zijn niet van toepassing wanneer de Gemeenschapswetgeving voorziet in specifiekere samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie, of in een ruimere toegang tot informatie voor de Commissie. Deze verordening laat met name de toepassing van Verordening (EG) nr. 515/97 en de
samenwerking tussen de lidstaten in het kader van Verordening (EG) nr. 1798/2003 onverlet.
-
3.Deze verordening laat de toepassing van Verordening (EG) nr. 1073/1999 onverlet.
-
4.Deze verordening laat de toepassing van het nationale strafrecht of van de regels inzake wederzijdse bijstand in strafzaken, alsmede de nationale rechtsbedeling onverlet.
-
5.De bij deze verordening ingestelde verplichting tot het verlenen van bijstand strekt zich niet uit tot het verstrekken van informatie of documenten die de bevoegde administratieve autoriteiten verkrijgen wanneer zij handelen met toestemming of op verzoek van een rechterlijke instantie. In geval van een verzoek om bijstand worden deze informatie of documenten echter wel verstrekt indien de rechterlijke instantie die hierover moet worden geraadpleegd, daarmee instemt. Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
-
1."onregelmatigheid": fraude en andere onwettige activiteiten die op Communautair niveau van bijzonder belang zijn en die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden, in het bijzonder:
-
a)elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht die voortvloeit uit een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer, met inbegrip van contractbreuk in de zin van het Gemeenschapsrecht, waardoor de algemene begroting van de Gemeenschap of de door de Gemeenschap beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschap worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave; b) elke inbreuk op de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) zoals bedoeld in Richtlijn 77/388/EEG van de Raad 10
, die leidt of zou
kunnen leiden tot een vermindering van de eigen middelen van de Gemeenschappen in de zin van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad
11
;
-
c)het witwassen van geld in de zin van artikel 1, onder c), van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad 12
, dat is verkregen uit de onder a) en b)
bedoelde inbreuken;
-
2."onregelmatigheden die op communautair niveau van bijzonder belang zijn": onregelmatigheden
-
a)die vertakkingen hebben of zouden kunnen hebben in andere lidstaten of waarbij sprake is van een concreet verband met verrichtingen in andere lidstaten; en
-
b)waarvan het totale fiscale nadeel voor de betrokken lidstaten wordt geraamd op meer dan 500 000 EUR als het gaat om BTW of, in de andere gevallen waarop deze verordening betrekking heeft, waarvan de schade aan de financiële belangen van de Gemeenschap op meer dan 100 000 EUR wordt geraamd; indien het om het witwassen van geld gaat, heeft de drempelwaarde betrekking op het basisdelict. 3. "wetgeving inzake de BTW": de communautaire bepalingen met betrekking tot de BTW en de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die de lidstaten hebben vastgesteld om aan deze communautaire bepalingen te voldoen; 4. "verzoekende autoriteit": de bevoegde autoriteit die om bijstand verzoekt;
-
5."aangezochte autoriteit": de bevoegde autoriteit die om bijstand wordt verzocht;
-
6."administratief onderzoek": alle controles, verificaties en andere handelingen die door de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van hun functie worden verricht om vast te stellen of er onregelmatigheden zijn begaan, met uitzondering van handelingen die op verzoek of onder rechtstreeks gezag van een rechterlijke instantie worden verricht;
10 PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. 11 PB L 155 van 7.6.1989, blz. 9.
12 PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77.
-
7."financiële informatie": informatie over verdachte transacties die de bevoegde nationale meldpunten hebben ontvangen overeenkomstig Richtlijn 91/308/EEG en andere informatie aan de hand waarvan financiële transacties die verband houden met onregelmatigheden waarop deze verordening betrekking heeft, kunnen worden getraceerd; 8. "bevoegde autoriteiten": de in artikel 4, lid 1, bedoelde nationale of communautaire autoriteiten. De in punt 2, onder b), genoemde drempelwaarden kunnen worden verhoogd volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure.
Artikel 4
Bevoegde autoriteiten
-
1.De volgende bevoegde autoriteiten nemen binnen het kader van hun bevoegdheden deel aan de samenwerking op grond van deze verordening: a) de autoriteiten van de lidstaten:
-
i)die direct verantwoordelijk zijn voor het beheer van financiële middelen uit de Gemeenschapsbegroting en daartoe zijn aangewezen bij de communautaire of de nationale wetgeving;
-
ii)die krachtens de geldende nationale bestuursrechtelijke bepalingen verantwoordelijk zijn voor de preventie en de bestrijding van fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden; iii) die zijn genoemd in Verordening (EG) nr. 1798/2003, de overeenkomstig die
verordening aangewezen centrale verbindingsbureaus en verbindingsdiensten, andere autoriteiten voor belastingonderzoek die bevoegd zijn BTW-fraude te onderzoeken, of de in Richtlijn 92/12/EEG van de Raad
13
bedoelde autoriteiten, voor zover de verzamelde
informatie het bewijs van BTW-fraude kan leveren;
14
-
iv)die overeenkomstig Besluit 2000/642/JBZ van de Raad door de
lidstaten zijn opgezet als "financiële inlichtingeneenheden" om in het kader van Richtln 91/308/EEG verkregen informatie te verzamelen en analyseren;
-
b)de Commissie, met inbegrip van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
-
2.De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat zowel tussen hun bevoegde autoriteiten onderling, ongeacht hun bevoegdheden en
13 PB L 76 van 23.3.1992, blz. 1.
14 PB L 271 van 24.10.2000, blz. 4.
binnenlandse status, als tussen die autoriteiten en de Commissie informatie wordt uitgewisseld.
T ITEL II
S AMENWERKINGSVERPLICHTINGEN Hoofdstuk 1
Wederzijdse administratieve bijstand en informatie-uitwisseling
A FDELING I B IJSTAND OP VERZOEK Artikel 5
Bijstand op verzoek
-
1.De bevoegde autoriteiten verlenen elkaar op verzoek bijstand bij het voorkomen en opsporen van onregelmatigheden. Op verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit, voor zover nodig om aan het verzoek te voldoen en in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening, de verzoekende autoriteit alle informatie die van belang is voor het voorkomen en opsporen van onregelmatigheden. Daarbij gaat het zowel om informatie over de verrichtingen waarin de onregelmatigheid bestaat als om financiële informatie over de onderliggende transacties en de natuurlijke of rechtspersonen die erbij betrokken zijn. 2. Ter verkrijging van de gevraagde informatie gaat de aangezochte autoriteit of de administratieve autoriteit tot welke zij zich wendt, te werk als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit uit haar eigen lidstaat.
-
3.De aangezochte autoriteit stelt alle informatie beschikbaar die zij in haar bezit heeft of verkrijgt met betrekking tot geconstateerde of voorgenomen handelingen of transacties die een onregelmatigheid vormen of de verzoekende autoriteit een onregelmatigheid lijken te vormen, alsook, in voorkomend geval, met betrekking tot de resultaten van het krachtens artikel 6 uitgeoefende bijzondere toezicht. Zij verstrekt de verzoekende autoriteit alle verklaringen, documenten of voor eensluidend gewaarmerkte kopieën van documenten die zij in haar bezit heeft of verkrijgt. Originele documenten en voorwerpen worden evenwel slechts verstrekt indien dit niet strijdig is met de wetgeving die van kracht is in de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd. 4. Verzoeken om bijstand en informatie-uitwisseling gaan vergezegeld van een korte beschrijving van de feiten die de verzoekende autoriteit bekend zijn.
-
5.Verzoeken die worden gericht tot een autoriteit die niet bevoegd is de gevraagde bijstand te verlenen, worden door deze autoriteit onverwijld doorgezonden aan de bevoegde autoriteit.
Artikel 6
Bijzonder toezicht
Op verzoek van de verzoekende autoriteit oefent de aangezochte autoriteit binnen haar ambtsgebied voorzover mogelijk bijzonder toezicht uit, of doet zij dit uitoefenen op:
-
a)personen ten aanzien van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij onregelmatigheden begaan, in het bijzonder op de bewegingen van deze personen;
-
b)plaatsen waar goederen op zodanige wijze zijn opgeslagen dat kan worden verondersteld dat zij bedoeld zijn om te worden gebruikt bij handelingen die een onregelmatigheid vormen; c) goederenbewegingen waarvan wordt aangegeven dat zij kunnen plaatsvinden in het kader van mogelijke onregelmatigheden;
-
d)vervoermiddelen en financiële transacties ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij worden gebruikt om onregelmatigheden te begaan. Artikel 7
Administratieve onderzoeken op verzoek
-
1.Op verzoek van de verzoekende autoriteit verricht de aangezochte autoriteit een administratief onderzoek of doet zij dit verrichten, naar handelingen die een onregelmatigheid vormen of de verzoekende autoriteit een onregelmatigheid lijken te vormen.
Voor dit administratieve onderzoek gaat de aangezochte autoriteit, of de administratieve autoriteit tot welke zij zich wendt, te werk als handelde zij ten eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit uit haar eigen lidstaat. Zij stelt de verzoekende autoriteit in kennis van de resultaten van het onderzoek.
-
2.De verzoekende en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat door de verzoekende autoriteit aangewezen ambtenaren aanwezig mogen zijn bij het in lid 1 bedoelde administratieve onderzoek. De onderzoeken worden te allen tijde uitgevoerd door ambtenaren van de aangezochte autoriteit.
De ambtenaren van de verzoekende autoriteit mogen niet op eigen initiatief de aan ambtenaren van de aangezochte autoriteit toegekende onderzoeksbevoegdheden uitoefenen; zij hebben echter, door tussenkomst van de ambtenaren van de aangezochte lidstaat en alleen ten behoeve van het lopende administratieve onderzoek, wel toegang tot dezelfde plaatsen en documenten als die ambtenaren. 3. Ambtenaren van de verzoekende autoriteit nemen niet deel aan handelingen die op grond van de nationale bepalingen inzake de strafrechtelijke procedure zijn voorbehouden aan ambtenaren die daartoe specifiek door de nationale wet zijn aangewezen. Zij nemen in geen geval deel aan huiszoekingen of formele verhoren van personen in het kader van het strafrecht.
Artikel 8
Activiteiten van ambtenaren in een andere lidstaat of van ambtenaren op dienstreis in een
lidstaat
De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat door de verzoekende autoriteit daartoe naar behoren gemachtigde ambtenaren onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden informatie over onregelmatigheden kunnen verzamelen in de kantoren waarin de administratieve autoriteiten van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd, hun functie uitoefenen.
Daarbij moet het gaan om informatie die de verzoekende autoriteit nodig heeft en die te vinden is in documenten waartoe de ambtenaren van die kantoren toegang hebben.
De ambtenaren van de verzoekende autoriteit zijn gemachtigd kopieën te maken van deze documenten.
Artikel 9
Schriftelijke machtiging van ambtenaren
De ambtenaren van de verzoekende autoriteit die krachtens de artikelen 7 en 8 aanwezig zijn in een andere lidstaat dan wel op dienstreis zijn in een lidstaat, dienen te allen tijde een schriftelijke machtiging te kunnen overleggen waarin hun naam en hun functie staan vermeld.
Artikel 10
Termijn voor het verlenen van bijstand en het verstrekken van informatie
-
1.De aangezochte autoriteit verleent of verstrekt de in de artikelen 5 en 7 bedoelde bijstand of informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na ontvangst van het verzoek. Indien de aangezochte autoriteit al in het bezit is van deze informatie, bedraagt de termijn vier weken. 2. In bijzondere gevallen kunnen de aangezochte en de verzoekende autoriteit andere termijnen dan die van lid 1 overeenkomen.
-
3.Wanneer de aangezochte autoriteit niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen, deelt zij de verzoekende autoriteit onverwijld mee waarom zij de termijn niet kan nakomen en wanneer zij wel op het verzoek kan ingaan. Artikel 11
BTW-gegevens
-
1.Met het oog op het verlenen van operationele en technische bijstand en waar nodig om de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij te staan bij het opsporen en onderzoeken van onregelmatigheden in de zin van artikel 3, punt 1, onder b), van deze Verordening wordt de Commissie toegang verleend tot de gegevens die de lidstaten hebben opgeslagen in de in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1798/2003 bedoelde gegevensbanken.
De nadere regels betreffende deze toegang, waaronder de regels inzake de vertrouwelijkheid, de bescherming en het gebruik van de gegevens uit de gegevensbanken van de lidstaten worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure.
-
2.De autoriteiten van de lidstaten verstrekken de Commissie informatie die is verkregen op basis van Richtlijn 92/12/EEG voor zover deze informatie het bewijs van onregelmatigheden in de zin van artikel 3, punt 1, onder b), van deze verordening kan leveren.
A FDELING II B IJSTAND ZONDER VOORAFGAAND VERZOEK Artikel 12
Verstrekking van informatie over verrichtingen of transacties
-
1.De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verstrekken de Commissie zonder voorafgaand verzoek informatie over verrichtingen of transacties die een onregelmatigheid vormen of lijken te vormen.
-
2.De Commissie analyseert de verstrekte informatie met behulp van passende technologische middelen en stelt de lidstaten in het kader van de technische en operationele ondersteuning bij het opsporen en onderzoeken van onregelmatigheden in kennis van de resultaten van de analyse. Wanneer de Commissie van oordeel is dat zich in een of meer lidstaten onregelmatigheden hebben voorgedaan, brengt zij de betrokken lidstaten daarvan op de hoogte. 3. De verplichte uitwisseling van financiële informatie tussen de lidstaten en de Commissie zonder voorafgaand verzoek geldt ongeacht of de transactie plaatsvindt in de vorm van een enkele verrichting of van verschillende verrichtingen die onderling verband lijken te houden. 4. De regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure.
Artikel 13
Bijzonder toezicht zonder verzoek
Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zulks voor de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap nuttig achten,
-
a)oefenen zij het in artikel 6 bedoelde bijzondere toezicht uit, of doen zij dit uitoefenen;
-
b)verstrekken zij de Commissie en, indien van toepassing, de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten alle informatie waarover zij beschikken, met name in de vorm van rapporten en andere documenten of voor eensluidend gewaarmerkte kopieën of uittreksels daarvan, betreffende verrichtingen die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden of lijken te schaden.
Artikel 14
Verstrekking van algemene informatie
-
1.De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verstrekken de Commissie algemene informatie over nieuwe manieren, middelen, methoden en praktijken die worden toegepast bij het begaan van onregelmatigheden en over de preventie en opsporing van onregelmatigheden die kan bijdragen tot de fraudebestendigheid van de wetgeving, zodra zij over dergelijke informatie beschikken. 2. De Commissie stelt de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat, zodra zij daarover beschikt, in kennis van alle informatie die hen in staat kan stellen onregelmatigheden te voorkomen en de desbetreffende wetgeving te doen naleven. Hoofdstuk 2
Gebruik van informatie Artikel 15
Gebruik als bewijs
De vaststellingen, bevindingen, informatie, documenten, voor eensluidend gewaarmerkte kopieën en alle inlichtingen die een bevoegde autoriteit zijn verstrekt in de in de artikelen 5, 6, 7 en 12 bedoelde gevallen van bijstand, zijn in alle lidstaten toelaatbaar als bewijs in administratieve of gerechtelijke procedures op dezelfde wijze als wanneer zij zouden zijn verkregen in de lidstaat waarin de procedure plaatsvindt.
Artikel 16
Uitwisseling van informatie
De Commissie kan informatie die in het kader van deze verordening of van andere communautaire bepalingen is verkregen, overeenkomstig en in het kader van deze verordening aan andere bevoegde autoriteiten verstrekken, voor zover dit niet strijdig is met de communautaire bepalingen op grond waarvan de informatie is verkregen.
Artikel 17
Follow-up
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen de Commissie in kennis van iedere relevante actualisering van de in het kader van deze verordening verstrekte informatie en verrichte administratieve onderzoeken, met name van de administratieve of gerechtelijke procedures die worden ingesteld, voor zover dit verenigbaar is met het nationale strafrecht.
Artikel 18
Vertrouwelijkheid en gegevensbescherming
-
1.De in enigerlei vorm uit hoofde van deze verordening verstrekte of verkregen informatie valt onder de geheimhoudingsplicht en geniet dezelfde bescherming als die welke op soortgelijke informatie van toepassing is volgens de nationale
wetgeving van de ontvangende lidstaat en volgens de overeenkomstige bepalingen die voor de instellingen en organen van de Gemeenschap gelden.
Deze informatie mag uitsluitend worden verstrekt aan personen of autoriteiten binnen de instellingen en organen van de Gemeenschap of in de lidstaten die er ambtshalve kennis van moeten nemen en mag niet worden gebruikt voor enig ander doel dan een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap.
-
2.De Commissie en de lidstaten zien erop toe dat bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening de communautaire en nationale voorschriften inzake gegevensbescherming worden nageleefd, met name die welke zijn
vervat in Richtlijn 95/46/EG en, indien van toepassing, in Verordening (EG) nr. 45/2001.
De in artikel 11, lid 1, tweede alinea, artikel 12, lid 4, en artikel 21 bedoelde uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming. Artikel 19
Betrekkingen met derde landen
-
1.De lidstaten en de Commissie verstrekken informatie die zij van een derde land verkrijgen en die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat of aan de Commissie indien deze daarmee onregelmatigheden kunnen voorkomen of aanpakken.
-
2.Mits het betrokken derde land zich er juridisch toe heeft verbonden de nodige bijstand te verlenen bij het verzamelen van bewijsmateriaal inzake het onregelmatige karakter van verrichtingen die een onregelmatigheid lijken te vormen, kan de op grond van deze verordening verkregen informatie aan dat land worden medegedeeld in het kader van een gezamenlijke actie, met toestemming van de bevoegde autoriteiten die deze informatie hebben verstrekt en met inachtneming van de nationale voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens, de artikelen 25 en 26 van Richtlijn 95/46/EG en, indien van toepassing, artikel 9 van Verordening (EG) nr. 45/2001. Artikel 20
Risicoanalyse van de Commissie
De Commissie kan alle algemene of operationele informatie die haar door de lidstaten in het kader van deze verordening wordt verstrekt, gebruiken om strategische en tactische risicoanalyses te verrichten, met behulp van passende informatietechnologie, welke leiden tot de opstelling van op de beschikbare gegevens gebaseerde rapporten en waarschuwingen teneinde het bewustzijn van gesignaleerde gevaren te vergroten en aldus de doeltreffendheid van passende operationele maatregelen van de bevoegde nationale autoriteiten en de Commissie te verbeteren, voor zover dat binnen haar bevoegdheid ligt.
T ITEL III
S LOTBEPALINGEN Artikel 21
Uitvoeringsbepalingen
Nadere uitvoeringsbepalingen betreffende de in hoofdstuk 1 van titel II geregelde wederzijdse bijstand en uitwisseling van informatie worden vastgesteld volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde procedure.
Naast de in artikel 11, lid 1, tweede alinea, en artikel 12, lid 4, bedoelde aangelegenheden, kunnen deze uitvoeringsbepalingen met name betrekking hebben op:
-
a)onregelmatigheden in de zin van artikel 3, punt 1, onder b); b) onregelmatigheden in de zin van artikel 3, punt 1, onder c); c) onregelmatigheden bij de structuurfondsen. Artikel 22
Comité
-
1.De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is opgericht bij artikel 43 van Verordening (EG) nr. 515/97 (hierna "het comité" genoemd).
-
2.Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.
-
3.Het comité stelt zijn reglement van orde vast. Artikel 23
Evaluatieverslag
Om de drie jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Rekenkamer en de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening.
Artikel 24
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, [...]
Voor het Europees Parlement Voor de Raad De Voorzitter De Voorzitter [...] [...]
LEGISLATIVE FINANCIAL STATEMENT
Policy area(s): Anti-fraud
Activities: Mutual administrative cooperation and exchange of information
T ITLE OF ACTION : P ROPOSAL FOR A REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL ON MUTUAL ADMINISTRATIVE ASSISTANCE FOR THE PROTECTION OF THE FINANCIAL INTERESTS OF THE C OMMUNITY AGAINST FRAUD AND ANY OTHER ILLEGAL ACTIVITIES
-
1.BUDGET LINE(S) + HEADING(S) 24.0106 (fight against fraud)
-
2.OVERALL FIGURES: 2.1. Total allocation for action (Part B): EUR million for commitment: - 2.2. Period of application: From entering into force on. 2.3. Overall multi-annual estimate of expenditure
(a) Schedule of commitment appropriations/payment appropriations (financial intervention) (see point 6.1.1) - (not applicable see point 5.1.1) EUR million (to three decimal places)
[n+5 and subs. Years] Year [n] [n+1] [n+2] [n+3] [n+4] Total
Commitments Payments (b) Technical and administrative assistance and support expenditure(see point 6.1.2)
Commitments Payments
Subtotal a+b Commitments Payments
(c) Overall financial impact of human resources and other administrative expenditure (see points 7.2 and 7.3)
Commitments/ payments 1.851 1.851 1.751 1.751 1.751, 1.751 (The first two years include each an amount of EUR 100 000 for the development of information systems for internal use of the Commission, see point 7.3)
TOTAL a+b+c Commitments 1.851 1.851 1.751 1.751 1.751 1.751 Payments 1.851 1.851
1.751 1.751 1.751 1.751 2.4. Compatibility with financial programming and financial perspective [X] Proposal is compatible with existing financial programming.
2.5. Financial impact on revenue:
[X] Proposal has no financial implications (involves technical aspects regarding
implementation of a measure)
-
3.BUDGET CHARACTERISTICS
Type of expenditure EFTA contribution Contributions from applicant countries Heading in financial perspective Non-comp Non-diff NO NO NO 5
-
4.LEGAL BASIS Article 280(4) of the EC Treaty.
-
5.DESCRIPTION AND GROUNDS 5.1. Need for Community intervention 5.1.1. Objectives pursued
The initiative for a regulation on the basis of article 280 of the EC Treaty concerns a framework dedicated to administrative mutual assistance necessary to strengthen the protection of the financial interests of the Community.
For the purpose of the protection of the financial interests of the Community the Member States and the Commission shall assist each other and exchange information in particular in the field of money laundering of the proceeds of EC fraud, of fraud
on VAT and any other illegal activities detrimental to the Community's financial interests in particular those in the field of structural funds.
Background
Fraud and any other illegal activities affecting the financial interests of the Community warrant a more comprehensive framework for administrative cooperation between Member States authorities and with the Commission. This is reflected by the Commission's firm commitment to the fight against fraud in order to protect the Community's financial interests which is clearly demonstrated in its Communication, adopted on 28 June 2000, on an overall strategic approach for the protection of the Community's financial interests and the fight against fraud
1
. This
approach underlines the importance of an overall anti-fraud legislative policy by following a horizontal and cross-pillar legislative approach. This legislative policy must be given concrete expression with the drawing up of specific rules, in particular for information exchanges, and close and regular cooperation between the Member States and between the latter and the Commission.
On the basis of this legislative policy the Commission mentions in its working programme for 2003 the preparation of a proposal for a regulation of the European Parliament and of the Council establishing a cooperation mechanism between the competent authorities of the member States and the Commission in order to ensure the protection of the Community's financial interests against illegal activities including matters such as VAT fraud, money laundering and other financial transactions in relation to the proceeds of EC fraud as well as any other illegal activities detrimental to the Community's financial interests in particular concerning fraud concerning structural funds.
The Commission has reiterated in its Communication containing an Action Plan for 2001-2003
2
, the importance of reinforcing cooperation to prevent money
laundering of proceeds from fraud and any other illegal activities detrimental to the Community's financial interests and VAT fraud in order to be able to realise an effective action against organised crime, particularly economic and financial crime (including fraud and money laundering). To combat this type of crime, the European Union should take co-ordinated action and have a strategy of cooperation and mutual information between all public partners in addition to existing programmes as Fiscalis in the sector of VAT.
1 Communication from the Commission, Protection of the Communities' financial interests, The fight against fraud - For an overall strategic approach, COM(2000) 358 final. See especially paragraph 1 and
1.2.2 of this communication. The Council (ECOFIN) adopted this communication on 17 July 2000 and the European Parliament, which approved the guidelines. The Parliament approved the guidelines presented in its Resolution of 13 December 2000.
2 Adopted by the Commission on 23 May 2001, COM(2001) 254 final. See especially paragraph 2.2.1.
5.1.2. Measures taken in connection with ex ante evaluation NOT APPLICABLE 5.1.3. Measures taken following ex post evaluation NOT APPLICABLE 5.2. Action envisaged and budget intervention arrangements NOT APPLICABLE: see point 5.1.1.
5.3. Methods of implementation NOT APPLICABLE: see point 5.1.1.
-
6.FINANCIAL IMPACT NOT APPLICABLE: SEE POINT 5.1.1. 6.1. Total financial impact on Part B - (over the entire programming period)
(The method of calculating the total amounts set out in the table below must be explained by the breakdown in Table 6.2.)
6.1.1. Financial intervention Commitments (in EUR million to three decimal places)
Breakdown [Year n] [n+1] [n+2] [n+3] [n+4] [n+5 and Total subs.
Years]
Action 1 Action 2 etc.
TOTAL 6.1.2. Technical and administrative assistance, support expenditure and IT expenditure (commitment appropriations)
[Year n] [n+1] [n+2] [n+3] [n+4] [n+5 and Total subs.
years]
-
1)Technical and administrative assistance a) Technical assistance
-
b)Other technical and administrative assistance: - intra muros:
-
-extra muros:
of which for construction and maintenance of computerised management systems
Subtotal 1
-
2)Support expenditure a) Studies
-
b)Meetings of experts
-
c)Information and publications
Subtotal 2 TOTAL 6.2. Calculation of costs by measure envisaged in Part B (over the entire programming period)
-
7.IMPACT ON STAFF AND ADMINISTRATIVE EXPENDITURE 7.1. Impact on human resources
Types of post Staff to be assigned to management of the Total Description of tasks deriving from the action using existing and additional resources action
Number of Number of temporary permanent posts posts
Officials or A 2 2 11 Coordination of investigations and intelligence work in the field of fraud in particular on VAT and structural funds and money laundering of proceeds of fraud detrimental to the Community's financial interests. temporary staff (1 already occupied) (1 already occupied) B
2 (1 already occupied) 3 (1/2 - 1 already occupied) C
1 1
Other human resources 4 END 4 Coordination of investigations in the field of VAT, structural funds and money laundering of proceeds of fraud detrimental to the Community's financial interests.
Total 5 10 15
7.2. Overall financial impact of human resources
Type of human resources Amount (EUR) Method of calculation * Officials 1 188 000 11 x EUR 108 000 Temporary staff
Other human resources 173 340 4 (END) x EUR 43 335 (specify budget line)
Total 1 361 340 The amounts are total expenditure for twelve months.
7.3. Other administrative expenditure deriving from the action
Budget line Amount EUR Method of calculation (number and heading)
Overall allocation (Title A7) Overall allocation 24.0106 (fight against fraud)
A3.010211 Other management expenditure (missions)
117 000
13 (operational and intelligence staff) x missions per year x 1.500 (average costs of Anti-fraud--missions)
60 000
2 x (each year) a meeting of the Committee (30.000 costs per meeting)
3
A3.0201 Control, studies, analysis and activities specific to the European anti-fraud office
13 (operational and intelligence staff) x 2 (average No. of investigation coordination
208 000
meetings) x 8,000 (average costs of such a meeting)
Total per year
385 000
3 Where multidisciplinary (e.g. Customs and VAT) issues are discussed by the Committee envisaged by this Regulation, the travel costs of two delegates per Member State will be reimbursed by the Commission.
A3.0103 Buildings and related expenditure of policy area EUR 100 000 Two information systems have to be developed: one for VAT and one for money laundering. The development of each system entails the following costs:
system specification: EUR 25 000
development: EUR 35 000
tests: EUR 10 000
user manuals and training: EUR 15 000
installations: EUR 15 000
total (1): EUR 100 000
Total:2 systems: EUR 200 000
cost to be spread over two years
A3 01 60 Documentation and library expenditure 5 000 special library, documentation and purchase of books, subscription to specialised periodicals
Total 1 851 340 The amounts are total expenditure for twelve months.
1
Specify the type of committee and the group to which it belongs.
I. Annual total (7.2 + 7.3) EUR 1 851 340 (year 1 and 2)
EUR 1 751 340 (from year 3)
II. Duration of action does not apply
III. Total cost of action (I x II) does not apply
The needs for human and administrative resources shall be covered within the allocation granted to the managing DG in the framework of the annual allocation procedure.
-
8.FOLLOW-UP AND EVALUATION 8.1. Follow-up arrangements
The Committee shall adopt an implementing regulation following the comitology procedure in order to determine the relevant implementing modalities of mutual
assistance and exchange of information in specific areas covered by the proposed regulation.
8.2. Arrangements and schedule for the planned evaluation
Every three years after the date of entry into force of the regulation, the Commission shall report to the European Parliament, the Court of Auditors and the Council on the application of the measures provided for in the regulation.
-
9.ANTI-FRAUD MEASURES NOT APPLICABLE.
- 20 jul '04COM(2004)509 - Wederzijdse administratieve bijstand ter bescherming van de financiële belangen van de EG tegen fraude en andere onwettige activiteiten
- 16 apr '04COM(2004)260 - Toepassing van regelingen betreffende administratieve samenwerking op het gebied van bestrijding van BTW-fraude
- 4 mrt '04COM(2004)148 - Aanpassing van bepaalde verordeningen en besluiten op het gebied van vrij verkeer van goederen, vennootschapsrecht, landbouw, belastingen, onderwijs en opleiding, cultuur en audiovisuele aangelegenheden, en externe betrekkingen, in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije
- 16 dec '03COM(2003)825 - Wijziging van Richtlijn 77/388/EEG ter verlenging van de termijn tijdens welke de lidstaten kunnen worden gemachtigd een verlaagd BTW-tarief toe te passen op bepaalde arbeidsintensieve diensten
- 27 dec '01COM(2001)789 - Aanpassing van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegden die zijn vastgelegd in volgens de raadplegingsprocedure (unanimiteit) goedgekeurde besluiten van de Raad
- 27 dec '01COM(2001)789 - Aanpassing van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegden die zijn vastgelegd in volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag goedgekeurde besluiten van het Europees Parlement en de Raad
- 18 jun '01COM(2001)294 - Administratieve samenwerking op het gebied van de btw
- 15 mei '01COM(2001)254 - Bescherming van de financiële belangen van de EG - Fraudebestrijding - Actieplan voor 2001-2003
- 28 jun '00COM(2000)358 - Bescherming van de financiële belangen van de EG - Fraudebestrijding Naar een algemene strategische aanpak
- 16 dec '99JAI(1999)5 - 2000/642/JBZ : Besluit van de Raad van 17 oktober 2000 inzake een regeling voor samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens

