Verordening over koopkrachtpariteiten

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Tekst

2.

Titel

3.

Voorstel

voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor de levering van basisgegevens over koopkrachtpariteiten en voor de berekening en verspreiding van deze pariteiten

4.

Datum Raadsdocument

29 maart 2006

5.

Nr. Raadsdocument

7887/06

6.

Nr. Commissiedocument

COM(2006) 135

7.

Eerstverantwoordelijk ministerie

Economische Zaken i.o.m. FIN en

SZW

8.

Behandelingstraject in Brussel

Raadswerkgroep Statistiek, Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen

9.

Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel

De Commissie heeft volledige, actuele, betrouwbare en vergelijkbare statistische informatie nodig voor het uitoefenen van de in het Verdrag opgedragen taken. Daarbij moet in het bijzonder worden gedacht aan de versterking van de economische en sociale samenhang, de bevordering van de solidariteit tussen de lidstaten, het verkleinen van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's en de plattelandsgebieden.

Verder is in de structuurfondsenverordening, verordening (EG) nr. 1260/ 1999 van de Raad, vastgelegd dat de Commissie het bruto binnenlands product (BBP) moet berekenen op basis van de koopkracht. Vervolgens is in de verordening over het Cohesiefonds (verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad bepaald dat de financiële bijdrage uit het fonds voor projecten wordt bepaald op basis van koopkrachtpariteit. Daarnaast heeft de Commissie voor de uitoefening van haar taken op het terrein van de interne markt, het toezicht op de EMU vanuit het oogpunt van prijsconvergentie behoefte aan vergelijkbare en betere prijsindicatoren.

De verordening geeft een aantal definities, taken en verantwoordelijkheden aan voor de verzameling en de toezending van de gegevens. Het onderhavige voorstel is een kaderverordening, de verdere ­ technische ­ maatregelen die nodig zijn, waaronder vaststelling van een reeks minimumnormen voor de vergelijkbaarheid, de representativiteit, en de te gebruiken methodiek, zullen worden vastgelegd volgens de comitologieprocedure1.

Het onderhavige voorstel over koopkrachtpariteiten2 (KKP's) heeft tot doel de bestaande werkzaamheden van de lidstaten en Eurostat in het kader van de berekening van jaarlijkse KKP's in wetgeving vast te leggen en daarmee aan deze werkzaamheden een rechtsgrondslag te geven. Het voorstel bevat geen nieuwe taken behalve op het gebied van de kwaliteitscontrole en verslaglegging. Door een rechtsgrondslag vast te stellen zullen de transparantie, actualiteit en kwaliteit bij alle fasen van de KKP-productie zowel in de nationale bureaus voor de statistiek als bij Eurostat worden verbeterd.

10.

Rechtsbasis van het voorstel

artikel 285, lid 1 EG Verdrag.

11.

Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement

Raad: gekwalificeerde meerderheid, EP: medebeslissing.

12.

Instelling nieuw Comitologie-comité

nee.

13.

Subsidiariteit en proportionaliteit

14.

Subsidiariteit

positief, het doel van de verordening is het uitwerken en vaststellen van gemeenschappelijke standaards voor de productie en systematische indiening, van basisgegevens over koopkrachtpariteiten en voor de berekening en verspreiding van deze pariteiten. Dit kan niet op een afdoende wijze door de lidstaten afzonderlijk worden uitgevoerd, en kan daarom beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Proportionaliteit: positief, de verordening gaat niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. In de verordening zijn alleen geharmoniseerde statistische definities opgenomen. In overleg met de lidstaten wordt een methdologische handleiding alsmede een procedure voor de verzameling van de basisgegevens vastgesteld. Daarnaast kunnen de lidstaten zelf beslissen welke nationale gegevensbronnen zij voor de opstelling van de basisgegevens gebruiken.

Echter, de Commissie heeft zelf noch in de toelichting, noch in de overwegingen of in de tekst van het voorstel zelf een verwijzing naar artikel 5 van het EG-verdrag opgenomen, waarin het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel zijn vervat (zie ook de standpuntbepaling).

15.

Consequenties voor de EU-begroting

Voor de periode 2007­2013 is een totaal bedrag van 22,7 miljoen (afgerond) gereserveerd op de begroting van de Europese Commissie; Titel 29 statistiek onder hoofdstuk 29.02.01; productie van statistische informatie. In het financieel memorandum wordt aangeven dat de door de Commissie gereserveerde middelen mede worden ingezet voor de cofinanciering voor de uitvoering van methodologische ondersteuning voor de statistische autoriteiten in de lidstaten. De subsidies voor de lidstaten blijven beperkt tot een periode van vijf jaar (2007­2011). Verder is een en

ander ook nog afhankelijk van het Inter Institutioneel Akkoord tussen Raad

en EP en de verdeling van de Financiële Perspectieven over individuele

programma's.

Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksover-

heid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger.

Op dit moment vinden de werkzaamheden voor het koopkrachtpariteiten

programma plaats op basis van een bilaterale overeenkomst tussen het

CBS en Europese Commissie (Eurostat). De jaarlijkse kosten voor de uitvoering bedragen thans 100 000,­ Hiervan wordt thans door Europese Commissie (Eurostat) jaarlijks op basis van cofinanciering een bedrag van 50 000,­ vergoed. In het financieel memorandum wordt aangegeven dat deze cofinanciering tot en met 2011 gehandhaafd blijft. De cofinanciering is onder meer bedoeld voor het opzetten van een kwaliteitscontrole systeem, methodologische ondersteuning alsmede de uitvoering van de enquêtecyclus. Daarna komen de kosten voor de uitvoering van de verordening geheel ten laste van de lidstaten. Dit impliceert dat het CBS vanaf 2012 jaarlijks additionele financiering nodig heeft om aan de verordening te kunnen voldoen. Deze kosten hebben betrekking op het continueren van de enquêtecyclus1 en worden op dit moment door het CBS ingeschat op een bedrag van 50 000,­ per jaar. Op basis van thans beschikbare informatie kan worden afgeleid dat de toekomstige jaarlijkse budgettaire gevolgen tot een minimum beperkt zullen blijven.

16.

Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen/ zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering)

De ontwerp verordening betekent een additionele EU-verplichting voor het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het voorstel bestaat voor in hoofdzaak uit bestaand beleid. Echter l er worden additionele eisen gesteld aan de minimumnormen voor de kwaliteit van de basisgegevens die aan Eurostat moeten worden geleverd. Voor het merendeel voldoet het CBS al aan deze kwaliteitsnormen.

Desondanks zullen op een aantal onderdelen additionele maatregelen moeten worden genomen. Deze hebben betrekking op het samenstellen van kwaliteitsindicatoren en verslaglegging. Daarnaast dient het CBS eens in de zes jaar informatie te leveren over de verschillen in prijzen tussen de vier grote steden en de rest van het land. Het CBS kan aan de verplichting voldoen zonder aanvullende enquêtering, waardoor er geen toename van de administratieve lastendruk zal ontstaan.

17.

Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerking treden (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie. Voor Nederland is dit haalbaar.

18.

Consequenties voor ontwikkelingslanden

geen.

19.

Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling

Nederland staat in beginsel positief tegenover het onderhavige voorstel en onderschrijft het belang van een wettelijke basis voor de vaststelling van gemeenschappelijke regels voor de levering van basisgegevens over koopkrachtpariteiten en voor de berekening en verspreiding van deze pariteiten. Hierdoor wordt de inhoud, de kwaliteit, de vergelijkbaarheid van de koopkrachtpariteiten alsmede de samenstelling van economische aggregaten die aan de hand van koopkrachtpariteiten vergelijkbaar worden gemaakt, verder verbeterd.

Nederland heeft echter problemen met het ontbreken van een subsidiariteits- en proportionaliteitstoets door de Commissie. Dat er in het onderhavige voorstel geen verwijzing is opgenomen naar het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel zou kunnen worden gezien als een wijziging van het beleid van de Europese Commissie met betrekking tot de bevoegdheden van de Gemeenschap ten aanzien van de

opstelling van communautaire statistieken zoals geregeld in artikel 285

van het EG-Verdrag.

Door niet te verwijzen naar artikel 5 EG is de Commissie kennelijk van mening dat het opstellen van communautaire statistieken een exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap is. Nederland is echter van mening dat de opstelling van communautaire statistieken als een gedeelde bevoegdheid moet worden gezien, en dat de subsidiariteitstoets dus wel moet plaatsvinden. Het opstellen van de communautaire statistieken is overduidelijk een gedeelde bevoegdheid omdat, ten eerste, nationale statistieken worden aangewend ter verwerking tot communautaire statistieken. Ten tweede, deze bevoegdheid is gekoppeld aan de vervulling van de taken van de Gemeenschap. Er bestaat slechts een klein aantal taken op terreinen waar de Gemeenschap exclusief bevoegd (geworden) is om die taken uit te oefenen (bijvoorbeeld het landbouwbeleid). Derhalve, omdat de rechtsbasis 285 EG niet uitgespitst kan worden in een exclusief en niet-exclusief deel, moet de subsidiariteitstoets altijd plaats hebben. De Europese Commissie zal om een toelichting worden gevraagd naar de redenen van de boven besproken beleidswijziging. In haar huidige vorm kan Nederland niet met het voorstel instemmen. Dit geldt voor een meerderheid van de lidstaten.