De omvang van een economie bepalen we aan de hand van het bruto binnenlands product (BBP). De vraag is wat dit zegt over de welvaart van een land.
De eerste relativering is dat welvaart een meer theoretisch en immaterieel economisch begrip is. De hoogte van het BBP is dus niet gelijk aan de hoogte van de welvaart. De tweede relativering is dat de groei van het BBP in de loop der tijd wordt gedreven door de groei van de bevolking en door de ontwikkeling van de techniek en innovatie.
Voor zover het BBP dus iets zegt over de materiële welvaart, is het dus beter om naar het BBP per hoofd van de bevolking (BBP per capita) te kijken dan naar de hoogte van het BBP zelf. Sommige landen hebben namelijk vooral een grote economie omdat ze zoveel inwoners hebben.
Als hiervoor wordt gecorrigeerd door het BBP per capita uit te rekenen, blijkt dat de economieën van sommige kleinere landen meer toegevoegde waarde per hoofd van de bevolking creëren dan die van de grote economieën. De economieën van die kleinere landen zijn in de betreffende gevallen dus geavanceerder. Wellicht zijn de betreffende economieën wat flexibeler en innovatiever dan die van sommige grotere landen, of weten ze beter in te spelen op de globalisering.
Neem nu eens de Duitse economie. Duitsland had in 2007 het hoogste BBP van de 27 EU-landen. Kijken we echter naar het BBP per hoofd van de bevolking, dan staat Duitsland slechts op de tiende plaats. Voor een deel zal heeft deze lage klassering overigens te maken met het feit dat ook het armere Oost-Duitsland deel uitmaakt van de Bondsrepubliek.
Een ander voorbeeld is Turkije. Als Turkije in 2007 lid was geweest van de Europese Unie, dan had het na Nederland en voor België in omvang de zevende economie gehad. Turkije heeft echter veel meer inwoners dan Nederland en België. Op de ranglijst van het BBP per capita zou het land dan ook slechts op de 26ste plaats zijn geëindigd, vergeleken met een derde plaats voor Nederland en een achtste plaats voor België.
De top van de BBP per capita ranglijst van de EU wordt bepaald door kleine en middelgrote West-Europese economieën.
Koploper Luxemburg (meer dan 2,5 keer het gemiddelde BBP per capita van de EU) had in 2007 een straatlengte voorsprong op de nummer twee, Ierland. De hoge positie van Luxemburg is te verklaren door het aantrekkelijke (fiscale) vestigingsklimaat, en het feit dat het land een vestigingsplaats is voor financiële en EU-instellingen. De hoge positie van Ierland is opmerkelijk. In de jaren ’70 en ’80 van de 20ste eeuw werd het land binnen Europa nog beschouwd als een soort ontwikkelingsland.
De Ierse economie heeft zich zo kunnen ontwikkelen dankzij de export (door aanvankelijk lage lonen) en een gunstig fiscaal vestigingsklimaat. Bovendien is Ierland voor Amerikaanse bedrijven een handige springplank naar Europa. Inmiddels heeft de Ierse economie overigens zware klappen opgelopen door de kredietcrisis.
Zoals te verwachten staan de Oost-Europese landen nog aan de onderkant van de ranglijst. Hoogst genoteerde Oost-Europese landen zijn Slovenië (16e) en Tsjechië (17e), beide nog boven Portugal (19e). Mede EU-grondlegger Italië moest Spanje laten voorgaan. Het BBP per capita van Italië ligt maar net boven het gemiddelde van de EU27.
Als we niet EU-landen in de beschouwing zouden betrekken, zou Noorwegen (als een soort Europese ‘oliestaat’) in 2007 na Luxemburg op de tweede plaats gestaan hebben, gevolgd door de Verenigde Staten. Het BBP per capita van Zwitserland was in dat jaar iets hoger dan dat van de huidige nummer drie op de EU-lijst, Nederland. Het Japanse BBP per hoofd was vergelijkbaar met dat van Duitsland en Frankrijk.
