BNC-Fiche: Voorstel voor een richtlijn van het EP en de Raad inzake milieubescherming door middel van het strafrecht Datum document: 14 februari 2007

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

2.

Nr. Raadsdocument

6297/07 DROIPEN 10 ENV 95 SAN 20 CONSOM 7 CODEC 113 plus ADD 1 en 2

3.

Nr. Commissiedocument

COM (2007) 51 final Pre-lex: http://ec.europa.eu/prelex/detail_dossier_real.cfm?CL=nl&DosId= 195346

Nr impact assessment: CIE SEC (2007) 160

4.

Behandelingstraject

Werkgroep materieel strafrecht, CATS, JBZ-Raad

  • 2. 
    Essentie Commissie voorstel (max 15 regels): De ontwerprichtlijn omschrijft een aantal milieudelicten, zoals het dumpen van giftige stoffen en het illegaal vervoeren van giftig afval, bezit van en handel in bedreigde diersoorten en habitatvernietiging en verplicht de lidstaten tot strafbaarstelling daarvan in hun nationale wetgeving. Daarnaast schrijft de ontwerprichtlijn de lidstaten voor welk type straffen moet worden opgelegd en hoe hoog de maximumvrijheidsstraffen en maximumboetes voor rechtspersonen ten minste zouden moeten zijn. De ontwerprichtlijn vervangt het kaderbesluit 2003/80/JBZ van 27 januari 2003 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PbEG L 29/55) én het richtlijnvoorstel van 13 maart 2001 van het EP en de Raad inzake milieubescherming door middel van strafrecht. Het kaderbesluit werd ingevolge de uitspraak van het Hof van Justitie van 13 september 2005 (zaak nr. C-176/03) vernietigd vanwege het feit dat de in het kaderbesluit geregelde materie (milieubescherming) op grond van het EG-Verdrag, de eerste pijler, had moeten worden geregeld en niet door middel van een kaderbesluit in de derde pijler.

De omschrijving van de misdrijven in de ontwerprichtlijn komt vrijwel overeen met de omschrijving daarvan in het kaderbesluit. Het aantal omschreven misdrijven is wel uitgebreider dan in het kaderbesluit. Toegevoegd zijn habitatvernietiging en het illegaal vervoeren van giftig afval. Aanleiding daarvoor vormde onder meer het incident met de Probo Koala. Wat betreft type en hoogte van straffen gaat de ontwerprichtlijn eveneens verder en is deze veel gedetailleerder dan het kaderbesluit.

  • 3. 
    Voorlopig subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel: Subsidiariteit: deels niet van toepassing, deels positief. Allereerst dient gekeken te worden in hoeverre de Gemeenschap bevoegd is om het onderhavige instrument voor te stellen. Sinds de uitspraak van het Hof van Justitie van 13 september 2005 is duidelijk dat de Gemeenschap bevoegd is de lidstaten te verplichten tot strafbaarstelling van ernstige inbreuken op Gemeenschapsnormen op het terrein van milieu. Echter, Nederland is van oordeel dat het arrest op zich geen grond vormt voor het oordeel dat ook het voorschrijven van type en hoogte van strafrechtelijke sancties onder de bevoegdheid van de eerste pijler valt (zie ook het ICER-rapport II over strafrecht in de eerste pijler, TK, 2005/06, 30 037, nr. 9). Het subsidiariteitsen proportionaliteitsoordeel is dan ook met nadruk niet van toepassing op deze onderdelen van de voorgestelde richtlijn.

Ten aanzien van de onderdelen van het voorstel waarvoor de Gemeenschap wel bevoegd is, luidt het oordeel: positief. Een effectieve bestrijding van (grensoverschrijdende) milieucriminaliteit kan immers niet louter op het niveau van de lidstaten worden geregeld.

5.

Proportionaliteit

deels niet van toepassing, deels twijfelachtig. Ten aanzien van die onderdelen van het voorstel waarvoor de Gemeenschap wel bevoegd is (verplichten tot strafbaarstelling van ernstige inbreuken op Gemeenschapsnormen op het terrein van milieu) steunt Nederland in beginsel het voorstel. Echter, het voorstel is niet duidelijk over de mogelijkheid een keuze te maken voor andere vormen van handhaving dan de strafrechtelijke. Nederland is tegen de mogelijke beperking van de keuzevrijheid van de lidstaten t.a.v. de meest effectieve handhavingsmodaliteit. Het is aan de autoriteiten van iedere lidstaat om te beslissen welke aan hen ten dienste staande handhavingsmodaliteit in het concrete geval het meest effectief is. Het voorstel moet deze keuzemogelijkheid duidelijk verzekeren.

  • 4. 
    Nederlands belang:

Nederland hecht groot belang aan een effectieve bestrijding van (grensoverschrijdende) milieucriminaliteit. Nederland is van oordeel dat afspraken op Europees niveau bijdragen aan een effectieve aanpak van dergelijke milieucriminaliteit.Ingevolge de notitie van het (vorige) kabinet van 4 april 2006 staat Nederland in beginsel terughoudend ten aanzien van nieuwe initiatieven van de Commissie waarin sprake zou kunnen zijn van een verplichting tot gebruik van strafrecht in de eerste pijler. Die notitie is uit de aard der zaak ook richtinggevend voor de uiteindelijke beoordeling van de ontwerprichtlijn.

Nederland hanteert bestuurlijke en strafrechtelijke handhavingsinstrumenten op het terrein van het milieu. Voor Nederland is cruciaal dat ook ten aanzien van EG-normen in beginsel niet mag worden getornd aan de nationale keuzevrijheid met betrekking tot de inzet van handhavingmodaliteiten ter verzekering van de naleving daarvan.

Nederland vindt verder dat de uitspraak van het Hof van Justitie van 13 september 2005 op zich geen grond vormt voor het oordeel dat het voorschrijven van type en hoogte van sancties onder de eerste pijler bevoegdheden valt. Nederland is van mening dat de sanctiebepaling in een EG-besluit zich daarom in beginsel niet mag uitstrekken tot het type en de hoogte van de sanctie.

Aantekening verdient tot slot dat het Hof van Justitie nog uitspraak moet doen in een tweede zaak over de inzet van strafrecht ter verwezenlijking van EG-normen (beleidsterrein vervoer). Die procedure betreft het kaderbesluit (2005/667/JBZ) van 12 juli 2005 tot versterking van het strafrechtelijke kader voor de bestrijding van verontreiniging vanaf schepen (PbEG L 225/164). Dit kaderbesluit geeft het kader voor strafrechtelijk optreden tegen inbreuken op normen ter bescherming van het mariene milieu die zijn neergelegd in de richtlijn (2005/35/EG) van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PbEG L 255/11). Ook legt dit kaderbesluit (net als de ontwerprichtlijn) minimale maximumstraffen voor bovengenoemde inbreuken vast. De uitspraak in deze zaak zal meer duidelijkheid kunnen bieden over de omvang van de bevoegdheden van de Gemeenschapswetgever op het terrein van het strafrecht in de eerste pijler.

 
 

6.

Meer informatie