Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap - Resultaten van de 1e lezing van het Europees Parlement (Brussel, 28-29 november 2001)

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

I. INLEIDING

De rapporteur, mevrouw THEATO (PPE/DE-D) heeft namens de Commissie begrotingscontrole

haar verslag voorgelegd.

Zij memoreerde dat artikel 280 van het Verdrag van Amsterdam de Gemeenschap en de lidstaten

verplicht maatregelen te nemen die het mogelijk maken de financiële belangen van de

Gemeenschap in alle lidstaten een doeltreffende en gelijkwaardige bescherming te bieden. Lid 4 van

dat artikel bevat de bepalingen die de verwezenlijking van dit doel mogelijk maken.

Zij juichte het Commissievoorstel toe, maar wees erop dat de artikelen van de Overeenkomst van

1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap - Overeenkomst

die nog niet door alle lidstaten is bekrachtigd en derhalve nog steeds niet in werking kan treden -

door middel van de ingediende amendementen in het dispositief van de richtlijn moeten worden

opgenomen.

Tot slot pleitte de rapporteur voor de aanneming van een verordening in plaats van een richtlijn,

zoals voorgesteld door de Commissie.

Vervolgens namen de volgende Parlementsleden het woord: BOSCH (PSE-AU), PALACIO (PPE/DE-ES), MORGAN (PSE-UK), MULDER (ELDR-NL) en STAUNER (PPE/DE-D); de Parlementsleden PALACIO, MORGAN en MULDER spraken zich met name uit tegen de amendementen die ertoe strekken het richtlijnvoorstel van de Commissie te vervangen door een verordening.

II. STEMMING

De plenaire vergadering heeft 20 van de 31 ingediende amendementen aangenomen. Het standpunt van de Commissie ten aanzien van de aangenomen amendementen, dat door Commissielid Schreyer werd vertolkt, kan als volgt worden samengevat:

  • i) 
    voor de Commissie aanvaardbare amendementen

amendement 1 - betreft het rechtskarakter van het voorstel; amendement 2 - verklaring betreffende artikel 280, lid 4, van het EG-Verdrag; amendement 3 - (eerste zin) - onderstreept het belang van de financiële belangen van de Gemeenschap; amendement 7 - opmerking dat het huidige voorstel niet vooruitloopt op latere institutionele ontwikkelingen zoals de instelling van de functie van een Europese openbare aanklager; amendement 27 - voegt uitlevering toe aan de criteria voor de omschrijving van de in hoofdstuk II bedoelde gedragingen;

  • ii) 
    voor de Commissie niet-aanvaardbare amendementen

amendement 3 - (tweede zin) - verklaring dat de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap onder de eerste pijler dient te vallen; amendement 4 - voorziet in beslag ter fine van bewijs en/of conservatoir beslag voor de opbrengst van de fraude; amendement 5 - betreft de coördinatie tussen OLAF en de lidstaten; amendement 6 - betreft de aanpassingen van de activiteiten van OLAF; amendement 11 - betreft het rechtskarakter van het voorstel; amendement 12 - betreft de omschrijving van "nationaal ambtenaar"; amendement 13 & 15 - betreffen een uitbreiding van de strafbaarstelling van fraude; amendement 14 - verruimt de werkingssfeer van het voorstel tot aanbestedingen; amendement 16 - omschrijving van "ambtsmisbruik"; amendement 17 - omschrijving van "criminele vereniging"; amendement 19 - betreft de verplichting voor de lidstaten om bepaalde gedragingen als strafbare feiten aan te merken;

amendement 28 - verplichting voor de lidstaten om hun rechtsmacht te vestigen ten aanzien van

bepaalde strafbare feiten;

amendement 29 - betreft de weigering door een lidstaat om zijn eigen onderdanen uit te leveren;

amendement 30 - samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van fraude;

amendement 31 - verleent OLAF een in de nationale wetboeken van strafvordering vastgelegd

statuut.

De tekst van de aangenomen amendementen en de wetgevingsresolutie van het EP staan in de

bijlage van deze nota.

_______________

BIJLAGE

(29.11.2001)

Financiële belangen van de Gemeenschap

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (COM(2001) 272 ­ C5-0225/2001 ­ 2001/0115(COD))

Dit voorstel wordt als volgt gewijzigd:

Door de Commissie voorgestelde tekst 1 Amendementen van het Parlement Amendement 1

Titel van de verordening

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap _______________

(1) PB C 240 E van 28.8.2001, blz. 125 Amendement 2

Overweging 4

(4) Krachtens artikel 280 van het Verdrag is het mogelijk in een communautair wetgevingsinstrument de inhoud op te nemen van alle bepalingen van deze instrumenten die geen betrekking hebben op de toepassing van het nationale strafrecht of de nationale rechtsbedeling in de lidstaten. (4) Sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam is de Raad overeenkomstig artikel 280, lid 4 van het Verdrag gehouden de nodige maatregelen vast te stellen op het gebied van de preventie en bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad om in de lidstaten een doelmatige en gelijkwaardige bescherming te bieden. Amendement 3

Overweging 4 bis (nieuw)

(4 bis) De financiële belangen van de

Gemeenschap zijn essentiële belangen

van de Gemeenschap. De bescherming

ervan dient onder de eerste pijler te vallen

Amendement 4 Overweging 12

(12) Het nationale recht moet waar nodig worden aangepast in die zin dat de confiscatie van de opbrengsten van daden van fraude, corruptie en het witwassen van geld mogelijk wordt gemaakt. (12) Het nationale recht moet waar nodig worden aangepast in die zin dat bewijsleverend en/of conservatoir beslag en de confiscatie van de opbrengsten van daden van fraude, corruptie en het witwassen van geld mogelijk wordt gemaakt. Amendement 5

Overweging 13 bis (nieuw)

(13 bis) Het is met name zaak een doelmatige coördinatie op te zetten tussen OLAF en de lidstaten overeenkomstig Verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

1 om te zorgen

voor een rechtelijk of bestuurlijk vervolg van de onderzoeken van OLAF, en voor het in aanmerking nemen van de rol van OLAF in de nationale wetboeken van strafvordering. _________________

1 PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

Amendement 6

Overweging 13 ter (nieuw)

(13 ter) Het is tevens zaak om nu reeds, overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1073/1999, de noodzakelijke aanpassingen te overwegen, met name voor wat betreft de wettigheid en efficiëntie van de activiteiten van OLAF.

Amendement 7 Overweging 14

(14) De lidstaten die de instrumenten nog moeten ratificeren die zijn vastgesteld op grond van Titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie en die betrekking hebben op de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, gaan onverwijld tot deze ratificatie over, zodat de bepalingen die niet binnen het toepassingsgebied van artikel 280, lid 4, van het Verdrag vallen, te weten met name die betreffende de bevoegdheid, de wederzijdse rechtshulp, de overdracht en centralisatie van strafvervolgingen, de uitlevering en de uitvoering van vonnissen, eveneens in werking kunnen treden. (14) Deze verordening loopt niet vooruit op latere institutionele ontwikkelingen zoals de instelling van de functie van een Europese openbare aanklager voor de bescherming van de belangen van de Gemeenschap door wijziging van artikel 280 van het Verdrag tijdens de eerstvolgende Intergouvernementele Conferentie. Amendement 11

Overweging 15 bis (nieuw)

(15 bis) Deze verordening maakt een integrerend deel uit van het acquis communautaire en moet in de wetgevingen van de kandidaat-landen voor toetreding worden opgenomen.

Amendement 12

Artikel 2, lid 3, alinea 1

  • 3. 
    wordt onder "nationaal ambtenaar" verstaan, de persoon die de hoedanigheid van "ambtenaar" of "overheidspersoon" in de zin van het nationale recht van de lidstaat heeft voor de toepassing van het strafrecht van die lidstaat. 3. wordt onder "nationaal ambtenaar" verstaan, de persoon die de hoedanigheid van "ambtenaar van de landelijke of een lagere overheid " of "overheidspersoon" in de zin van het nationale recht van de lidstaat heeft voor de toepassing van het strafrecht van die lidstaat.

Amendement 13

Artikel 3, lid 1, letter a), streepje 1

  • valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Gemeenschap of van de door of voor de Gemeenschap beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden; - valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden opgesteld, verstrekt, gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Gemeenschap of van de door of voor de Gemeenschap beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden; Amendement 15

Artikel 3, lid 1, letter b), streepje 1

  • valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de algemene begroting van de Gemeenschap of van de door of voor de Gemeenschap beheerde begrotingen wederrechtelijk worden verminderd; - valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden opgesteld, verstrekt, gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de algemene begroting van de Gemeenschap of van de door of voor de Gemeenschap beheerde begrotingen wederrechtelijk worden verminderd; Amendement 14

Artikel 3 bis (nieuw)

Artikel 3 bis

Fraude bij aanbestedingen

In de zin van deze verordening wordt op het gebied van de gunning van een opdracht in het kader van een aanbesteding waarop het Gemeenschapsrecht van toepassing is als fraude aangemerkt het indienen van een offerte op basis van een overeenkomst die is gesloten om de concurrentie te beperken en die tot doel heeft de bevoegde instantie de offerte te doen accepteren.

Amendement 16

Artikel 4 bis (nieuw)

Artikel 4 bis Ambtsmisbruik

In de zin van deze verordening wordt als

ambtsmisbruik aangemerkt het feit dat een

ambtenaar die de bevoegdheid heeft om te

beschikken over middelen afkomstig uit de

begroting van de Europese Unie deze

ontvreemdt of verduistert, hetzij door te

besluiten een subsidie, steun of vrijstelling

toe te kennen aan een persoon die duidelijk

geen recht heeft op een dergelijk besluit,

hetzij door rechtstreekse of indirecte

tussenkomst bij het toekennen van steun of

vrijstelling van de afdracht van rechten

voor bedrijven of zakelijke activiteiten

waarin hij een persoonlijk belang heeft.

Amendement 17

Artikel 4 ter (nieuw)

Artikel 4 ter

Criminele vereniging

In de zin van deze verordening wordt als

criminele vereniging aangemerkt elke uit

drie of meer personen bestaande duurzame

organisatiestructuur die tot doel heeft

samen te werken teneinde de in dit

hoofdstuk vermelde delicten te plegen.

Amendement 19

Artikel 7, lid 2

2. De lidstaten nemen de nodige Schrappen. maatregelen opdat het opzettelijk

opstellen of verstrekken van valse,

onjuiste of onvolledige verklaringen of

documenten die de in artikel 3 bedoelde

fraude tot gevolg hebben, als strafbare

feiten worden aangemerkt, wanneer die

handelingen niet reeds strafbaar zijn,

hetzij als zelfstandig strafbaar feit, hetzij

op grond van medeplichtigheid aan,

uitlokking van of poging tot fraude als

omschreven in genoemd artikel.

Amendement 27

Artikel 10, alinea 1

Onverminderd de bepalingen van de Onverminderd de bepalingen van de

tweede alinea, nemen de lidstaten de tweede alinea, nemen de lidstaten de nodige maatregelen opdat de in nodige maatregelen opdat de in

hoofdstuk II bedoelde gedragingen, hoofdstuk II bedoelde gedragingen,

alsmede medeplichtigheid aan, uitlokking alsmede medeplichtigheid aan, uitlokking

van en, met uitzondering van de in artikel 4 van en, met uitzondering van de in artikel 4 bedoelde gedragingen, de poging tot bedoelde gedragingen, de poging tot

bedoelde gedragingen, doeltreffende, bedoelde gedragingen, doeltreffende, evenredige en afschrikkende evenredige en afschrikkende

strafrechtelijke sancties worden gesteld, strafrechtelijke sancties worden gesteld,

met inbegrip, tenminste bij ernstige fraude, met inbegrip, tenminste bij ernstige fraude, van vrijheidsstraffen. van vrijheidsstraffen die tot uitlevering kunnen leiden .

Amendement 28

Artikel 12 bis (nieuw)

Artikel 12 bis

Rechtsmacht

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen

om zijn rechtsmacht te vestigen ten

aanzien van de overeenkomstig artikel 7

strafbaar gestelde feiten voor de gevallen

waarin:

a) een strafbaar feit, de deelneming aan

of de poging tot het plegen van een

strafbaar feit geheel of gedeeltelijk op zijn

grondgebied is begaan;

b) de dader één van zijn onderdanen of

ambtenaren is;

c) het strafbaar feit is begaan tegen een

onderdaan van de lidstaat of hij nu

nationale of communautaire ambtenaar

of lid van een communautaire instelling

is;

d) de dader een communautaire

ambtenaar is in dienst van een instelling

van de Europese Gemeenschappen of van

een orgaan, dat is opgericht

overeenkomstig de verdragen tot

oprichting van de Europese

Gemeenschappen en dat zijn zetel in de

betrokken lidstaat heeft.

Amendement 29

Artikel 12 ter (nieuw)

Artikel 12 ter

Uitlevering en vervolging

1. Elke lidstaat die ingevolge zijn

nationale recht geen eigen onderdanen

uitlevert, treft de nodige maatregelen om

zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien

van de overeenkomstig artikel 7 strafbaar

gestelde feiten, indien deze strafbare

feiten worden begaan door zijn eigen

onderdanen buiten zijn grondgebied.

2. Wanneer een onderdaan van een

lidstaat ervan wordt verdacht zich in een

andere lidstaat schuldig te hebben

gemaakt aan strafbaar gestelde

gedragingen als bedoeld in hoofdstuk II,

en de lidstaat de betrokkene louter op

grond van zijn of haar nationaliteit niet

aan die andere lidstaat uitlevert, legt deze

lidstaat de zaak aan zijn bevoegde

autoriteiten voor opdat, indien daartoe

aanleiding bestaat, een strafvervolging

kan worden ingesteld. Met het oog op de

strafvervolging worden de dossiers,

inlichtingen en voorwerpen die op het

strafbare feit betrekking hebben,

overeenkomstig artikel 6 van het

Europees Verdrag betreffende uitlevering

toegezonden. De verzoekende lidstaat

wordt in kennis gesteld van de vervolging

en de afloop daarvan.

3. Een lidstaat mag uitlevering in geval

van fraude waardoor de financiële

belangen van de Europese

Gemeenschappen worden geschaad, niet

weigeren op grond van het loutere feit dat

het gaat om een delict inzake heffingen of

douanerechten.

4. Voor de toepassing van dit artikel

worden onder "onderdanen van een

lidstaat" de personen verstaan als

omschreven in de verklaring die de

betrokken lidstaat heeft afgelegd uit

hoofde van artikel 6, lid 1, onder b), van

het Europees Verdrag betreffende

uitlevering, alsmede de personen bedoeld

in lid 1, onder c), van dat artikel.

Amendement 30

Artikel 12 quater (nieuw)

Artikel 12 quater

Samenwerking

1. Wanneer twee of meer lidstaten betrokken zijn bij een krachtens artikel 7 strafbaar gesteld feit, werken deze lidstaten doeltreffend samen bij het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van het strafbare feit, bij voorbeeld door middel van wederzijdse rechtshulp, uitlevering, overdracht van strafvervolging of tenuitvoerlegging van in een andere lidstaat gewezen rechterlijke beslissingen.

2. Wanneer meer dan één lidstaat bevoegd is en elk van hen ter zake van dezelfde feiten een vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg en in coördinatie met OLAF wie van hen de dader of daders zal vervolgen, met het doel de vervolging zo mogelijk in één lidstaat te centraliseren.

Amendement 31

Artikel 13, lid 1 bis (nieuw)

1 bis. Verordening (EG) nr. 1073/1999 is volledig van toepassing. De rol van OLAF moet worden vastgelegd in een statuut in de nationale wetboeken van strafvordering.

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (COM(2001) 272 ­ C5-0225/2001 ­ 2001/0115(COD))

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

­ gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad

(COM(2001) 272 1 ), ­ gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 280, lid 4 van het EG-Verdrag, op grond waarvan het

voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C5-0225/2001),

­ gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

­ gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie

vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie juridische zaken en interne markt (A5-0390/2001),

  • 1. 
    hecht zijn goedkeuring aan het aldus gewijzigde Commissievoorstel;
  • 2. 
    verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende

wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

  • 3. 
    verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de

Commissie.

_______________

1 PB C 240 E van 28.8.2001, blz. 125.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie