Laatste nieuws: 

Debat over de brieven van de minister van Justitie over drugssmokkel Schiphol (28192, nrs. 1 t/m 3) 

Delen

enveloppe

Inhoud

1.

Tekst

Aan de orde is het debat over de brieven van de minister van Justitie over drugssmokkel Schiphol (28192, nrs. 1 t/m 3).

De voorzitter: Ik wijs erop dat voor dit debat spreektijden gelden van 15 minuten voor de fracties van de PvdA, de VVD en het CDA, 10 minuten voor D66 en GroenLinks en 7 minuten voor de overige fracties.

R M. Sablerolle–Gouda ©

De heer Rietkerk (CDA): Mevrouw de voorzitter. Ik begin met twee citaten:

’’Mijn vraag is waarom de minister van Justitie niet eerder met die maatregelen is gekomen. Dan had dit alles niet behoeven plaats te vinden. Ik herhaal wat ik al vaker tijdens deze kabinetsperiode heb gezegd: de minister van Justitie loopt achter de feiten aan. Iedere keer moet er weer wat gebeuren. De Kamer moet eerst op de achterste poten staan en ja hoor, dan...’’ (2 juni 1992).

’’Heenzenden van verdachten is één van de slechtste zaken voor een rechtsstaat.’’ (10 juni 1993).

Aan het woord was – dat herinnert u zich wellicht – het VVD-Kamerlid Korthals in het debat over het cellentekort. Vandaag voeren wij het debat met VVD-minister Korthals van Justitie.

In dit debat staan voor de CDA-fractie twee punten centraal. Ten eerste is dat het afleggen van verantwoording door de politiek verantwoordelijke minister, de minister van Justitie, over de ontstane noodsituatie. Ten tweede zijn dat de gepresenteerde plannen.

Waarom is het doorlaten van drugskoeriers op Schiphol vanwege cellentekort onder verantwoordelijkheid van minister Korthals zo’n ernstig probleem? Allereerst is de rechtsstaat in het geding. Het heenzenden van verdachten of, sterker nog, het niet willen aanhouden van verdachten is de bijl aan de wortel van een goed functionerende rechtsstaat. Criminelen en harddrugssmokkelaars horen in zo’n goed functionerende rechtsstaat voor de rechter te komen en hun opgelegde straf volledig te ondergaan. Als tweede: het recht werd niet gehandhaafd. Rechtshandhaving door de overheid en normbesef bij burgers zijn van cruciaal belang voor een veilige samenleving. Als derde: het vertrouwen in de overheid is geschaad. Burgers worden door de overheid bestraft en beboet voor normovertreding. Het beeld dat de burger voor een paar kilometer te hard rijden wordt beboet en grote groepen drugskoeriers met harddrugs worden doorgelaten, ondergraaft het gezag van de overheid. De overheid hoort het goede voorbeeld te geven, anders verliezen de burgers het vertrouwen in die overheid. Vervolgens is er sprake van grote frustratie bij rechtshandhavers. De situatie zorgt ervoor dat gemotiveerde mensen van politie, douane, justitie et cetera zeer gefrustreerd zijn over de gang van zaken. Hun werk, waar zij trots op waren, mogen zij niet uitvoeren. Als laatste: het internationale drugs-imago van Nederland wordt helaas weer bevestigd. In het buitenland verdedigen premier Kok en andere ministers het gedogen van het softdrugsbeleid met een harde aanpak van harddrugs.

Aanvankelijk leek het om een probleem te gaan dat pas in het najaar 2001 speelde, maar in Buitenhof van 13 januari jl. zei de minister in april, mei vorig jaar voor het eerst het probleem gesignaleerd te hebben. Na de aanschaf van de goederenscan op Schiphol in april ligt het voor de hand dat de harddrugssmokkel richting bolletjesslikkers gaat verschuiven. Ligt daar de basis volgens de minister, of was dit eerder? Wat heeft de minister toen, april/mei 2001, gedaan? Niet genoeg, want in juni kwam er een brief van de staatssecretaris van financiën. Via u, voorzitter, heb ik de minister opnieuw officieel gevraagd, wat de inhoud van die junibrief is. Het past bij de opstelling van deze minister en de informatievoorziening aan de Kamer dat die brief er kennelijk nog niet is. Ik kan dus nu helaas niet op de inhoud ingaan. De

CDA-fractie vindt dat de minister een te afwachtende houding aannam!

In september werd een grote actie een groot succes: meer dan 60 bolletjesslikkers opgepakt in 10 dagen. 48 noodcellen zijn in korte tijd bijgeplaatst. Waarom is de minister met die extra inspanningen weer gestopt? En waarom niet meteen opgetreden toen zaak uit de hand liep? Veel te traag opgetreden! Toen liep zaak echt uit de hand. Waar blijven de noodmaatregelen? Waarom heeft de minister de zaak laten versloffen? Na één week was de oude ernstige situatie weer terug! De CDA-fractie vindt dat de minister te afwachtend en te traag reageert!

Op 3 december brief komt de brief van Wooldrink van het OM. Toen was de praktijk: terughoudend aanhouden en koeriers met Nederlanderschap, ook Antillianen, met harddrugs tot één kilo met dagvaarding heenzenden. Dus niet in een cel. Overigens zeggen advocaten over de gedagvaarden: ’’Die zien we nooit meer terug.’’ Wist de minister dat dat beleid gevoerd werd?

Pas 7 december komt de informatie via de brief bij de minister en het OM spreekt over een onaanvaardbare situatie. Sterker nog: het geeft meer zaken aan. Door het niet-opereren van de minister en door niet onmiddellijk te reageren, werkt de minister het laten lopen van drugskoeriers in de hand! De CDA-fractie vindt dat de minister te afwachtend, te traag en te laat optreedt. Inmiddels was er op 6 december een brandbrief van Bos. De staatssecretaris vraagt de minister om ’’op korte termijn spoedig op te treden’’. De staatssecretaris noemt de situatie onverantwoord. Eerst: de opdracht van het OM om terughoudend te zijn met drugskoeriers, de bolletjesslikkers. Nu de opdracht van het OM om terughoudend aan te houden bij gewone koeriers, die harddrugs op hun lichaam of in hun bagage hebben. En dat terwijl het OM onder de politieke verantwoordelijkheid van deze minister optreedt. Weer onderneemt minister Korthals geen actie. Hij wacht nota bene een regulier overleg op 18 en 19 december af. Wat is er voor departementaal vooroverleg geweest voordat staatssecretaris Bos op 6 december zijn brief aan de minister stuurt? De CDA-fractie vindt dat de minister te afwachtend, te traag, te laat en te laks opereert!

Op 12 december 2001 voert de Kamer op initiatief van de CDAfractie een interpellatiedebat. De minister was naar onze mening onvolledig en op één onderdeel informeert hij de Kamer onjuist. In dit debat heeft de minister geen juist en volledig beeld geschetst van de ernstige situatie op Schiphol. Hij sprak niet over een noodsituatie. Voorts geeft minister Korthals aan – na de acties van september jongstleden tegen de bolletjesslikkers – ’’...de gedachte daarbij was om het wat te temporiseren, maar in de praktijk blijkt dat men gewoon doorgaat met die acties omdat men helemaal op het goede spoor zit.’’ Deze uitlating van de minister in dat interpellatiedebat is volstrekt in strijd met de bij de minister bekende brief van het OM van 3 december en met de brief van staatssecretaris Bos van 6 december. De minister heeft de Kamer daarom verkeerd geïnfor-meerd.

De heer Niederer (VVD): De heer Rietkerk citeert uit de Handelingen, maar is daarbij niet volledig; hij vergeet de laatste zin. De minister zegt verder nog: ’’Dit is een groot probleem dat ik afzonderlijk probeer op te lossen.’’ Wat vindt de heer Rietkerk daarvan? Het plan van aanpak ligt er nu.

De heer Rietkerk (CDA): Het gaat er ten eerste om dat de minister de Kamer niet het beeld heeft geschetst van een noodsituatie. Ten tweede heeft hij gezegd dat de zo succesvolle acties van september met meer dan 60 gepakte bolletjesslikkers, niet zouden worden getemporiseerd en dat men gewoon door zou gaan met de acties. Men zat helemaal op het goede spoor. In de brieven van het OM en van staatssecretaris Bos staat echter klip en klaar dat er een terughoudend beleid is bij het aanhouden van bolletjesslikkers. Sterker nog, staatssecretaris Bos zegt terecht dat het onverantwoord is om geen terughoudend beleid te voeren. Hij geeft aan dat de opdracht op 6 december, en ook daarvoor al, was om ’’gewone koeriers’’, met drug op het lijf of in de bagage, niet zouden moeten worden aangehouden, of dat er in ieder geval terughoudendheid bij zou moeten worden betracht. Dat is nog ernstiger dan de in het debat gewisselde feiten. De antwoorden van de minister waren daarom onvolledig en op dit punt onjuist.

Het vervroegd heenzenden van verdachten heb ik destijds, samen met de SGP-fractie en PvdA-Kamerlid Van Heemst, onaanvaardbaar genoemd met het indienen van een motie. Inmiddels heb ik de afgelopen periode via de tv alle fracties dat ook onaanvaardbaar horen noemen. Ik wacht met belangstelling af of dat nu hier in de Kamer wordt herhaald.

Heenzendingen waren volgens de minister een incident. Hij vindt dat hij er alles aan moet doen, zodat verdachten niet meer worden heengezonden. ’’Dat kan en mag niet meer gebeuren’’, volgens hem. Ook na 12 december grijpt hij niet in en laat hij de situatie voortbestaan, waardoor kilo’s harddrugs Nederland binnen worden gesmokkeld. Waarom heeft de minister het beleid niet sneller aangepast?

Vanaf 11 december blijven er incidenten plaatsvinden. Uit de brief van de minister blijkt dat er tussen 24 en 31 december in ieder geval elf ernstige situaties waren waarbij mensen met kilo’s drugs op zak met een rec¸uutje werden heengezonden. Buitengewoon ernstig! Hoe was de situatie voor 11 december? Het debat eindigde met de CDA-motie waarin werd gepleit om vorig jaar al onorthodoxe maatregelen te nemen en twee verdachten in één cel onder voorwaarden in noodsituaties mogelijk te maken. De minister gaf aan dat dit in de praktijk niet gaat en ontraadde aanvaarding van deze CDA-motie. Voorts stelde hij dat het onmogelijk is om celcapaciteit uit de grond te stampen, nog afgezien van de personele problematiek. Het plan van aanpak bewijst gelukkig het tegendeel of ziet de CDA-fractie dit niet juist? De CDA-fractie vindt de minister te afwachtend, te traag, te laat, te laks en te laconiek. Zij constateert dat de minister de Kamer op een onderdeel onjuist heeft geïnformeerd.

Over de brief van het OM van 3 december is er pas op 19 december regulier overleg met PG’s. Daar zit twee weken tussen. Waarom was er geen spoedoverleg? Dit was opnieuw een verkeerde inschatting van de minister. Begin januari is er ondertussen nog niets gebeurd. Aan het begin van het nieuwe jaar, op 3 en 4 januari, kwam het RTL-nieuws met allerlei berichten over deze zaken, beginnend met de brief van het OM van Wooldrik. Daarna kwam aan het licht dat drugskoeriers stelselmatig werden doorgelaten wegens capaciteitsgebrek. Het Parool onthulde de inhoud van de brieven van douaniers. Ook andere kranten hebben uit deze brieven geciteerd.

Heel recent nog kwamen er signalen uit Sint Maarten en de Bovenwindse Eilanden. Deze geven weer dat de douane daar het afgelopen jaar is gehalveerd, terwijl er vanaf eind december 2000 op initiatief van de minister van Justitie overleg was met de Antillen en Aruba om de grenscontroles te intensiveren en zo te komen tot een sluitende aanpak. Tot eind 2001 gebeurt er in de praktijk niets, behalve dat er wordt bezuinigd op de douane, waardoor er bij de bron, het voorkomen, een onvoldoende sluitende aanpak is gerealiseerd. Dat is ook een verantwoordelijkheid van deze minister, omdat het een gezamenlijke aanpak is van Nederland, de Antillen en Aruba.

Keer op keer moest de informatie uit de minister getrokken worden. Ik heb net de brief van 5 juni 2001 van staatssecretaris Bos genoemd die ik niet heb mogen ontvangen. Zo kan de Kamer naar mijn idee niet functioneren. Na de brief duurde het nog geruime tijd voor de minister in actie kwam. Het was premier Kok die hem tot maatregelen dwong. Hij reageerde weer te traag. De minister wilde in deze noodsituatie niet het leger inzetten en niet méér mensen in een cel plaatsen. Hij hield daarmee maatregelen tegen. Het valt op dat de minister vaker pas optreedt als de media of de Kamer en in dit geval premier Kok hem daartoe dwingen. Dat is geen incident meer bij deze minister. Ik noem de DNA-wet; de recidiverende zedendelinquenten; het preventief fouilleren, het initiatief van collega Wim van de Camp; het schrappen van de verjaringstermijn en de vervroegde inverzekeringstelling waar eenderde vanaf ging. Het zijn allemaal zaken die maar door blijven lopen. Wat betreft het traag optreden is er volgens ons sprake van recidive. De minister gaf ook nog eens anderen de schuld. Hij wilde disciplinaire maatregelen tegen douaniers nemen. Staatssecretaris Bos was terecht boos, omdat hij daarover gaat.

De achterliggende oorzaak is naar ons idee het probleem dat een deel van de bezuinigingen – te weten 115 mln gulden die in economisch goede tijden door deze regering in het regeerakkoord zijn opgenomen – bij het gevangeniswezen terechtkwam. Bijna 500 cellen zijn gesloopt. De buffercapaciteit is fors teruggebracht. Honderden gevangenisbewaarders gaan een andere baan zoeken, vanwege die dreigende en deels gerealiseerde bezuinigingen. Het is onbegrijpelijk dat deze minister dat heeft toegelaten. De kosten van reparatie kunnen wel eens hoger zijn dan de kosten die wij zonder bezuinigingen gehad zouden hebben. Goedkoop is duurkoop. De bezuiniging bedraagt ongeveer 50 mln euro, terwijl het plan van aanpak minimaal 50 mln euro gaat kosten. Kan de minister overigens toezeggen dat de Blokhuispoort in Leeuwarden gewoon openblijft, ook na 2005? Volgens de kranten schijnt er wel een Kamermeerderheid voor te zijn.

De minister is een liberaal. Daar is op zich niets mis mee. Maar de minister is een liberaal van laissez faire, laissez passer. Laissez passer moet in dit geval letterlijk worden genomen. De koeriers mochten ongehinderd doorlopen en dat is kwalijk; zeker voor een liberaal die de rechtsstaat hoog heeft.

Om tijdsredenen ga ik kort in op het plan van aanpak. Ik heb niet eerder in de geschiedenis na de Tweede Wereldoorlog zo’n groot pakket van noodwetten hier gezien. De minister had het wat ons betreft nooit zover mogen laten komen. Harde maatregelen zijn nodig; dat vinden wij en dat vonden wij al, ook vorig jaar. Kan de minister voor 100% garanderen dat hierdoor bij Schiphol geen smokkelaar meer wordt heengezonden, of niet wordt aangehouden met of zonder dagvaarding?

Voorzitter. Ik rond af: ...heenzendingen, vormfouten en ontsnappingen. De betrokkenen kunnen erop rekenen dat ik steeds direct zal reageren’’, aldus minister Korthals bij het aantreden van dit kabinet. Na bijna vier jaar moeten wij constateren dat het heel anders is gegaan. Het was niet de minister die regeerde, het parlement dat controleerde, maar het was het parlement dat eerst op zijn achterste benen moest gaan staan en de minister die morrend volgde. Vandaag gaat het de CDA-fractie om het afleggen van verantwoording door de minister van Justitie over het doorlaten van drugskoeriers op Schiphol vanwege het cellentekort, niet als incident, maar als beleid. Verder moet de minister van Justitie verantwoording afleggen voor het feit dat hij de Tweede Kamer onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de ernst van de situatie, het feit dat er toch aan de voordeur wordt heengezonden, de bestrijding van de bolletjeskoeriers op de Antillen en het feit dat het allemaal zo ontzettend lang heeft geduurd. De minister heeft met zijn maatregelen gewacht tot de omstandigheden het niet meer anders toelieten. Zelfs de ministerpresident moest zich met de zaak gaan bemoeien. De CDA-fractie is overigens blij met het optreden van minister-president Kok waarbij hij Korthals in meerdere opzichten – zoals twee in één cel en de inzet van militairen – voorbijschreed. Om het in Kok’s woorden te zeggen: de rechtsstaat is geschaad. Ik vat dit als volgt samen: de minister was te afwachtend, te traag, te laks, te laat, kortom te laconiek.

De heer De Wit (SP): Nu ik het betoog van de heer Rietkerk heb gehoord, wil ik hem een vraag stellen over het plan van aanpak. Hij heeft de minister gevraagd of het plan een sluitende aanpak is en garanties biedt voor de toekomst. Wat is echter de mening van de heer Rietkerk over dit plan? Wat vindt hij van het verruimen van een aantal normen die wij in ons strafrechtsysteem hanteren?

De heer Rietkerk (CDA): De CDA-fractie vond harde, onorthodoxe maatregelen al eerder nodig. Ik denk daarbij aan maatregelen voor de korte termijn zoals mobiele cellen, slikkerscellen, inzet van de bijzondere bijstandseenheid. Wij hebben daarvoor 60 mensen in Nederland die onder Justitie vallen. Ook had eerder geïnvesteerd moeten worden op de Antillen en Aruba. Het plan van aanpak kent grensverleggende voorstellen. De CDA-fractie meent op hoofdlijnen dat een aantal van die maatregelen genomen moet worden. Het toepassen van de IVO-maatregel, dat wil zeggen het eerder naar huis sturen van mensen die hun straf uitzitten, wordt in het plan van aanpak gepresenteerd als beleid. Het ene gat wordt op die manier gestopt met het andere. Ik ben het eens met prof. Van Kalmthout dat je dat niet moet doen. Daartegen nemen wij stelling. Op hoofdlijnen steunen wij het plan van aanpak. Daarover gaat het niet in dit debat. Er zullen nog veel (nood)wetgevingstrajecten volgen, waarbij wij ieder onderdeel op zijn merites zullen beoordelen. Er moest echter wat gebeuren. Tegen een paar onderdelen zullen wij stelling nemen, bijvoorbeeld tegen de IVO-maatregel.

De heer De Wit (SP): Ik ben dat voor een deel met u eens. Ik vroeg u om uw oordeel over het plan van aanpak. Ik begrijp nu dat u een paar onderdelen wel steunt en enkele andere weer niet. Wordt met dit plan van aanpak de oorzaak van het probleem opgelost? Met andere woorden: is het geen illusie te denken dat met zo’n harde aanpak, zoals u dat zelf noemt, het probleem wordt getackeld, namelijk de voortdurende druk op mensen om bijvoorbeeld behulpzaam te zijn bij de invoer van cocaïne? Worden naar uw mening de oorzaken aangepakt met dit plan van aanpak?

De heer Rietkerk (CDA): Ik denk dat dit onvoldoende het geval is. De CDA-fractie steunt de meeste elementen van dat plan van aanpak. Neem nu de situatie overzees op de vliegvelden of in de havens. Daar moet met voldoende mensen, middelen en instrumenten worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat er geen harddrugs vervoerd worden. Nu blijkt dat daarop het laatste jaar bezuinigd is. Ik betwijfel of er voldoende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat harddrugs naar Nederland worden gestuurd. Wij zullen dat plan de komende tijd op al zijn merites beoordelen.

De heer Niederer (VVD): De heer Rietkerk is erg summier over het plan van aanpak. Hij steunt het op hoofdlijnen, maar ziet ook mitsen en maren. Wat is zijn alternatief? Hij roept al vier weken dagelijks in de krant dat het schande is en dat er maatregelen genomen moeten worden. Nu ligt er een pakket aan maatregelen dat sinds de Tweede Wereldoorlog zijn weerga niet kent, maar daarop dingt u nu weer af met mitsen en maren. Wat is zijn alternatief om de problemen op Schiphol daadwerkelijk op te lossen? Daarover hoor ik hem niet.

De heer Rietkerk (CDA): Ik herhaal dat ik het plan van aanpak op hoofdlijnen steun. Ik heb bezwaar tegen de beleidsmaatregel om mensen eerder naar huis te zenden die delicten hebben gepleegd en daarvoor een celstraf krijgen die in Nederland meestal wat lager is dan in andere Europese landen. Om op die manier het probleem te tackelen en dat als beleid voor te stellen, keur ik af.

De VVD-fractie wil onder voorwaarden twee mensen in een cel, bijvoorbeeld kortgestraften. Ik wil dat ook. De CDA-fractie heeft daarover een motie ingediend. De VVD-fractie heeft die motie vorig jaar niet gesteund. Ik ben dan ook benieuwd naar de bijdrage van de heer Niederer. Wij hebben vorig jaar reeds een aantal alternatieven weergegeven die nog verder gaan. Ik doel daarbij op kortgestraften en zelfmelders. Die zitten echter niet in het plan van aanpak. Ik ben benieuwd of de heer Niederer met een amendement of een motie komt om dit te regelen. Kennelijk is het al jaren een wens van de VVD-fractie, alhoewel ik de heer Niederer de afgelopen jaren hierover geen motie heb zien indienen of steunen. Dit is echter een onderwerp waarbij wij iets verder kunnen gaan. Zo kan ik er nog enkele noemen.

De heer Niederer (VVD): Is de heer Rietkerk het met mij eens dat het plan in zijn integraliteit moet worden uitgevoerd om de problemen op Schiphol aan te pakken? Of neemt hij hiervan afstand?

De heer Rietkerk (CDA): Natuurlijk niet. Ik heb immers gesproken van intensivering. Ik wacht het antwoord van de minister af. Ik ga er echter van uit dat er met medeweten bezuinigd is op de douane, onder druk dus van de Nederlandse regering en het IMF. Dan is er sprake van medeverantwoordelijkheid. Het aantal douaniers is gehalveerd op Sint Maarten en de Bovenwindse Eilanden. Ik kijk daarbij naar het plan van aanpak. Daar had dan nog wel een schepje bovenop gemogen. De genoemde 350 cellen komen er pas in het jaar 2003 of 2004. Dat is echter nog niet eens goed genoeg voor het terugdraaien van de bezuiniging met 500 cellen die de VVD heeft gesteund! Het CDA heeft altijd gezegd dat de buffercapaciteit in stand moet blijven om de pieken op te vangen. Daar hebben wij inderdaad 40 mln voor over. Samen met collega Van de Camp heb ik hierover een aantal amendementen en moties ingediend. Helaas, de

Kamer heeft ons daarbij niet gesteund.

De voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede dat de brief van de staatssecretaris van Financiën van 5 juni 2001 inmiddels is ontvangen. Op de andere brief is het nog even wachten.

Ik dank de heer Rietkerk voor de manier waarop hij zich aan zijn spreektijd heeft gehouden. Dat is een goed voorbeeld voor de volgende spreker, mevrouw Halsema.

©

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Voorzitter. Zoals vele anderen waren wij onplezierig getroffen door de berichten van begin januari dat drugskoeriers werden heengezonden, terwijl zij na betrapt te zijn hadden moeten worden vastgezet. Wij hebben eerder gezegd dat wij het acceptabel vinden dat bij wijze van hoge uitzondering en in het geval van grote cellentekorten aan de achterdeur, als mensen het grootste deel van hun straf erop hebben zitten, wordt heengezonden. Wij vinden het niet acceptabel dat mensen voorafgaand aan een veroordeling worden ontslagen uit inverzekeringstelling, zeker niet als er daarbij sprake is van vluchtgevaar. Daar hebben wij nooit een geheim van gemaakt. De minister was dat met ons en de rest van de Kamer eens tijdens het spoeddebat van 12 december. De minister zei: dat kan en mag niet gebeuren. Nu blijkt dat het ook na het spoeddebat wel is gebeurd. Sterker, tijdens het debat van 12 december bezat de minister informatie die hij de Kamer heeft onthouden waaruit bleek dat heenzendingen uit inverzekeringstelling wel degelijk zouden blijven voorkomen. Dat zelfs op Schiphol een onaanvaardbare en onverantwoorde situatie dreigde te ontstaan – om staatssecretaris Bos te citeren – waardoor heenzendingen ook op grotere schaal dreigden plaats te vinden. Ik kom hier zo op terug.

Ik maak een aantal opmerkingen over het delict van drugskoerieren en de reacties die dat sinds begin januari veroorzaakt. Voor ons staat buiten kijf dat hier de wet wordt overtreden. Als mensen hierop worden betrapt, vraagt dat om een repressieve reactie. Dat kan echter niet verhelen dat wij met enige verbazing hebben gekeken naar de toenemende morele en politieke verontwaardiging die is ontstaan sinds begin januari over de invoer van drugs en het drugskoerieren. Zoals elk delict dat bestraffing verdient geldt ook hiervoor dat de rechtsstaat kwetsbaar wordt als bestraffing uitblijft, zeker als dit is om logistieke redenen zoals bijvoorbeeld het cellentekort. Dat bestraffing had moeten plaatsvinden staat dus vast. Dat het ook een topprioriteit van politie en justitie zou moeten zijn dat geen drugskoerier meer weg zou mogen komen, zoals men velen hoort oordelen, betwijfelen wij.

Gedegen en consequente handhaving is iets anders dan het richten van meer en meer handhavingscapaciteit op Schiphol en op andere plaatsen van invoer en doorvoer. De terechte verontwaardiging over het heenzenden van mensen die betrapt waren, is de afgelopen maand naar ons idee meer en meer verweven geraakt met oorlogstaal en pleidooien voor extreme maatregelen om de drugshandel te lijf te gaan. Waar wij vinden dat deze met redelijke middelen bestreden dient te worden, verzetten wij ons ertegen dat in de nasleep van een ministeriële affaire, die voor ons in essentie om de verantwoordings- en controleplicht van de minister gaat, Nederland de ’’war on drugs’’ binnenwandelt. Wij vinden dit eerlijk gezegd ook van enige hypocrisie getuigen, gemeten aan het wijdverbreide drugsgebruik dat zich niet beperkt tot junkies, maar ook te vinden is onder bijvoorbeeld weekendgebruikers. Op de noodmaatregelen die door verschillende politici zijn voorgesteld, hebben wij dan ook met enige terughoudendheid gereageerd. Het leger inzetten en twee in één cel, om maar wat te noemen, lijken ons niet de geëigende en proportionele middelen om de drugshandel en het drugsgebruik tegen te gaan. Interessant daarbij is ook dat de effectiviteit wel enige relativering verdient, nu net uit een proefschrift blijkt dat Schiphol maar een bescheiden aandeel levert in het totaal van geïmporteerde cocaïne. Bovendien, zoals de minister zelf in een eerdere brief schreef, miskent dit het zogenaamde waterbedeffect: verschuiving naar andere invoerha-vens en grensovergangen.

De exorbitante maatregelen verbazen ons eens temeer, daar er naar onze zin onvoldoende aandacht is voor de mogelijkheden om het cellentekort terug te dringen door effectiever gebruik te maken van alternatieve sancties, met name voor kortgestraften, zoals ook het stagneren van de penitentiaire programma’s en het feit dat rechters zwaarder en langer zijn gaan straffen zorgen voor cellentekorten. Hoezeer wij de minister zijn laksheid ook nadragen, zijn rechtsstatelijkheid, in bijvoorbeeld het televisieprogramma Buitenhof van enige weken geleden, sprak mij aan. Wij moeten het land niet volbouwen met cellen, zei hij onder andere, en het leger is niet geschikt voor bewaking. Dat waren wij met hem eens. Inmiddels echter, lijkt de minister elk vernis van rechtsstatelijkheid te hebben afgeworpen.

Nu de politieke kritiek op zijn optreden toeneemt, stelt hij groepshechtenis voor, alsook het bijbouwen van 600 cellen, zonder dat er deugdelijke prognoses aan ten grondslag liggen, en het inzetten van het leger. En hij wil noodwetten voor de versobering van de regimes en de uitbreiding van de bevoegdheden van de politierechter. Het kan niet gek genoeg, zo lijkt het. De minister heeft er oren naar als dit de Kamer milder stemt. Dan moet ik de minister teleurstellen. Zijn inhoudelijke zwabberkoers om tekortschietende verantwoording te verminderen en het rigoureus loslaten van rechtsstatelijke beginselen om het vege politieke lijf te redden, verharden ons oordeel slechts. Dat zeer risicovolle maatregelen worden geïntroduceerd via noodwetten vinden wij ook heel slecht te verteren. Wij willen van de minister alvast de garantie hebben dat de waarschijnlijke invoering van die noodwetten niet zal leiden tot inhumane en riskante omstandigheden in de gevangenissen. De minister lijkt in paniek de rechtsstatelijke reputatie die hij heeft opgebouwd en die eenzaam door GroenLinks werd gesteund in één keer af te breken.

Met de paniek van de minister kom ik aan de omgang met de Kamer. De reconstructie van de heer Rietkerk die het initiatief tot dit debat nam, veelal vragenderwijs, was nauwgezet en die hoef ik niet te herhalen. Tijdens het spoeddebat heeft de minister de Kamer informatie onthouden die misschien tot een ander politiek en inhoudelijk oordeel had kunnen leiden. De Kamer is daardoor niet in staat geweest om alle feiten te wegen en te komen tot een juiste inschatting van de noodsituatie die inmiddels was ontstaan. Wij vinden het een raadsel dat de minister zo sloom is omgegaan met de brandbrieven die er lagen van de heer Wooldrik en staatssecretaris Bos. Het zwakke verweer van de minister dat hij op 12 december nog aan het nadenken was over de vraag hoe te reageren benadrukt enkel het gebrek aan alertheid en maakt duidelijk dat de minister niet lijkt te willen inzien waar het politieke primaat ligt: bij de Kamer. Wij beschouwen dit als een politieke zonde en niet als de eerste. De herinnering aan de bouwfraude, de tekortschietende reacties van de minister daarop en onze politieke conclusie zijn bij ons niet vervaagd. In 1993 – ik ben bang dat minister Korthals vaker met Kamerlid Korthals geconfronteerd zal worden – stelde het Kamerlid Korthals tegenover minister Hirsch Ballin, toen bleek dat gevangenen waren heengezonden: Dit is het werk van justitie en daar draagt de minister verantwoordelijkheid voor. Deze minister heeft het voortdurend over de normen en waarden die moeten veranderen in de samenleving, maar op justitie worden de normen en waarden verslonsd. De minister moet nu de eer aan zichzelf houden.

©

De heer De Wit (SP): Voorzitter. In de samenleving is opschudding ontstaan over het heenzenden door douane en justitie van drugskoeriers vanwege een tekort aan cellen. In strijd met de gemaakte afspraken tussen de betrokken verantwoordelijken van het openbaar ministerie, Koninklijke marechaussee en de douane is het toch gebeurd, met name in december 2001. Het ging in totaal om 11 personen, al of niet met een dagvaarding in de hand en al of niet na inbeslagname van de drugs. Het rechtsgevoel is geschokt, ook dat van mij. Hoe dient de handelwijze van de minister in deze kwestie te worden beoordeeld? Vallen hem verwijten te maken? Heeft hij adequaat en doortastend gehandeld? De minister blijkt op 7 december kennis te hebben genomen van de brief van 3 december van de heer Wooldrik. Daarin wordt het beleid van heenzending met een dagvaar- ding aangekondigd. Pas op 19 december spreekt de minister met het college van procureurs-generaal. Het pakket van maatregelen van de minister dateert van afgelopen vrijdag. Hij heeft dus zo’n zes weken nodig gehad om met maatregelen te komen en dat is een te lange periode. Bovendien wist hij allang dat, als je de controle verscherpt, je meer drugs vangt. In september werden bij zo’n actie tientallen koeriers aangehouden. Als de controle verslapt, neemt de invoer van drugs toe. Juist vanwege het cellentekort is de intensieve controle op koeriers na september 2001 afgezwakt. De minister weet het dus allemaal, maar toch duurt het tot afgelopen vrijdag voor hij met maatregelen komt. Mijn fractie vindt dat de minister verweten kan worden dat hij niet doortastend is geweest en te lang heeft gewacht, zeker nu vandaag ook nog eens bekend is geworden dat hij al in 1999 door functionarissen van AbvaKabo op de Antillen is gewaarschuwd.

Wie zijn nu die drugskoeriers? In het algemeen gaat het om mensen, afkomstig van de Antillen, die daar weinig kansen hebben en hun geluk op die manier beproeven. Dat is niet vreemd als je weet dat er een grote werkloosheid heerst en dat de bijstand zo’n 90 Antilliaanse guldens per week is terwijl het prijspeil vergelijkbaar is met het Nederlandse. Het zijn dus in het algemeen arme mensen die een gemakkelijke prooi vormen voor gewetenloze drugshandelaren. Natuurlijk is het onverstandig om drugskoeriers die in Nederland aankomen te laten lopen. Daar gaat een verkeerd signaal van uit. Wij moeten echter vaststellen dat er een voedingsbodem is voor dit soort praktijken en het zou verstandig zijn om vooral die voedingsbodem aan te pakken.

Ook de SP-fractie is van mening dat voorkomen moet worden dat drugskoeriers de straat op worden gestuurd. Was de ernst van het probleem tijdiger onderkend, dan hadden eerder structurele maatregelen kunnen worden genomen. Bovendien is het de vraag of wij op basis van het plan van aanpak de illusie kunnen hebben dat het probleem wordt opgelost. De meest effectieve maatregelen zijn maatregelen die voorkomen dat de drugs in ons land terechtkomen. Het voorkomen van drugsinvoer via koeriers moet dus de allerhoogste prioriteit hebben. Dat betekent dus een intensieve controle op de Antillen, Sint Maarten en mogelijk ook nog andere eilanden. De minister is hierop in zijn brief nog niet ingegaan.

In reactie op de kritiek van drie strafrechtsgeleerden op het plan van aanpak zei de minister gisteravond in het NOS-journaal dat hij zich hun kritiek wel kan voorstellen. Hij zei er gevoel voor te hebben, maar ook dat er geen andere oplossing is. De kritiek van de geleerden is dat er nu allerlei ingrijpende maatregelen doorgejast worden die echter veel beter doordacht moet worden. Citaat: ’’Een hoge prijs om de minister in het zadel te houden’’.

De SP-fractie is voorstander van uitbreiding van het aantal cellen, de capaciteit van het OM en de rechterlijke macht. Wij hebben echter problemen met het opsluiten van mensen gedurende tien dagen in politiecellen. Naar mijn mening is dit een te zware aanslag op mensen. Zij mogen slechts af en toe worden gelucht, zij worden opgesloten in betonnen cellen zonder iets erop of eraan en mogen nauwelijks contact hebben met andere personen.

Een en ander geldt ook voor het incidenteel versneld ontslag: wie krijgt dat? Om welke strafbare feiten gaat het daarbij? Ontstaat er geen ongelijkheid? Vullen wij niet het ene gat met het andere? Aanvankelijk was er een roep tot het opsluiten van twee of meer mensen in één cel, hetgeen voor de SP-fractie absoluut onaanvaardbaar is. Momenteel wordt er gesproken over het opsluiten van mensen in een groepsruimte. Dat klinkt weliswaar beter, maar bestaat ook bij deze optie geen gevaar voor agressie? Dreigt er geen gevaar voor gezamenlijke acties tegen bewakingspersoneel? Hoe staat het met de privacy van opgesloten mensen? In asielzoekerscentra heeft het gedwongen verblijf van velen in één ruimte tot grote problemen geleid. Waarom wordt dan toch voor deze oplossing gekozen?

De SP-fractie heeft verder ernstige bezwaren tegen de bewaking van de groepsruimten door particuliere beveiligingsbedrijven. De bewaking van gevangenen is een taak die niet moet worden uitbesteed. Die bewaking is een overheidstaak. Hoe zal de gang van zaken zijn bij het opsluiten in het calamiteitenziekenhuis als er sprake is van een calamiteit? Hoe staat het daar met de bewaking van de betrokken persoon? Waarom moet in deze situatie bij uitstek het huis van bewaring in Leeuwarden worden gesloten? Wordt daarmee de celcapaciteit niet op een heel vreemd moment vernietigd?

Het verhogen van de competentie van de politierechter ten aanzien van de op te leggen straf heeft als nadeel dat over hoge straffen door slechts een rechter wordt geoordeeld. Dat aspect raakt aan de zorgvuldigheid van de rechtspleging. Hoe beoordeelt de minister deze zaak?

Jaren geleden hadden wij te maken met het ernstige probleem van de heenzendingen. Daarbij ging het om duizenden mensen. Uit de voorlopige cijfers van dit moment blijkt dat de heenzendingen in 1999 zijn teruggelopen tot nul. Voor het jaar 2000 is uitgegaan van een aantal van 12. De brief met daarin de exacte gegevens moeten wij nog afwachten. Het probleem van nu is van een andere orde dan dat van jaren geleden. Natuurlijk heeft de minister te maken met een veiligheidsprobleem. Onder druk van dat probleem worden nu maatregelen voorgesteld die ingrijpend zijn voor ons strafrechtsysteem. Ik noem nogmaals de tien dagen bewaring in de politiecel, de versnelde invrijheidstellingen en de verruiming van de bevoegdheden van de politierechter. De SP-fractie is van mening dat nieuwe normen niet mogen worden gesteld aan de hand van deze incidenten omdat daarmee de verkeerde indruk wordt gewekt dat het strafrecht uit de kast moet worden gehaald om maatschappelijke problemen af te wenden.

De SP-fractie is van mening dat de voorgestelde maatregelen, met name de maatregelen waarover ik zojuist vragen gesteld heb, beperkt kunnen worden tot de duur van hoogstens een jaar. Daarna moet het afgelopen zijn; een jaar moet voldoende zijn om naar structurele oplossingen te zoeken.

©

De heer Van der Staaij (SGP): Mevrouw de voorzitter. Het heenzenden van drugskoeriers heeft veel verontwaardiging gewekt. Die verontwaardiging is naar onze mening terecht. Het is een teken van onmacht dat Justitie niet in staat bleek om hierop tijdig en toereikend te reageren. Wij ontkennen niet dat de bolletjesslikkers zelf vaak meelijwekkende figuren zijn die pionnen zijn in een groot crimineel netwerk van drugstransporten, maar het blijft staan dat het rechtsgevoel erdoor wordt getart als drugskoeriers worden weggestuurd omdat er niet genoeg cellen zijn. Dat is een aanfluiting voor de rechtsstaat. De onmacht van Justitie om adequaat te reageren op een massale overtreding van onze rechtsregels is de principiële kant van deze zaak. Die tast de geloofwaardigheid van het overheidsoptreden immers aan. Om die reden heeft de SGP-fractie zich in de achterliggende jaren consequent verzet als mensen die terecht in hun kraag waren gepakt, vervolgens weer vrij werden gelaten wegens cellentekort. Daarom nemen wij ook deze nieuwe affaire hoog op. Daar komt nog eens bij dat dit nieuws de wereld snel rondgegaan is. Overheden in andere landen wrijven zich de ogen uit hoe zoiets toch kan gebeuren! In het internationale drugswereldje krijgt Nederland als het bekende drugsgedoogland een pluspunt.

De minister heeft na alle commotie uiteindelijk erkend dat er een onduldbare situatie is ontstaan op Schiphol met betrekking tot de controle en de opsporing van drugskoeriers. Dit heeft geleid tot een veelomvattend plan van aanpak waarin tal van noodmaatregelen zijn opgenomen. Inderdaad kan nu worden gesproken over een stevig pakket maatregelen. Terecht wordt allereerst beklemtoond dat extra maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat drugstransporten naar Nederland plaatsvinden. Bestrijding aan de bron staat voorop. Maar vergeet de regering niet ook de belangrijke vraag te beantwoorden waarom Nederland kennelijk zo aantrekkelijk wordt gevonden voor de import en doorvoer van drugs? Ons eigen drugsbeleid en het liberale klimaat dat in ons land heerst tegenover drugs mogen in dit verband ook niet buiten beschouwing blijven.

Het tweede spoor van het plan van aanpak is dat extra maatregelen worden genomen zodat aangetroffen drugs in beslag worden genomen en ook daadwerkelijk wordt opgetreden tegen drugskoeriers. Scherpere controles worden aangekondigd. Er wordt in dit verband wel gesproken over de inzet van het leger, maar het lijkt ons logisch eerst en vooral te kijken naar de marechaussee waar de minister van Defensie beheersverantwoordelijkheid voor draagt. Hoe staat het met de capaciteitsuitbreiding van de marechaussee?

Een kritische vraag hebben wij verder over de maatregelen ten aanzien van het openbaar ministerie. In de praktijk worden nu al lagere straffen geëist bij drugskoeriers dan voorzien in de richtlijnen voor harddrugs zodat zaken door een enkelvoudige kamer kunnen worden afgedaan. Nu wordt nog een verdere verlaging van de gevorderde straffen voorzien. Wat betekent dit concreet? Zal de straf daardoor niet ongeloofwaardig laag worden? Tegelijk wordt aangekondigd dat de bevoegdheden van de politierechter en de mogelijkheden voor enkelvoudige rechtspraak in appèl uitgebreid zullen worden. Dit lijkt een algemene, blijvende verandering te zijn. Is dit ook een noodmaatregel? Hoe moet ik dat rijmen met eerdere kritiek van de minister op dergelijke voorstellen?

Allerlei maatregelen worden aangekondigd om op korte termijn aan extra celcapaciteit te komen. Kennelijk kan er nu toch meer dan de minister eerder voor mogelijk hield. Waarom is bijvoorbeeld de inschakeling van extra gevangeniscapaciteit rond Schiphol niet eerder gestart? Noodwetgeving wordt voorbereid om groepsgewijze insluiting van drugskoeriers mogelijk te maken. De SGP-fractie heeft geen fundamentele bezwaren tegen de groepsgewijze opsluiting, al moet wel duidelijk zijn dat belangrijke waarborgen voor bijvoorbeeld de veiligheid van het personeel in acht worden genomen. Heeft de regering zich hier goed van vergewist en is ook voldoende onderzocht dat zo’n specifiek wettelijk regime voor een bepaalde categorie juridisch houdbaar is? Over de precieze uitwerking van al deze maatregelen zullen we nog nader komen te spreken. Graag horen wij nu al wel expliciet van de minister of het met deze maatregelen uitgesloten is dat drugskoeriers wegens capaciteitsproblemen op vrije voeten worden gesteld. Als het gaat om de effectiviteit van de plannen, is het ook van belang het risico van verplaatsing van de problematiek onder ogen te zien. In hoeverre wordt tegelijk geïnvesteerd in extra controles in bijvoorbeeld de zeehavens?

Een belangrijke vraag die in dit debat – waarin het afleggen van verantwoording voorop moet staan –

de volle aandacht verdient, is of de minister niet eerder had kunnen en moeten optreden. Er wordt nu wel geschermd met begrippen als noodsituatie en overmachtsituatie die noodmaatregelen en noodwetgeving vragen. Maar was deze problematiek nu echt zo onvoorzienbaar? Dat betwijfelen wij. Is het niet aan een falend beleid en onverantwoorde bezuinigingen op het gevangeniswezen te wijten, dat een situatie is ontstaan die alleen met noodmaatregelen kan worden gekeerd? In een brief van de ondernemingsraad van het gevangeniswezen wordt de relatie gelegd met de taakstelling voor de justitiële inrichtingen, die bij het aantreden van dit kabinet is afgesproken. Naar onze mening is een grondfout dat een onvoldoende structurele buffercapaciteit is aangehouden.

De minister heeft wel gesuggereerd dat hij min of meer het slachtoffer van zijn succes is geworden. De opsporing ging zo goed dat de uitbreiding van de celcapaciteit daarmee geen gelijke pas kon houden. Maar is dit nu echt de onontkoombare keerzijde van het succes? Kan niet met meer recht worden gesteld dat de minister half werk heeft geleverd, doordat onvoldoende is nagedacht over de consequenties van de noodzakelijke verhoogde opsporing?

De suggestie is verder wel gewekt dat door de zorgvuldige en daarmee tijdrovende voorbereiding van het plan van aanpak een breed draagvlak is ontstaan voor extra maatregelen en investeringen. De vraag is of dit nu werkelijk getuigt van een sterk bestuur. Is hier niet veel meer een andere wetmatigheid aan de orde, te weten dat het draagvlak voor het dempen van de put het grootst is, als het kalf verdronken is? Maar is dat niet het achter de feiten aanhollen, met alle schade van dien? Heeft de minister wel oog en oor gehad voor eerdere signalen dat het op Schiphol misging? Wanneer en door wie is volgens de minister nu voor het eerst de noodklok geluid? Graag hoor ik in dit verband meer over de acties die de minister heeft ondernomen naar aanleiding van een brief van staatssecretaris Bos die al in juni aan hem is verzonden. Verder heeft de minister erkend dat al in november een gebrek aan celruimte manifest begon te worden. Waarom heeft het vervolgens nog zo lang geduurd voordat daadwerkelijk actie werd ondernomen? Ik verwijs naar het bericht dat heden in Trouw staat en waaruit blijkt dat de Antillen de minister al in 1999 hebben gealarmeerd. Heeft de minister niet te laat de urgentie van deze problematiek ingezien? Veel signalen wijzen in die richting.

Zonder af te willen doen aan de verantwoordelijkheid van andere bewindslieden – men zou vragen kunnen stellen aan staatssecretaris Bos vanwege diens beheersverantwoordelijkheid voor de douane – is toch bij onze fractie de indruk ontstaan dat de minister van Justitie geruime tijd te lauw en te traag heeft gereageerd. Ik kan nu niet uitvoerig ingaan op het punt informatievoorziening omdat mijn spreektijd al is verstreken. Ik sluit mij wat dit betreft aan bij mevrouw Halsema en de heer Rietkerk. Aangezien het om méér dan een incident ging, had de Kamer actief en volledig moeten worden geïnformeerd. Bij ons is het beeld ontstaan dat de minister bij deze informatieverstrekking tekort is geschoten. Met meer dan gewone belangstelling wachten wij de reacties van de minister af.

©

De heer Niederer (VVD): Mevrouw de voorzitter. Mijn fractie vindt de situatie met betrekking tot de bolletjesslikkers op Schiphol buitengewoon ernstig. Deze situatie mag niet worden getolereerd en moet dus worden aangepakt. Bolletjesslikkers mogen nooit de dans ontspringen enkel en alleen omdat ze niet kunnen worden opgesloten.

Op 12 december 2001 hadden wij op verzoek van de fractie van het CDA een interpellatiedebat met de minister over de cellencapaciteit. Bij die gelegenheid wees de minister kort maar overduidelijk op het bestaan van de problematiek van de bolletjesslikkers op Schiphol. Ik citeer de Handelingen: ’’Ik noem hier met name de enorme druk die er is op de vrouwencapaciteit. Belangrijk is wel dat wij kunnen vaststellen dat die criminaliteit voor een belangrijk deel zit in de sfeer van drugskoeriers, bolletjesslikkers en dergelijke.’’ Verder wees ik de heer Rietkerk er al bij interruptie op dat ook de volgende zin van betekenis is. De minister stelde: ’’Dit is een groot probleem dat ik afzonderlijk probeer op te lossen.’’

De heer Rietkerk (CDA): Vindt u dat tijdens dat debat van 12 december door de minister een volledig beeld is gegeven van de ernstige situatie op Schiphol?

De heer Niederer (VVD): Naar de stand van toen en gelet op de aard van het interpellatiedebat: ja.

De heer Rietkerk (CDA): Er lag een brief van het OM waarin werd gesproken over een onaanvaardbare situatie en er was een brandbrief van staatssecretaris Bos waarin werd gesproken over een onverantwoorde situatie. Het debat van 12 december ging nota bene over het heenzenden en het niet aanhouden van mensen. Bent u niet met mij van oordeel dat de Kamer het recht heeft om volledig door de minister te worden geïnformeerd?

De heer Niederer (VVD): U heeft recht op elke informatie, maar daar moet u wel om vragen. Bovendien heeft u het over een ambtelijke brief van de hoofdofficier aan de PG. Ik heb niets aan een ambtelijke brief; wij spreken met de minister van Justitie. Over de heer Bos kom ik straks nog te spreken.

De heer Rietkerk (CDA): De minister heeft duidelijk gesteld dat het idee bestond om de acties van september te temporiseren. De minister heeft ook klip en klaar gezegd dat de acties volledig doorgingen; ik doel nu op de acties die gericht waren op het pakken van de bolletjesslikkers. In 10 dagen pakte men er meer dan 60. Vindt u dat de Kamer ook ten aanzien van dát onderdeel volledig is geïnformeerd?

De heer Niederer (VVD): Deze vraag heeft u ook aan de minister voorgelegd. Ik zou zeggen: laat hem nu deze vraag beantwoorden. Ik kan haar nu niet beantwoorden. Net als u ben ik controleur. Ik vind dat op het moment van het interpellatiedebat de minister, naar de stand van toen, de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd.

De heer Van der Staaij (SGP): Had de heer Niederer na het spoeddebat het gevoel dat de ernst van de Schipholkwestie voldoende bekend was bij de Kamer?

De heer Niederer (VVD): Bij mij was de ernst van het probleem vol- doende bekend op 12 december. De omvang van het probleem, een kwantitatief gegeven, was mij op dat moment niet bekend. Dat doet aan de ernst van het probleem niet af, want iedere doorlating is er een te veel.

De heer Van der Staaij (SGP): Als uw stelling is dat de Kamer vanaf 12 december wist dat er een belangrijk probleem aan de orde was, hoe kon u dan genoegen nemen met de maatregelen die op dat moment bekend waren? Zegt u dan eigenlijk niet dat het plan van aanpak helemaal niet had gehoeven? Dat was op dat moment dan al voldoende helder en de maatregelen waren adequaat.

De heer Niederer (VVD): Dat zou het volgende punt in mijn betoog zijn. Misschien kan ik dat in mijn eerste termijn verder behandelen. Ik hoor dan wel of dat naar uw oordeel voldoende is.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): De heer Niederer zegt tegen de heer Rietkerk dat de Kamer recht heeft op alle informatie, maar dat er wel om gevraagd moet worden. Dat kan hij niet serieus menen. Vindt hij dat bewindslieden, ook deze minister, alleen informatie aan de Kamer moeten geven als daarom wordt gevraagd? Of vindt hij dat op de minister, krachtens de Grondwet, een actieve informatieplicht rust om de Kamer over relevante zaken tijdig en volledig te informeren?

De heer Niederer (VVD): Natuurlijk, maar wij gaan toch niet allerlei ambtelijke brieven opvragen en lezen? Ik wil dat allemaal niet lezen. Het is niet aan de Kamer om zich te bemoeien met ambtelijke correspondentie. Het gaat er uiteindelijk om wat de minister van Justitie ervan vindt. Hij is onze gesprekspartner. Hij bepaalt van welk materiaal hij het dienstig acht om het aan het parlement voor te leggen, om een juist, volledig en getrouw beeld van de problematiek te krijgen. Ik verlaat mij niet op allerlei ambtelijke brieven en dat zou de heer Rouvoet ook niet moeten doen. Als wij dat gaan doen, zijn wij fout bezig.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik heb helemaal niet over ambtelijke brieven gesproken. Ik heb de heer Niederer gevraagd of hij vindt dat de minister in bepaalde omstandigheden, als er situaties zijn die daartoe aanleiding geven, de Kamer eigener beweging goed moet informeren. Hij moet aangeven wat er gaande is op Schiphol en wat zijn plannen zijn om er wat aan te doen. Vindt de heer Niederer dat de minister ons actief moet informeren of alleen desgevraagd? Vindt hij dat de minister op het moment dat hij wist wat er speelde en welke beleidslijn was ontwikkeld de Kamer had moeten informeren, omdat dat relevant was voor ons? Of wil hij dat ook allemaal niet weten?

De heer Niederer (VVD): Het is ongeveer dezelfde vraag als de heer Rietkerk mij stelde, maar dan in andere bewoordingen. De minister heeft ons op 12 december volledig en tijdig beantwoord. Het is aan hem en aan ons daar de nodige brieven en stukken bij te betrekken, om over het probleem te kunnen praten. De heer Rouvoet heeft misschien meer informatie nodig dan een ander. Dat kan voor ieder van ons anders zijn. Het is echter geen lijn dat wij allerlei brieven enz. moeten betrekken in een debat, om een juist oordeel te kunnen vormen.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik vroeg mij even af of mijn microfoon wel aan staat, want ik krijg iedere keer antwoorden op vragen die ik niet heb gesteld. Ik vroeg helemaal niet of de minister ons op 12 december wel goed geïnformeerd heeft. Ik vroeg de heer Niederer of hij als bepaalde dingen spelen – in dit geval niet pas sinds 12 december, maar al veel langer – geïnteresseerd is in relevante informatie over wat op Schiphol gaande is en over de knelpunten die zich daar voordoen. Of wil hij dat allemaal niet weten, totdat wij een interpellatie aanvragen?

De heer Niederer (VVD): Ook de heer Rouvoet stelt steeds dezelfde vraag. Wij zijn geïnteresseerd in de relevante brieven, naar de mate van relevantie. Het beoordelingskader kan verschillend zijn.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Niederer veroordeelt in harde bewoordingen wat er sinds 12 december is gebeurd. Hij zegt ook dat hij volledig en tijdig is geïnfor-meerd, door de mededeling van de minister dat er een probleem was.

Vindt de heer Niederer dat daarmee ministers, wie dan ook, volledig tegemoetkomen aan hun plicht tot informatie aan de Kamer?

De heer Niederer (VVD): Nog een keer: wij zijn toen geïnformeerd naar de stand van dat moment, gelet op het karakter van een interpellatiedebat. Interpelleren betekent dat er spoed is. Dan kan niet alles uitgebreid bestudeerd zijn, want dat is niet te verenigen met het karakter van een interpellatie. Naar de stand van dat moment zijn wij geattendeerd op het probleem dat op Schiphol speelt, dat nu manifest is geworden en waarvan de minister nu zegt dat hij het een groot probleem vindt, dat hij afzonderlijk probeert op te lossen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dus bij grote maatschappelijke incidenten, als er opschudding ontstaat, vindt de heer Niederer het voldoende dat daaraan voorafgaand een minister die daar weet van heeft de Kamer informeert met de mededeling dat er een groot probleem is. Is dat voldoende voor de fractie van de VVD?

De heer Niederer (VVD): Mevrouw Halsema moet geen conclusies trekken. De Kamer heeft tijdens het interpellatiedebat in meerderheid genoegen genomen met de uitleg van de minister en daarna is het debat afgesloten.

De heer Dittrich (D66): De heer Niederer spreekt voortdurend over het interpellatiedebat van 12 december. Is de VVD-fractie met mij van mening dat de minister uit zichzelf na dat interpellatiedebat gewoon een brief aan de Kamer had kunnen sturen met voorstellen voor een oplossing van de problemen?

De heer Niederer (VVD): Ik sta op het punt om deze kwestie te behandelen.

De voorzitter: Ik stel voor dat de heer Niederer zijn betoog vervolgt. Hij heeft al een paar maal aangekondigd dat hij antwoord op de vragen zal geven. Ik zou zeggen: doe uw best!

De heer Niederer (VVD): Ik zal dat doen. De aangekondigde oplossing ligt voor ons in de vorm van een plan van aanpak. Dit plan is hard nodig. Ik herhaal het: de VVD tolereert niet dat bolletjesslikkers de dans ontspringen enkel en alleen omdat ze niet kunnen worden opgesloten. Heeft het plan van aanpak te lang op zich laten wachten? Aan de ene kant zeggen wij ja, de problemen zijn immers niet van gisteren. Wat wist de minister precies op welk moment? Op deze vraag willen wij een duidelijk en bevredigend antwoord. Aan de andere kant zeggen wij neen. De minister heeft immers een doorwrocht en integraal pakket aan maatregelen gepresenteerd en is daarmee niet over een nacht ijs gegaan. Hij had meteen na 12 december 2001 voor een provisorische aanpak op een enkel onderdeel kunnen kiezen. Hij had op Schiphol mobiele celunits kunnen plaatsen waarin de bolletjesslikkers moesten worden opgesloten en klaar was Kees! Dat hadden wij een schijnoplossing gevonden, een schaamlap die de problemen slechts tijdelijk zou hebben gecamoufleerd. De minister heeft daar echter wijselijk niet voor gekozen en dat siert hem. De keuze die hij heeft gemaakt kost tijd. De minister presenteert namelijk een ketenbenadering, te beginnen bij het voorkomen van de invoer vanuit de Nederlandse Antillen tot het opsporen, berechten en vastzetten van drugskoeriers en een forse uitbreiding van de cellencapaciteit. Nu alle schakels in deze keten worden versterkt, hecht de VVD aan een onverkorte uitvoering van alle onderdelen van het plan van aanpak. Wordt er één bouwsteen uitgehaald, dan zal de situatie op Schiphol niet verbeteren. En wie wil dit op zijn geweten hebben? De CDA-fractie in elk geval wel, gelet op het feit dat zij al wat gas terugneemt bij de invoering van onderdelen van het plan van aanpak.

De heer Van Oven (PvdA): De partijvoorzitter van de VVD zei voor de tv dat men sneller actie van de minister had mogen verwachten. Is de heer Niederer het daarmee eens of neemt hij daar afstand van?

De heer Niederer (VVD): De vraag die de heer Eenhoorn in NOVA zichzelf stelde, hebben wij zojuist ook aan de minister voorgelegd. Wij vroegen waarom het plan van aanpak zo lang op zich heeft laten wachten.

De heer Van Oven (PvdA): Er is een verschil. De heer Eenhoorn stelde geen vraag, maar ventileerde een opinie. Is de heer Niederer het daarmee eens?

De heer Niederer (VVD): Zover ben ik nog niet. Eerst moet de minister antwoorden en in tweede termijn zal ik u vertellen wat ik van dat antwoord vind.

De heer Rietkerk (CDA): De heer Niederer neemt in ieder geval afstand van de door de heer Eenhoorn te vroeg geponeerde stelling. De CDA-fractie heeft meerdere keren gezegd dat zij op hoofdlijnen instemt met het plan van aanpak. Sterker nog, ik heb de heer Niederer uitgedaagd om op het punt van twee personen in een cel bij kortgestraften en zelfmelders nog wat verder te gaan. Komt de heer Niederer met een aanpassing op dat punt? In de pers trok hij een grote broek aan toen hij zei dat hij ook in het normale gevangeniswezen meerdere personen in een cel wil. Hij vond dat een fantastische oplossing. Welke conclusie trekt hij nu in de Kamer?

De heer Niederer (VVD): Over dat ’’meer in een cel’’ kom ik ook nog te spreken.

De voorzitter: Het lijkt mij toch verstandiger dat u daar nu antwoord op geeft.

De heer Niederer (VVD): Dat zal ik doen, maar ik laat iedereen toch ook graag even uitspreken om de coherentie van een betoog intact te houden.

De voorzitter: Maar het zijn interrupties en die moet u beantwoorden.

De heer Niederer (VVD): Ja, ik weet dat. Wij hebben toen gesproken over ’’meer in een cel’’ in het kader van dit noodplan, dit plan van aanpak. In de noodwet, die binnenkort hier behandeld wordt, wordt daarvoor een termijn van een jaar met eventueel een verlenging met nog een jaar voorgesteld. Van ons mag dat, als de situatie niet wezenlijk verbeterd is, nog langer voortduren.

De heer Rietkerk (CDA): Dat betekent dat u afstand neemt van ’’twee of meer in een cel’’ in het gewone gevangeniswezen, want in het noodplan staat dat dit alleen buiten het gevangeniswezen kan. U heeft letterlijk gesteld: ’’Minister Korthals gaat niet tot het gaatje; hij heeft een veel te laag ambitieniveau’’. Staat u nog steeds achter die uitspraak?

De heer Niederer (VVD): Ook daar zou ik op terugkomen, maar ik meld het alvast nu maar. In de brief van de minister van 14 januari, die in de avonduren verscheen en waarin het plan van aanpak werd aangekondigd, werd naar ons idee te veel de mogelijkheid opengelaten om toch nog te worden geconfronteerd met heenzendingen aan de voordeur. Toen hebben wij gezegd dat de maatlat van de VVD-fractie was dat de grondhouding moet zijn dat je die mensen niet wegstuurt. Natuurlijk is niemand tot het onmogelijke gehouden, ook de minister van Justitie niet. Als de cellen vol zitten en er moet een verkrachter worden ingesloten, om maar een andere ook niet onbelangrijke criminaliteitsvorm te noemen, dan kan de minister niet tot het onmogelijke worden gehouden. Met onmogelijkheden kunnen wij niet verder. Als je dan bijvoorbeeld een Nederlandse drugskoerier met een bekende woon-en verblijfplaats moet heenzenden, dan moet je zoveel mogelijk alternatieve detentiemogelijkheden toepassen. Dat staat ook in het plan van aanpak; wij zijn op onze wenken bediend. Dan noem ik bijvoorbeeld de elektronische detentie, nachtdetentie of voor mijn part drie maal daags melden bij de politie of de reclassering. In elk geval moet er dan als second best enige vorm van alternatieve overheidscontrole worden uitgevoerd, zodat iemand niet rauwelijks, weliswaar met een dagvaarding, wordt heengezonden. Dat is het punt.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik heb het vermoeden dat de passage in het betoog die een antwoord op mijn eerder gestelde vraag zou moeten bevatten, inmiddels voorbij is. Daarom stel ik nog de volgende vraag. De heer Niederer vraagt de minister: wat wist u op welk moment? Daar wil hij meer helderheid over krijgen. Tegelijkertijd zegt hij nu dat de minister de Kamer volledig heeft geïnformeerd. Hoe kan hij beide zaken met elkaar rijmen?

De heer Niederer (VVD): Nogmaals, dat is naar de stand van het interpellatiedebat op 12 december.

De heer Van der Staaij (SGP): Waarom stelde u dan die vraag? Wat wilt u precies horen op uw vraag aan de minister: op welk moment wist u nu precies van de ernst van de situatie? Kennelijk heeft u daar nog onvoldoende informatie over.

De heer Niederer (VVD): Op 12 december ging de Kamer uit elkaar en wij staan nu, op 23 januari, weer over dit onderwerp te spreken. Wat is er in de tussentijd gebeurd waarom dat plan van aanpak er nu ligt en op 12 december nog niet? Daar zit een aantal weken tussen waarin de problematiek in volle omvang naar voren is gekomen. Daar hebben wij oprecht vragen over, want dat is ons niet geheel duidelijk. Wij vragen de minister om die te beantwoorden, zodat wij begrijpen waarom het plan van aanpak pas vorige week het levenslicht heeft gezien.

De heer Van der Staaij (SGP): Begrijp ik dat de heer Niederer zegt: naar de stand van 12 december weet ik zeker dat de minister ons alle informatie heeft gegeven? Gaat zijn vraag over wat de minister op welk moment wist dus alleen over de periode na 12 december?

De heer Niederer (VVD): Nee, dat begrijpt u niet goed. Nogmaals, naar de stand van 12 december ga ik ervan uit dat de minister de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd, zoals iedere minister dat behoort te doen.

De voorzitter: Ik denk dat het nu tijd is dat u uw betoog vervolgt.

De heer Niederer (VVD): Graag, voorzitter.

Het heeft natuurlijk de nodige tijd gekost om het plan van aanpak te maken, te schrijven. Ook het onderzoek dat de minister heeft gelast naar de verschillende incidenten bij de douane op Schiphol, heeft natuurlijk tijd gekost. Dit onderzoek heeft een aantal zaken bij de douane aan het licht gebracht. Ik noem een memo van een nog steeds anonieme douanier, waarin gewag wordt gemaakt van het doorlaten van een vrouwelijke drugskoerier met 14 kilo cocaïne in haar bagage. Dat bericht verscheen in de media op 8 en 9 januari. Deze anonieme bron werd al snel gebombardeerd tot de ware boodschapper: het stond in ’’no time’’ onomstotelijk vast dat dit voorval zich had voorgedaan. Wij weten nu allemaal dat dit voorval door geen enkel feit is ondersteund. De nieuwsexplosie die daarop volgde, kennen we.

Behalve met anonieme douaniers zijn we ook geconfronteerd met douaniers met plichtsverzuim: rond kerst en nieuwjaar zijn 6 bolletjesslikkers, onder wie twee met 9 kilo cocaïne, zonder enig overleg met de daartoe bevoegde officier van justitie en in strijd met alle afspraken en regels weggestuurd. Hiervoor kan de VVD-fractie – wat er zij van de moeilijke situatie waarin de diverse overheidsdiensten moesten opereren – geen begrip opbrengen. Het is aan de verantwoordelijke staatssecretaris van Financiën de heer Bos om orde op zaken te stellen. Ik begrijp uit een ANP-persbericht van 19 januari dat hij een onderzoek start naar de vrijlating van deze drugskoeriers. De staatssecretaris heeft daarbij tegelijkertijd laten weten dat mensen ’’onder in een organisatie niet moeten worden gestraft voor fouten van politici die hun verantwoordelijkheden hebben laten liggen’’. Ik neem aan dat hij daarmee zichzelf bedoelt. Ik schat in dat het CDA dat ook wel vindt, want de heer Rietkerk heeft in zijn termijn zojuist gezegd ’’Hij gaat daarover’’.

De heer Dittrich (D66): Wekt u met uw verhaal niet de suggestie dat de schuld ligt bij de douaniers, dus de mensen die dat moeilijke werk moeten doen? De oorsprong van de problemen ligt toch bij het OM, dat heeft gevraagd terughoudend te zijn bij zoeken en aanhouden? Het OM valt toch onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie?

De heer Niederer (VVD): De verantwoordelijkheid van de minister van Justitie is de aansturing van het OM. Maar de beheersverantwoordelijkheid van de douane ligt onmiskenbaar bij Financiën. De brieven die de heer Bos in het verleden heeft gestuurd, geven aan dat hij zich wel degelijk medeverantwoordelijk voelt voor de situatie op Schiphol. Ik wil alleen op grond van de feiten het hele palet op tafel leggen, dus dat het niet alleen een kwestie is van deze bewindspersoon, maar meer in het bijzonder van het kabinet, en dat ook de staatssecretaris van Financiën hierin een rol speelt.

De heer Dittrich (D66): In de politiek heet dat niet het hele palet op tafel leggen, maar het probleem zo verbreden dat de verantwoordelijkheidsvraag wat diffuser wordt en wat moeilijker in het zicht blijft. Doordat het OM de douane heeft opgeroepen terughoudend op te treden, gelet op het gebrek aan cellen en personeel, kwamen die mensen toch in een erg moeilijke situatie?

De heer Niederer (VVD): De situatie is vreselijk moeilijk. Maar ik heb het nu niet over de algehele beleidslijn, waarover wij nog komen te spreken. Dit laat onverlet dat douaniers een aantal doorlatingen hebben toegestaan, en wel volstrekt op eigen gezag en in strijd met de een paar dagen tevoren in het Schipholteam gemaakte afspraken. Los van het feit dat je ze op dat moment misschien nergens kwijt kon, was dat de douaniers dat op zijn minst wel hadden moeten melden, in overleg met de piketofficier van justitie. Zelfs dat is niet gebeurd, en dat kan niet.

De heer Dittrich (D66): U hebt achteraf wel makkelijk praten! U moet zich proberen te verplaatsen in de situatie van die mensen.

De heer Niederer (VVD): Zeker. Maar wij kijken ook graag vooruit, namelijk naar het plan van aanpak, waarmee paal en perk moet worden gesteld aan deze praktijken.

De heer Van Oven (PvdA): Bent u bekend met de afspraak dat de douane mensen zou ’’overhandigen’’ aan het Schipholteam?

De heer Niederer (VVD): Zeker. Dat maakt deel uit van die afspraken.

De heer Van Oven (PvdA): U weet ook dat dat Schipholteam niet in staat of bereid was, op 24 en 31 december die mensen aan te nemen?

De heer Niederer (VVD): Daar opereren verschillende diensten. Ook al zou de einduitkomst zijn geweest dat de bolletjesslikkers niet te plaatsen waren, dan nog had dat moeten gebeuren in overleg met het

OM. Dan wordt de volle verantwoordelijkheid duidelijk. De douane had niet op eigen gezag mensen mogen wegsturen die zoveel cocaïne op zak hebben.

De heer Van Oven (PvdA): Misschien vindt u met mij de vraag interessant, of het Schipholteam op 24 december überhaupt functioneerde. Maar als u zulke zware kritiek uitoefent op de staatssecretaris van Financiën, waarom heeft u dan niet datgene gedaan wat u buiten deze zaal hebt aangekondigd, namelijk de heer Bos voor deze discussie uit te nodigen? U oefent nu zware kritiek uit op een bewindspersoon die zich daartegen op dit moment niet kan verdedigen. Vindt u dat fair play?

De heer Niederer (VVD): Dat is fair play, omdat het een deel vormt van mijn betoog. Het gaat mijn fractie in dit debat om het plan van aanpak. Vandaar dat alleen de minister hier nu zit. Het verleden vind ik niet zo bijster interessant; het gaat erom dat wij met z’n allen problemen oplossen en vooruitkijken. Aangezien de minister van Justitie namens het kabinet, dus ook namens de staatssecretaris, verantwoordelijkheid draagt voor het uitbrengen van het plan van aanpak, hebben wij ervoor gekozen om in dit debat alleen met hem als eerstverantwoordelijke te debatteren.

De heer Van Oven (PvdA): Als uw zijpaden niet zo bijster interessant zijn, kunt u die in het kader van deze discussie beter buiten beschouwing laten.

De heer Niederer (VVD): Dat ben ik niet met u eens.

De voorzitter: Ik wijs de Kamer erop dat wij discussiëren met de minister van Justitie. De vragen moeten dan ook aan hem zijn gericht en niet aan een bewindspersoon die er niet is. Als de Kamer dat had gewild, had gisteren moeten worden besloten om staatssecretaris Bos hierbij ook uit te nodigen.

De heer Rietkerk (CDA): De heer Niederer oordeelt over douaniers en daarmee indirect ook over de voor hen verantwoordelijke staatssecretaris. Het gaat echter om het oordeel over een willens en wetens gevoerd beleid ten aanzien van het heenzenden en het terughoudende aanhoudingsbeleid. Wat is daarover het oordeel van de heer Niederer?

De heer Niederer (VVD): Dat kan ik pas geven na het antwoord van de minister in eerste termijn. Deze vragen legt mijn fractie ook voor aan het kabinet; laten wij niet vooruitlopen op de antwoorden van de minister. Oordeelsvorming komt na de tweede termijn.

De heer Rietkerk (CDA): De heer Niederer oordeelt wel over douaniers en de staatssecretaris.

De heer Niederer (VVD): Ik releveer slechts de feiten.

De heer Rietkerk (CDA): De heer Niederer heeft de feiten ook gelezen; het is nog ernstiger. Er werd gewoon niet aangehouden of men werd met een dagvaarding heengezonden. Wat is het oordeel van de heer Niederer over deze feiten?

De heer Niederer (VVD): Het zijn niet altijd feiten. Het gaat vaak om krantenberichten waarvan niet altijd duidelijk is of het feiten zijn of vooronderstellingen. Het was in ieder geval verontrustend genoeg om vandaag dit debat te voeren. Daarover wil ik geen misverstand laten bestaan.

De heer Rietkerk (CDA): Heeft de heer Niederer de brief van staatssecretaris Bos aan minister Korthals gelezen? Dit is een politieke brief. Heeft hij verder de brief gelezen van het OM? Ik kan er nog meer noemen.

De heer Niederer (VVD): Die heb ik inderdaad gelezen.

De heer Rietkerk (CDA): En toch komt hij tot deze conclusie?

De heer Niederer (VVD): Ik kom helemaal nog niet tot een conclusie. Ik wacht het antwoord van de minister af. Er moet hoor en wederhoor worden toegepast. De minister moet eerst kunnen reageren op alle aantijgingen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Niederer gaf een hard oordeel over de douaniers. Hij zei dat hij geen enkel begrip kan opbrengen voor hun gedrag, dat hij rekende tot de politieke verantwoordelijkheid van PvdA-staatssecretaris Bos. Tegelijkertijd voegde hij eraan toe dat het gaat om een verantwoordelijkheid van het gehele kabinet. Het is dan toch voor hem op zijn plaats, te zeggen dat hij in dit verband ook geen enkel begrip kan opbrengen voor de minister van Justitie? Het is toch ook zijn medeverantwoordelijkheid?

De heer Niederer (VVD): Zijn medeverantwoordelijkheid ligt in het plan van aanpak waarover wij nu spreken.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dan constateer ik dat de heer Niederer de agenda van vandaag niet heeft gezien. Dit is namelijk een verantwoordingsdebat.

De heer Niederer (VVD): Zeker.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De heer Niederer is er zelf mee begonnen, douaniers en de staatssecretaris, niet helemaal toevallig een PvdA’er, ter verantwoording te roepen. De heer Niederer is ermee akkoord gegaan, staatssecretaris Bos niet uit te nodigen. Het is dan logisch om ook de eerstverantwoordelijke bewindspersoon ter verantwoording te roepen. Gezien het bij hem ontbreken van begrip voor de douaniers onder de politieke verantwoordelijkheid van staatssecretaris Bos, zou het logisch zijn dat de heer Niederer ook geen begrip zou hebben voor het gedrag van de minister van Justitie.

De heer Niederer (VVD): Mevrouw Halsema doet in hoge mate aan ’’jumping to conclusions’’. Ik ben nog helemaal niet zover om conclusies te trekken; ik wil het antwoord van de minister afwachten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik leg een logisch verband tussen de eigen woorden van de heer Niederer. Het is jammer dat hij dat zelf niet in de gaten heeft.

De heer Niederer (VVD): Mevrouw Halsema wil mij al een conclusie laten trekken, terwijl ik die nu nog niet kan of wil trekken. Wij voeren hier op een volwassen manier een debat met hoor en wederhoor; laat het wederhoor dan ook plaatsvinden.

De voorzitter: Ik wil de Kamer er nogmaals aan herinneren dat het debat gevoerd wordt met de minister van Justitie en alleen met hem.

De heer Niederer (VVD): De VVD-fractie kijkt vooruit. Politici zijn er immers om problemen op te lossen. Daarom willen wij met de minister aan de slag met dit plan van aanpak. Hierbij schuwen wij onconventionele maatregelen niet, zoals het aloude VVD-punt van twee of meer verdachten in een cel of groepsruimte. Al jaren vindt de VVD dat het beter is om twee criminelen in één cel te hebben dan één op straat. Het is daarom verheugend dat nu ook de PvdA-fractie en de fractie van D66, misschien nog wat weifelend, eindelijk door de bocht zijn en dit VVD-voorstel steunen. Dit hadden wij een poosje geleden toch voor onmogelijk gehouden.

De heer Dittrich (D66): Ik snap werkelijk niet hoe u bij die conclusie komt. Uiteraard zal ik in mijn eigen termijn over twee in één cel spreken. Laat ik nu alvast zeggen dat wij daartegen zijn.

De heer Niederer (VVD): Dat is typisch, want ik las vorige week op een ochtend om 11.00 uur op teletekst dat D66 inderdaad tegen twee in één cel was en toen ik om 13.00 uur weer keek, bleek de fractie van D66 daar ineens vóór te zijn.

De heer Dittrich (D66): Ik weet niet of u toen een slok op had. Dat kan ik zo ’s ochtends vroeg niet helemaal beoordelen. Wij zijn in ieder geval altijd tegen twee in één cel geweest, omdat het zoveel agressie oproept. Als een bewaker dan de deur opendoet, spat die agressie naar de bewaker toe. De cellen zijn daar helemaal niet op gebouwd. Het gaat hier om een noodsituatie op Schiphol, waar wij bepaalde opvattingen over hebben. Wij steunen het aloude liedje van de VVD, dat twee in één cel goed is, absoluut niet.

De heer Niederer (VVD): Betekent dit dat u dat onderdeel van het plan van aanpak niet steunt?

De heer Dittrich (D66): Ik zal de spanning opbouwen; luistert u straks naar mijn verhaal.

De heer Van Oven (PvdA): Is de heer Niederer bereid om het betoog van de PvdA-fractie af te wachten, voordat hij met voorbarige conclusies komt?

De heer Niederer (VVD): Het was geen conclusie maar een mededeling. Ik zal concluderen als ik uw termijn heb gehoord.

De heer Van Oven (PvdA): Kunt u misschien uw mededelingen in die zin nog even voor u houden?

De heer Niederer (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie zal in elk geval als medewetgever ook verder haar verantwoordelijkheid nemen door mee te werken aan de spoedige totstandkoming van de noodwetten, die het mogelijk maken om meer personen op te sluiten in bijvoorbeeld kazernes. Zet de minister voor de bewaking van die arrestanten ook particuliere beveiligers in? Zoals bekend, zijn wij hier een voorstander van. Het is zonde om de schaarse en dure marechausseecapaciteit hiervoor in te zetten. Laat deze gekwalificeerde opsporingsambtenaren doen waarvoor zij zijn opgeleid, namelijk het opsporen en arresteren van zoveel mogelijk drugssmokkelaars op Schiphol.

Voorkomen is beter dan genezen. Daarom is de VVD-fractie er een groot voorstander van om te voorkomen dat bolletjesslikkers vanuit de Antillen, de Bovenwindse dan wel de Benedenwindse Eilanden, of van elders via de Antillen, doorvliegen naar Schiphol. De minister schrijft dat hij de visum-

R M. Sablerolle–Gouda

plicht verder wil harmoniseren en paspoorten wil laten innemen. Is dat voldoende? Welke middelen worden ter beschikking gesteld aan de Antillen om daar zoveel mogelijk bolletjesslikkers uit de rij passagiers te halen? Is de voorgestelde aanpak op dat punt oprecht sluitend? Een versterking van de justitiële keten is inderdaad nodig door meer officieren van justitie en rechters aan te stellen. Op Schiphol wordt nog dit jaar extra zittingsruimte in gebruik genomen.

Wij stemmen in met het voorstel om de alleensprekende politierechter meer bolletjeszaken te laten afhandelen in plaats van steeds drie rechters, zodat er meer zaken kunnen worden afgedaan. Uiteraard behoudt de politierechter het recht om door te verwijzen naar de meervoudige kamer. Niemand zal zo zijn passende straf ontlopen.

Wij stemmen ook in met de voorstellen om meer gebruik te maken van overdracht van strafvervolging, uitlevering en waar mogelijk overdracht van tenuitvoerlegging van strafvonnissen om verdachten en veroordeelden van buitenlandse komaf zoveel mogelijk terug te sturen naar het land van herkomst. Dit om de druk op de cellencapaciteit in Nederland beheersbaar te houden.

In dit verband vraag ik de minister hoe het staat met het ongewenst verklaren van vreemdelingen in het kader van de Vreemdelingenwet. Het is mogelijk om vreemdelingen die door de Nederlandse rechter onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf waarop ten minste drie jaar gevangenisstraf staat, ongewenst te verklaren. Dit zou ook van toepassing kunnen zijn bij de bolletjessmokkel. Op de invoer van cocaïne staat twaalf jaar en op het bij zich dragen van cocaïne staat vier jaar. Wat de strafbedreiging betreft zou dit dus vallen onder het bereik van dat artikel in de Vreemdelingenwet. Er zou ons veel aan gelegen zijn als deze vreemdelingen standaard tot ongewenste vreemdeling verklaard worden om hiermee te verhinderen dat zij ooit nog een voet op Nederlandse bodem zetten.

Ik heb de brief van de minister gelezen in antwoord op Kamervragen over de voorgenomen sluiting in 2005 van het huis van bewaring in Leeuwarden, de Blokhuispoort. Is dat in deze tijd geen onjuiste beslissing, ook al wordt zij getemporiseerd tot 2005? Je sluit immers geen capaciteit als er tegelijkertijd behoefte is aan capaciteit? Wil de minister ingaan op de mate van onomkeerbaarheid van dat besluit en de blijvende behoefte aan een huis van bewaring dan wel aan cellencapaciteit in Leeuwarden?

De heer De Wit (SP): Wat is het oordeel van de heer Niederer over dat plan van aanpak? Is hiermee in zijn ogen het probleem van de invoer van cocaïne door middel van koeriers aangepakt en opgelost of twijfelt hij daaraan? Zullen er wellicht in de toekomst weer andere methoden gezocht worden om die invoer aan te pakken? Hoe oordeelt hij over de effectiviteit van het plan?

De heer Niederer (VVD): Als dit plan van aanpak in zijn totaliteit wordt uitgevoerd, heeft het alle potentie in zich om het probleem op Schiphol effectief aan te pakken, maar dan mag er geen enkel bouwsteentje worden uitgehaald. Ik zeg daarmee niet dat er nooit meer een bolletjesslikker op Schiphol binnenkomt die wellicht de dans ontspringt, want wij moeten wel reëel zijn. Niemand is gehouden aan het onmogelijke. Wij moeten de discussie reëel en in haar menselijke proporties voeren. Met dit plan van aanpak wordt een adequaat antwoord gegeven op de problematiek. De VVD-fractie gelooft daar stellig in. Ik onderlijn de integrale invoering van ieder onderdeel van dat plan.

De heer De Wit (SP): De heer Niederer is zijn betoog begonnen met de mededeling dat er van de VVD-fractie geen enkele bolletjesslikker mag worden doorgelaten. Met andere woorden: het succes moet 100% zijn. Wat zijn deze maatregelen hem waard als daarentegen door strafrechtsgeleerden wordt opgemerkt dat wij met een aantal onderdelen van het plan belangrijke normen binnen ons strafrecht loslaten? Ik noem de vervroegde invrijheidstelling, het opsluiten van mensen in een politiecel, de verruiming van de bevoegdheden. Wat is een 100% sluitende aanpak hem waard als daar tegenover staat dat wij een aantal belangrijke principes van onze rechtsstaat moeten inleveren?

De heer Niederer (VVD): Een garantie van 100% kun je niet geven. Dat is onmogelijk en aan het onmogelijke is niemand gehouden. Ik heb ook niet gezegd dat 100% van de bolletjesslikkers ingesloten moeten worden, want dat is een irreëel standpunt. Er moeten wel zoveel mogelijk drugskoeriers worden ingesloten. Dit plan van aanpak heeft alles in zich om dat te bewerkstelligen.

Ik heb de strafrechtsgeleerden ook gehoord. Dat is de mening van deze mensen in de beschutte wereld van de universiteit. Het is de taak van politici problemen op te lossen. Die praktische problemen zijn er. Dit plan van aanpak is nodig om de problemen effectief de kop in te drukken. Nood breekt wet. Beleidslijnen die wij op het gebied van detentie tot dusverre hebben gehanteerd, overigens op goede gronden, voldoen niet geheel om de problemen op Schiphol aan te pakken. De Nederlandse bevolking wil dat die problemen worden aangepakt. Dat vind ik belangrijker dan allerlei wetenschappelijke noties over grondrechten en detentiewaarden, omdat ik ervan uitga dat dit plan van aanpak de toets der kritiek zeer wel kan doorstaan. Met inhumaniteit heeft het niets van doen.

De heer De Wit (SP): De geleerden wijzen juist op het feit dat een aantal grondrechten principieel ter discussie staat en dat wij niet overhaast deze maatregelen moeten aannemen. U zegt de mening van deze geleerden aan uw laars te lappen. Wat vindt u van de verschillende onderdelen die de positie van de verdachten uithollen en dat wij versneld moeten instemmen met een aantal verruimende maatregelen?

De heer Niederer (VVD): De veiligheid van de Nederlandse samenleving, meer in het bijzonder van Schiphol, wordt uitgehold door dit soort criminaliteit. Mijn compassie ligt dan bij onze Nederlandse samenleving. De VVD-fractie staat ervoor deze veiligheid te waarborgen. Als aan rechten moet worden ingeboet, bijvoorbeeld van verdachten, omdat die via noodwetgeving anders worden opgesloten dan wij tot dusverre gewend waren: het zij zo!

De heer De Wit (SP): Hoelang moet dat duren? Mag het tot sint-juttemis duren? Veranderen wij nu ons rechtsstelsel essentieel of is enige terughoudendheid nodig op dit vlak?

De heer Niederer (VVD): Wij veranderen natuurlijk niet essentieel ons rechtsstelsel. De heer De Wit weet dat dit een noodvoorziening is, die niet valt onder het normale regime van de gevangeniswetgeving. Het is een noodwet voor een jaar, mogelijk te verlengen met nog een jaar. Als daarmee de problemen zijn opgelost, is dat natuurlijk prachtig. Wij verwachten dat ook. Dat is dan mooi de verdienste van het plan van aanpak en meer in het bijzonder van deze minister van Justitie. Zijn de problemen niet opgelost, dan heeft de VVD-fractie er principieel geen moeite mee dat wij dit regime continueren.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Mij valt op dat de belangrijkste elementen van het plan, bijvoorbeeld inzetten van het leger, uitbreiding van de bevoegdheden van de politierechter en het bijbouwen van cellen...

De voorzitter: De vergadering wordt vanwege een probleem met de geluidsinstallatie een ogenblik geschorst.

De vergadering wordt van 14.41 uur tot 14.58 uur geschorst.

De voorzitter: Inmiddels is het kleine technische mankement hersteld. Mijn excuses aan al diegenen die meeluisteren en -kijken voor het onderbreken van de uitzending.

©

De heer Dittrich (D66): Voorzitter. Voor D66 staan in dit debat twee vragen centraal. Hoe lossen wij de problemen op Schiphol op met de drugskoeriers en wel zo snel mogelijk? Is het pakket van maatregelen afdoende? Hoe heeft het zover kunnen komen? Hadden de noodmaatregelen niet voorkomen kunnen worden als er eerder alert was ingegrepen?

Allereerst iets over de strijd tegen harddrugs. Jaren geleden was het de Amerikaanse president Reagan die de ’’war on drugs’’ verklaarde. Dat waren ferme woorden, maar de drugs zijn de wereld nog steeds niet uit. Sterker nog, het cocaïnegebruik in Amerika, Nederland en de rest van de wereld neemt toe. Zo nu en dan klinken er vanuit de wetenschap geluiden die zeggen dat wij moeten stoppen met de strijd tegen harddrugs. Dan neem je de georganiseerde criminaliteit de wind uit de zeilen. Ik moet zeggen dat de fractie van D66 best bereid is om dit soort geluiden internationaal in discussie te brengen om na te gaan of de enorme krachtsinspanningen om de handel in harddrugs tegen te gaan effectief zijn en om te bekijken of de volksgezondheid beter af is met een geheel andere aanpak. Die situatie ligt nog ver achter de horizon. Nederland is lid van allerlei antidrugsverdragen. Het is ook bijzonder onverstandig om als enig land een heel andere koers te varen. Daarom treden wij ook in Nederland op tegen de smokkel van cocaïne, vooral in Schiphol en de Rotterdamse haven. Hoe beter de controle, des te groter de pakkans. Hoe groter de pakkans, des te geringer het animo om naar Schiphol te vliegen. Die logica is bewaarheid geworden in september. Toen is er een 100% controleactie geweest. Er werden veel mensen aangehouden. Voor een korte tijd is het aantal drugskoeriers gedaald. Flink veel controleren heeft zin, mits men consequent blijft in het controleren. Ik zeg er overigens meteen bij dat het een illusie is om te menen dat je alle drugs tegen kunt houden. Een dergelijke garantie vragen wij ook niet van de minister.

In december is in Schiphol de bom gebarsten. In de maanden daarvoor al was het lont aangestoken. Verbijsterde douanemedewerkers waren wanhopig. Zij brachten naar buiten dat het openbaar ministerie al langer wilde dat de douane op een heel laag pitje zou controleren. Er waren immers geen cellen en er was te weinig personeel, terwijl de drugskoeriers binnen bleven komen. Wij weten inmiddels, na alle brieven en stukken, dat er in december iets van 11 koeriers zijn aangehouden, maar toch zijn heengezonden. Twee daarvan hadden 9 kilo cocaïne bij zich. De koerier kon zijn weg vervolgen, soms met een dagvaarding, soms alleen maar met een bewijs van ontvangst. Dat is voor de fractie van D66 echt onverteerbaar. Inderdaad is, zoals premier Kok het ook zei, het vertrouwen van de burger in de rechtsstaat geschaad. Sommige burgers krijgen meteen een boete voor een geringe overtreding, maar het smokkelen van kilo’s cocaïne kan blijkbaar ongestraft gebeuren. De minister van Justitie heeft zelf al vele malen gezegd dat hij tegenstander is van gedogen. Het beeld dat is ontstaan, is dat de verhoudingen volkomen zoek zijn.

Het was een goede zaak dat premier Kok aankondigde dat het kabinet had besloten dat er een plan van aanpak zou komen en dat er noodmaatregelen getroffen zouden worden. Voordat ik daarop inga, wijs ik erop dat er ook andere vormen van criminaliteit zijn die dringend om een oplossing vragen. Zo stond er vandaag een alarmerend artikel in de krant over straatroof. Het is natuurlijk belangrijk dat daar adequaat tegen opgetreden kan worden. Ik vraag de minister van Justitie dan ook of hij in dit debat kan aangeven dat er door invoering van het plan van aanpak en de noodmaatregelen geen ongewenste verdringingseffecten zullen optreden.

De heer Rietkerk (CDA): Vindt u niet ook dat het vrijlaten van mensen die een groot aantal kilo’s drugs bij zich hebben inmiddels een patroon of beleid is geworden?

De heer Dittrich (D66): Ja, vooral nu wij weten wat de aantallen zijn. Wij weten dat het om 11 mensen in een vrij korte tijd gaat. Dan kun je niet meer spreken van een incident. Dat zijn verschillende incidenten achter elkaar en daar kun je een patroon in zien. Het heeft natuurlijk ook te maken met de situatie dat het openbaar ministerie de douane heeft gevraagd om rustig aan te doen en niet te hard te zoeken, omdat men de mensen niet kwijt kon.

De heer Rietkerk (CDA): Tijdens het interpellatiedebat op 12 december was de minister hiervan op de hoogte en wij hadden hiervan eigenlijk op de hoogte gesteld moeten worden. Vindt u ook dat de Kamer op dat moment onvolledig is geïnformeerd?

De heer Dittrich (D66): Ik vind dat de minister van Justitie daar in dat debat al meer over had moeten zeggen. Ik heb de minister in het programma Buitenhof horen zeggen dat hij van de voorzitter die er toen was drie minuten spreektijd had gekregen. Ik vind dat de minister kort na dat debat gewoon een brief aan de Kamer had moeten sturen, om zoveel mogelijk openheid van zaken te geven.

De heer Rietkerk (CDA): Welke indruk heeft u van de minister van Justitie, nu u hierop terugkijkt?

De heer Dittrich (D66): Verderop in mijn betoog ga ik op die vraag in.

Mevrouw de voorzitter. Ik sta eerst nog stil bij het plan van aanpak en de noodmaatregelen. Het is een goede zaak dat de premier daarmee kwam, maar ik heb wel een aantal opmerkingen over dat plan. Overigens vinden wij het heel juist dat goed naar de voorkant wordt gekeken. Dat betekent dat er wordt gecontroleerd in de landen waarvandaan die risicovluchten naar Schiphol komen. Wij steunen dat onderdeel. Ik merk wel op dat het lijkt alsof Sint Maarten vergeten is, terwijl ook daar te weinig douaniers zijn en te weinig apparatuur. Ik hoop dus dat de minister daar straks in zijn beantwoording op wil ingaan. De fractie van D66 wil in elk geval dat ook daar de risicovluchten goed gecontroleerd worden.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): In het plan van aanpak is ook sprake van het op een termijn van vier maanden komen tot een controle van 100% op alle uitgaande vluchten. Acht u dat een haalbare doelstelling?

De heer Dittrich (D66): Ik ben niet zo deskundig dat ik dat kan beoordelen,

maar ik zou zeggen: hoe eerder, hoe beter.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): U legt terecht de vinger bij Sint Maarten en de Bovenwindse Eilanden. Daar zal ik dadelijk ook wat over zeggen. Het is straks ook zaak dat de controle op de Antillen zo goed mogelijk gestalte krijgt. Ik heb zelf enige aarzelingen over het streven naar 100% controles. Denkt u dat het plan van aanpak, dat nu voorziet in samenwerking en een uitbreiding van het personeel, dat doel dichterbij kan brengen? Dat kan pas leiden tot het controleren aan de voorkant.

De heer Dittrich (D66): U hebt gelijk. Het plan van aanpak is kennelijk nogal snel geschreven, want er zitten enkele hiaten in. Dit punt is er een van, maar wij ondersteunen van harte de doelstelling van 100% controle op risicovluchten.

Veel moeite hebben wij met het voorstel dat officieren van justitie lagere straffen gaan eisen tegen drugskoeriers. Bij lagere strafeisen wijkt de strafmaat in Nederland voor drugssmokkel te veel af van die in andere Europese landen, waardoor de minister juist weer een aanzuigende werking creëert. Bovendien ontstaat er rechtsongelijkheid met het beleid van officieren van justitie in andere delen van het land als het gaat om drugssmokkel. Bij hoeveel kilo word je nog voor de politierechter gedaagd? De alleenzittende politierechter mag nu slechts maximaal zes maanden gevangenisstraf opleggen. In het plan van aanpak lezen wij dat de minister voorstelt die grens te verhogen naar twaalf maanden. Mede gelet op het feit dat de eisen lager worden, kan dat betekenen dat drugskoeriers met een aantal kilo’s bij een alleen-zittende rechter terechtkomen. Wij zijn er altijd tegen geweest dat een alleenzittende rechter zware zaken afdoet. De minister van Justitie heeft D66 daarin altijd gesteund, maar nu wordt die lijn losgelaten. Mijn fractie is tegen dit onderdeel van het plan. Wel zijn wij het eens met het voorstel met betrekking tot de extra politiecellen en het extra personeel.

De heer Niederer (VVD): De heer Dittrich vindt dat ook de kleinere bolletjeszaken – bijvoorbeeld minder dan één kilo – meervoudig moeten worden afgedaan. Door de twee- jarentermijn in het Europese verdrag kunnen die zaken echter verjaren en wordt er helemaal geen recht gedaan. Is het dan niet beter, te kiezen voor het minst kwade opdat er in ieder geval vonnis wordt gewezen?

De heer Dittrich (D66): Er wordt hier aan een rechtsstatelijk principe gemorreld. Als je dat een keer hebt geïntroduceerd, krijg je het niet meer weg. Dat vind ik een slechte zaak. Natuurlijk vind ik het ook onaanvaardbaar dat zaken verjaren en deze minister moet ervoor zorgen dat het niet gebeurt.

Wij zijn altijd tegen het plaatsen van twee gedetineerden in één cel geweest en dat zijn we nog steeds vanwege de risico’s voor het personeel en omdat de cellen in Nederland voor één persoon gebouwd zijn. Gezien de noodsituatie op Schiphol voelen wij ons echter gedwongen om akkoord te gaan met de voorgestelde bijzondere noodmaatregel om meerdere gedetineerden in één groepsruimte te plaatsen. Maar het plan is nog vaag en stelt ons niet gerust. Hoe lang kan iemand in zo’n kazerne of andere plek vastgehouden worden? Wat ons betreft moet dat kort zijn. Het daar geldende regime moet aan humane eisen voldoen. Wat ons betreft mag dat meer zijn dan de minimale internationale eisen die de minister voorstelt. Bovendien moet deze noodvoorziening kunnen worden gesloten als er minder drugskoeriers aangehouden worden, omdat de maatregelen effect hebben. Nood breekt wet, maar als de nood weg is, moet deze maatregel gebroken worden. Deze onorthodoxe maatregel dient een tijdelijk karakter te hebben. Wij zijn het ermee eens dat defensiepersoneel wordt ingezet ter ondersteuning van de bewaking.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik verbaas mij hier enigszins over. U sprak zo-even mooie woorden over rechtsstatelijke beginselen, maar realiseert u zich dat hiermee een precedent wordt geschapen?

De heer Dittrich (D66): Het gaat hier echt om een noodmaatregel, terwijl de andere voorstellen een permanent karakter hebben. Ik heb onderstreept dat het een tijdelijke maatregel moet zijn en daarom hoeft er geen precedentwerking te zijn.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Tijdelijke maatregelen kunnen over een maand nodig zijn op het gebied van straatroof of andere delicten. Misschien zegt u dan weer dat het leger moet worden ingezet of dat meerdere mensen in één cel mogen worden gezet. Wat blijft er dan over van die rechtsstatelijke beginselen?

De heer Dittrich (D66): Wij spreken nu over de situatie op Schiphol. De maatregelen zijn gepresenteerd in het kader van de bolletjesslikkers. Als er later gesproken wordt over maatregelen ten aanzien van straatroof of andere ernstige misdrijven, worden wij allen betrokken bij het bekijken daarvan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): U sluit dus niet uit dat ook in dat geval dit soort maatregelen geëigend zullen zijn? U erkent dat deze situatie vaker zal voorkomen en u laat de beginselen dus los.

De heer Dittrich (D66): U trekt de verkeerde conclusie en bovendien legt u mij woorden in de mond. Ik heb aangegeven dat de leden van de D66-fractie altijd tegen het plaatsen van meerdere mensen in een cel zijn geweest. Er is een noodsituatie op Schiphol ontstaan en wij zijn als gevolg daarvan in een positie gemanoeuvreerd waarin wij met bijna alle onderdelen van het plan akkoord moeten gaan. Dat is voor ons flink slikken. Wij verwachten dat met het voorgestelde plan heenzendingen niet meer structureel, en ook nauwelijks nog incidenteel, hoeven plaats te vinden. Wij vragen de minister echter niet om garanties op dit punt want wij willen hem geen irreële toezeggingen ontlokken.

Ik kom tot slot op de wijze waarop de minister het dossier heeft behandeld. Hoe heeft het zover kunnen komen? Waarom heeft de minister van Justitie niet veel eerder adequate maatregelen getroffen? Waarom heeft hij dit pakket maatregelen pas in januari gepresenteerd in plaats van in het najaar? Staatssecretaris Bos had hem op dat moment tot twee keer toe gewaarschuwd. Wij hebben zo-even de brief gekregen waar ik voor het debat om heb verzocht. De staatssecretaris heeft in juni 2001 in alarmerende formuleringen aangegeven dat de situatie moest worden aangepakt. Klopt het dat de minister van Justitie al langer geleden, vanuit de Antillen,

gewaarschuwd is? Waarom heeft hij de Kamer niet uit eigen beweging een volledige schets van de problemen op Schiphol gegeven? Hij had daartoe in november en december de gelegenheid. Waarom heeft de minister aanvankelijk afhoudend gereageerd op suggesties om de problemen voortvarend aan te pakken? Hij heeft eerst allerlei suggesties afgewezen en nu zien wij dat die in het plan zijn teruggekomen. Ik nodig de minister uit om chronologisch aan te geven welke maatregelen hij en zijn ministerie vanaf juni 2001 genomen hebben om met spoed meer cellen voor drugskoeriers ter beschikking te stellen en meer personeel in te zetten. De minister was van diverse kanten gewaarschuwd. Verder hoor ik graag op welke wijze het departement van Justitie de minister geïnformeerd heeft. Is het voorgekomen dat belangrijke feiten niet aan de minister bekend werden gemaakt? Is hij van mening dat hij door het openbaar ministerie goed en tijdig geïnformeerd is?

De heer Rietkerk (CDA): D66-fractieleider De Graaf heeft op 17 januari in het journaal gezegd dat de afgelopen maanden ten aanzien van de minister geen overweldigende indruk op hem hebben gemaakt. Nu is de brief van 5 juni beschikbaar gekomen waarin nadrukkelijk staat dat de minister in een eerder stadium gealarmeerd is. De situatie is dus ernstiger. Wat is uw indruk van de afgelopen maanden ten aanzien van deze minister?

De heer Dittrich (D66): Zelden is een interruptie zo op het juiste moment gekomen, want mijn laatste zinnen luiden als volgt. De indruk is dat de minister pas in januari, naar aanleiding van alle kritiek en aangespoord door de Kamer en de premier, voortvarend aan de slag is gegaan. Een deel van de drastische noodmaatregelen had misschien voorkomen kunnen worden als het probleem eerder ambitieus was aangepakt. Dat idee ligt zwaar op de maag.

De heer Rietkerk (CDA): Mijn laatste vraag: bent u met mij van mening dat de minister van Justitie dus te laat, te afwachtend en te laconiek is geweest?

De heer Dittrich (D66): Dat zijn al meteen conclusies, die u trekt. In eerdere debatten is al gezegd dat wij vragen stellen, de indrukken hebben. U hebt al meteen een conclusie getrokken, maar u bent van de oppositie. Ik hoor graag hoe de minister hierop reageert. In de tweede termijn zullen wij met onze conclusie komen. Zo hoort het.

©

De heer Rouvoet (ChristenUnie): ’’De Nederlandse drugscultuur is een belangrijke oorzaak van het omvangrijke cocaïnetoerisme tussen de Antillen en Schiphol.’’ Aan deze uitspraak van de Antilliaanse premier Pourier is in het debat over de drugskoeriers opvallend weinig aandacht besteed. In feite legt hij er de vinger bij dat er in de ophef van de afgelopen weken ook veel dubbels zit, gezien de acceptatie van drugsgebruik, de dubieuze reputatie van Nederland en onze dubbelhar-tige gedooghouding. En daarom vraag ik de minister toch maar eens wat hij van deze stelling van Pourier vindt.

Intussen is er wel een serieus probleem. In augustus liep ik twee dagen mee met het Schipholteam en heb ik met eigen ogen zowel de problemen als de successen in de aanpak van de bolletjesslikkers kunnen aanschouwen. De problemen zitten onder andere in het selecteren van verdachte personen en bagage, de voortdurend wijzigende strate-gieën van de smokkelorganisaties en de risico’s bij de slikkers. De successen bestaan in het pakken van de veelal jonge en werkloze koeriers, de ’’pakezels’’, aan wie door de grote jongens op de Antillen gouden bergen zijn beloofd en die enorme risico’s nemen en dan op Schiphol hun droom uiteen zien spatten. Niemand die daar een traan om laat; voor ieder van hen tien anderen. Ik wil hier niet overdreven weekhartig over doen: wie zich laat overhalen om tegen beloning cocaïne te smokkelen moet als hij tegen de lamp loopt de gevolgen dragen. Tegelijk is het zaak het grotere verband van de maffiajongens die het grote geld vangen en zelf buiten schot blijven, niet uit het oog te verliezen, temeer daar er niet zelden sprake is van bedreiging en dwang en de keuze tussen slikken of stikken harde werkelijkheid is. Niet alleen de kilo’s en de kleine jongens moeten worden aangepakt, maar ook de kerels die het organiseren. Anders gezegd: dweilen op Schiphol is niet verkeerd, mits het gepaard gaat met het dichtdraaien van kranen op de Antillen. Dit debat gaat erover dat er bij dat dweilen dingen goed fout zijn gegaan. Onze grootste moeite zit niet in bepaalde incidenten, wel in het feit dat ten aanzien van de drugskoeriers op Schiphol een beleid lijkt te zijn ontwikkeld van: laten lopen, terughoudend controleren, zelfs een instructie van zo min mogelijk aanhoudingen. Dat kan niet, dat is de wereld op z’n kop. Die situatie is absoluut ongewenst, in strijd met het rechtsgevoel en buitengewoon demotiverend en frustrerend voor de medewerkers. Er moeten direct maatregelen worden genomen en de Kamer moet op de hoogte worden gesteld en gehouden. Dat is veel te laat gebeurd.

Dat brengt mij bij de minister, die immers verantwoordelijk is voor het opereren van het OM en het informeren van de Kamer. Kortheidshalve sluit ik me aan bij alle gestelde vragen over wanneer hij precies wat wist. Duidelijk is wel dat de minister weinig blijk van heeft gegeven van besef van urgentie en dat zijn veelgeprezen politieke antenne kennelijk tijdelijk niet goed heeft gefunctioneerd. Pas nadat de minister-president duidelijke taal was gaan spreken en – onder druk van de publieke opinie – zelfs de VVD-fractie zich in enkele dagen had bekeerd tot een woordkeuze die zij eerder had afgedaan als verkiezingsretoriek van andere partijen, liet de minister zijn laconieke houding varen. Ik denk zelfs dat het beslissende duwtje van nog heel andere zijde kwam: partijvoorzitter Eenhoorn van de VVD eiste dat minister Korthals, tevens kandidaat-Kamerlid, daden liet zien. Nu heb ik al grote bezwaren tegen de huidige verklontering van verantwoordelijkheden van regering en parlement, maar het is helemaal te gek voor woorden dat bewindslieden zich laten aansturen door partijbestuurders met het oog op hun plaats op de kandidatenlijst en hun rol in de campagne. Ook voor deze minister geldt het adagium: hoe dichter bij de troon, hoe minder partijman.

Nu ligt er dan een plan van aanpak. Dat plan is er laat gekomen, maar het is veelomvattend. Het is niet mogelijk en ook onverantwoord om in een paar minuten zomaar groen licht te geven voor alle voorgestelde maatregelen. Daarom nu slechts enkele vragen en kanttekeningen bij onderdelen waarbij ik aarzelingen heb. Eerst vraag ik of de minister zelf alle maatregelen wel acceptabel vindt; of zijn ze hem min of meer opgedrongen? Dat lijkt een rare vraag, maar de minister had gisteren zoveel begrip voor de forse kritiek van enkele hoogleraren, dat zijn overtuigingskracht met betrekking tot de huidige voorstellen bepaald niet is toegenomen. Eerder heeft hij te kennen gegeven, weinig of niets te zien in een aantal van de nu voorgestelde maatregelen.

Terecht is er in het plan van aanpak aandacht voor intensivering van de samenwerking met de Antillen en verbetering en uitbreiding van de personele en materiële middelen. Wel is er gerede twijfel mogelijk aan de haalbaarheid van het binnen vier maanden realiseren van 100% controles op alle uitgaande vluchten. Hoe realistisch is dit volgens de minister? Zijn de maatregelen op het personele en materiële vlak hiervoor voldoende? Voorts is het essentieel dat we ons niet alleen op Curac¸ao richten. We weten inmiddels dat het de douane op Sint Maarten aan vrijwel alles ontbreekt: nachtkijkers, boten, goede communicatieapparatuur enz. Er is bijna niets. Probeer dan maar eens je controlerend werk te doen! Wil de aanpak sluitend zijn, dan mogen de Bovenwindse Eilanden niet vergeten worden. Graag krijg ik die verzekering.

Voorzitter. De uitbreiding van het Schipholteam steun ik uiteraard. Wel vraag ik mij af waar die mensen vandaan moeten komen. Ik mag hopen dat het uiteindelijk gaat om een structurele uitbreiding van de douane en niet alleen om een verschuiving van personeelscapaciteit. Immers, in het laatste geval zal het beruchte ’’waterbed-effect’’ ook daar optreden en treedt er geen verbetering van de situatie op, maar slechts een verplaatsing van problemen.

Van de maatregelen betreffende de celcapaciteit stuit in elk geval het vervroegd heenzenden van gedetineerden – in verhullend taalgebruik: ’’toepassing van IVO’tjes’’ – bij ons op bezwaren. Zoals ik in het interpellatiedebat van vorige maand al zei, is dat echt het ene gat stoppen met het andere. Verder zijn er nogal wat vragen te stellen over de voorgestelde ’’groepsopsluiting’’. De eerste berichten hierover uit Utrecht en Schiphol zijn bepaald niet geruststellend. Wat is de reactie van de minister op de berichten die vanochtend zijn verschenen? Acht hij het denkbaar dat dit op termijn ook voor andere categorieën verdachten of gedetineerden kan gaan gelden? Zo neen, dan vraag ik mij af waarin nu precies bolletjesslikkers zo verschillend zijn dat het hier wél kan.

Nadere berichten over het verlenen van opsporingsbevoegdheden aan militairen wacht ik af, maar ik ben daar vooralsnog sceptisch over, evenals over de inzet van defensiepersoneel of particuliere beveiligingsdiensten voor bewakingstaken, recent nog door de heer Niederer in de krant ’’een bespottelijk idee’’ genoemd.

Ten slotte krijg ik graag meer informatie over de gezondheidsrisico’s en de benodigde expertise voor het beheer en de bewaking van de voorziene 90 mobiele ’’slikkers-cellen’’. Voorzitter. Wij gaan niet zomaar akkoord met het voorstel om lagere straffen tegen drugskoeriers te eisen en om de bevoegdheden van de politierechter te verruimen.

De voorzitter: Ik ga ervan uit dat alle leden inmiddels beschikken over de brief over de heenzendingen die van het ministerie van Justitie is ontvangen. Mij blijkt dat mijn veronderstelling juist is.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik wijs erop dat wij niet de brief hebben gekregen waarom wij hebben gevraagd.

De voorzitter: Ik stel voor dat wij hierover nader spreken nadat de heer Van Oven het woord heeft gevoerd.

©

De heer Van Oven (PvdA): Mevrouw de voorzitter. Ik behoef niet alle gebeurtenissen die zich met betrekking tot deze kwestie hebben afgespeeld, te herhalen om vast te stellen dat de situatie op Schiphol met name in december 2001 gierend uit de hand is gelopen en dat de Nederlandse rechtsstaat een forse deuk heeft opgelopen die moeilijk valt uit te leggen aan overtreders van lichtere strafbare feiten, die wé l worden gestraft, en aan de overgrote meerderheid van wetsgetrouwe burgers die al helemaal niet begrijpen wat er toch aan de hand is. De overheid faalt op deze manier in de effening van de rechtsstaat, terwijl er ook internationale consequenties zijn omdat Nederland zijn verplichtingen heeft in het kader van de bestrijding van de handel in harddrugs, zulks op grond van verschillende verdragen. Dat betekent dat het probleem van de import van drugs via de vliegvelden voor ons land groter wordt, omdat het gebrek aan effectieve opsporing een dynamisch effect heeft op de toestroom van koeriers. De regering moet er alles aan gelegen zijn om deze situatie zo spoedig mogelijk op orde te brengen, met structurele en helaas ook met noodmaatregelen. De fractie van de PvdA onderstreept de uitlatingen van de minister-president op 11 januari. Hij vroeg aandacht voor de urgentie van die maatregelen. Vandaar, dat wij nu eerst aandacht besteden aan dat plan van aanpak, om te vervolgen met opmerkingen over de oorzaken. Een herhaling van de situatie van december kunnen en willen wij ons niet veroorloven.

Het plan van aanpak dat de minister heeft ingediend oogt robuust en drastisch. Het bestaat uit twee sporen, hetgeen op zichzelf volstrekt juist is. Als het lukt de toevoer drastisch te beperken, hebben wij een hoop problemen minder met de afvoer.

Het eerste spoor dat de minister schetst, is op voorkó men gericht. Het is het kwetsbaarst. Vooral op de Nederlandse Antillen bestaat een noodsituatie in de justitiële keten die de situatie op Schiphol in feite verre overtreft. Dat geldt voor de douane, waarover ook nog weer het bericht van Trouw deze morgen kwam, de politie, het gevangeniswezen – een groot aantal cellen wordt niet gebruikt omdat er te weinig bewaarders zijn – en de opsporingsmiddelen. In dat verband vraag ik of de ’’mole’’, ter beschikking gesteld door de minister van Defensie, inmiddels is geplaatst. Kan hij voorts bevestigen dat twee in het kader van de technische bijstand door Nederland beschikbaar gestelde toiletten voor bolletjesslikkers al maandenlang niet ingeklaard konden worden, omdat de benodigde invoerrechten niet zouden zijn betaald. Er zal op de Antillen echt een enorme inhaalslag moeten worden gemaakt. Het is de vraag hoe realistisch het is om binnen vier maanden een 100% controle op uitgaand verkeer te verwachten.

De fractie van de Partij van de Arbeid realiseert zich dat de Nederlandse regering het succes van het eerste spoor niet in eigen hand heeft. Daarvoor moet worden samengewerkt met de regeringen van de Antillen en van Aruba. Hoe wordt van hieruit het slagen van dat spoor bevorderd? Het verslag van het tripartiete overleg van 3 januari is daarover summier. Komt het ongelooflijk belangrijke TWIN-project, dat erop gericht is om de achterliggende organisaties op te sporen, nu pas van de grond? Was niet beoogd om het al veel eerder resultaten te laten boeken?

Wij hebben in het Koninkrijk al vijf jaar een recherchesamenwerkings-team, bedoeld voor grensoverschrijdende georganiseerde misdaad. Nederland betaalt daaraan tien miljoen gulden per jaar. Waarom is dat nooit voor deze problematiek ingezet? Als dat wel is gebeurd, waarom hebben wij dat niet gemerkt? Sedert twee jaar bestaat er een gemengde werkgroep luchthavens van de drie landen van het Koninkrijk. Wat heeft die werkgroep tot nu toe bereikt?

Nog wezenlijker dan een 100% controle op de luchthaven Hato en ook op Aruba, voor wat betreft het uitgaand verkeer, is de afscherming van die eilanden tégen de drugsinvoer. Dat is natuurlijk niet eenvoudig voor eilanden die een groot aantal baaien hebben, op korte afstand van het continent. Toch is het de vraag of de kustwacht, ook alweer een organisatie van het Koninkrijk, met in 2000 een opsporingsresultaat van 4500 kilogram harddrugs, effectief genoeg is. Moet niet meer aandacht daaraan worden besteed?

Het tweede spoor is de uitbreiding van controlerend, opsporend, vervolgend en berechtend personeel. Dat is prima; mijn fractie gaat daarmee akkoord. Wij komen ongetwijfeld nog te spreken over de invulling daarvan. Aan de invoering van de bijzondere noodcapaciteit en dus ook de noodwet valt wat mijn fractie betreft niet te ontkomen, zeker niet zolang de aantallen koeriers nog slecht voorspelbaar zijn en het succes van het eerste spoor onzeker is. Hieromtrent moet wel buiten kijf staan dat het sobere regime dat voor de noodcapaciteit door de minister wordt voorgesteld, niet strijdt met de verplichtingen die wij op grond van mensenrechtenverdragen hebben. De plaatsing van meerdere personen in een celachtige ruimte moet ook bij wijze van noodmaatregel worden aanvaard. Er is dus geen sprake van dat de PvdA voor het gewone detentiesysteem akkoord zal gaan met een uitbreiding tot meerdere mensen in een cel. Daarvoor is de interne veiligheid te kwetsbaar. Ook wat de noodcapaciteit betreft, zal de interne veiligheid moeten worden gewaarborgd omdat gedetineerden geen gevaar voor elkaar of voor de bewaarders mogen vormen. Het is verstandig om de bewaking niet uit het gewone penitentiaire personeel te rekruteren. Daar zijn problemen genoeg. Wel blijft het de vraag of, wanneer dit door het leger – en het liefst door marechaussee of particuliere bewakingsdiensten – geschiedt een behoorlijke korte opleiding kan worden verzekerd. Het regime moet het gewone regime zoveel mogelijk benaderen en er moet naar worden gestreefd met name afgestraften zo snel mogelijk naar de gewone gevangenissen te laten doorstromen. De noodmaatregelen behoren zo snel als de reguliere capaciteit is opgebouwd weer te verdwijnen. Het blijven noodmaatregelen.

In het plan van aanpak wordt de mogelijkheid opengelaten om de noodregeling ook op dezelfde manier voor minderjarigen te laten gelden. Daar voelt mijn fractie bijzonder weinig voor. Het is de vraag of dit nodig is en of dit in verhouding staat tot het Verdrag voor de rechten van het kind. Uit de criminaliteitsbeeldanalyse die wij vanmiddag kregen, blijkt dat het om een bijzonder kleine groep minderjarigen gaat. Ik vraag de minister hiervoor een uitzondering te maken.

Natuurlijk wordt de noodwetgeving nog apart behandeld. Wij komen daarop nog terug alsmede op de gevolgen voor het OM en de rechterlijke macht die niet onaanzienlijk zullen zijn voor alle tijdelijke voorzieningen daaromtrent. De PvdA zal de minister daarbij van zeer nabij volgen. Verder vragen wij om een periodieke rapportage. In het bijzonder zullen wij de ontwikkelingen toetsen aan de indiening en behandeling van de noodwet, zoals aangekondigd, het halen van de uitbreiding van cel- en bewaarderscapaciteit, de ontwikkeling in de richting van een weer gewone situatie en vooral het niet meer wegzenden van personen die verdacht worden van drugssmokkel op Schiphol.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik wachtte even met mijn interruptie omdat de heer Van Oven nader inging op een aantal maatregelen in het kader van het tweede spoor op Schiphol en daarna. Een aantal maatregelen voor dat tweede spoor zijn voor de PvdA-fractie noodvoor-zieningen. Tegelijkertijd is de heer Van Oven somber over de mogelijkheden om het eerste spoor te realiseren. In hoeverre zijn de noodmaatregelen waarmee hij akkoord wil gaan mede afhankelijk van het welslagen van het eerste spoor? Als het eerste spoor niet lukt, is de kans dat een noodmaatregel in een definitieve maatregel verandert erg groot.

De heer Van Oven (PvdA): Dat verband is er zeker. Het is absoluut waar dat naarmate het eerste spoor meer succes heeft, sneller noodwetgeving achterwege kan blijven of kan worden afgeschaft. Als het eerste spoor geen of te langzaam succes oplevert, dan zal dat Nederland dwingen tot het uitbreiden van de reguliere capaciteit zodat uiteindelijk de noodwetgeving overbodig wordt. Dat neemt niet weg dat ik met de minister uit alle kracht wil streven naar het slagen van het eerste spoor. Daar hebben alle partijen, ook de Antillen en Aruba zelf, baat bij.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Daar zijn wij het snel over eens, maar ik ga even door op die situatie. Als dit niet binnen de gegeven termijnen van de grond komt en de instroom van cocaïnesmokkelaars op een onverantwoord hoog niveau blijft, vindt de PvdA-fractie ook dan dat die maatregelen – waaraan zij nu goedkeuring wil geven – niet structureel kunnen worden en dat moet worden overgegaan tot reguliere voorzieningen?

De heer Van Oven (PvdA): Dat hebt u goed begrepen. Wij willen dat dit zo snel mogelijk overbodig wordt.

De heer Dittrich (D66): Ik kan mij herinneren dat uw fractievoorzitter en partijleider Melkert gezegd heeft: zero tolerance; wij vragen de garantie van de minister dat geen heenzendingen meer worden toegestaan. Vindt u dat een reële vraag? Is het voor een minister van Justitie mogelijk om de garantie te geven dat nooit meer een heenzending zal plaatsvinden?

De heer Van Oven (PvdA): Ik vind het een reële vraag. Er zijn daaromtrent schriftelijke vragen aan de minister gesteld. Toen heeft hij geantwoord dat dit ook de beleidslijn of het uitgangspunt is, maar dat er ook ontwikkelingen waren die hij niet kon voorzien. Wij allen weten dat er een situatie van absolute overmacht kan komen. Ook de heer Melkert heeft zich daarover uitgelaten, zeggende dat het dan aan de minister van Justitie is om dat aannemelijk te maken. Dat is ook de gebruikelijke procedure. Het moet vaststaan dat de vaste beleidslijn van het openbaar ministerie is en blijft, dat geen mensen met of zonder dagvaarding worden weggestuurd.

De heer Dittrich (D66): Ik begrijp dat zero tolerance betekent: niet, maar soms zijn er uitzonderingen.

De heer Van Oven (PvdA): Nee. Het betekent niet, in ieder geval niet voorzover dat in de macht of binnen het bereik van de minister van Justitie ligt.

De heer Dittrich (D66): Maar dat is dan toch geen 100% garantie?

De heer Van Oven (PvdA): Het is een 100% garantie in die zin dat de minister daarbij doet wat hij kan. Daar verwachten wij 100% van.

De heer Dittrich (D66): Dat is dan 100% inzet. Dat is iets anders dan een 100% resultaatsverbintenis.

De heer Van Oven (PvdA): Daarover verschillen wij van mening. Als het niet lukt, is het aan de minister van Justitie om aan te tonen dat die inbreuk op de gedragslijn zich buiten zijn macht of verantwoordelijkheid heeft afgespeeld. Dat is voorstelbaar in een situatie van volstrekt onverwachte absolute overmacht. Dat is heel wat anders dan wat voortdurend dreigt, namelijk dat de toestroom zo toeneemt dat de capaciteit onvoldoende is en men nu en dan toch weer mensen gaat heenzenden. Dat laatste is funest voor de afschrikkende werking die het hele systeem kan hebben.

De heer Dittrich (D66): Ik concludeer dat u in dit debat de woorden van de heer Melkert toch wat afzwakt.

De heer Van Oven (PvdA): Ik denk dat u daarin geen gelijk heeft, maar wij horen straks nog de reactie van de minister, met name op dit punt.

De heer Rietkerk (CDA): Uw antwoord over die 100% is duidelijk. U wilt die heenzendingen niet; dat kan niet naar uw idee. In de net uitgedeelde brief, die ik onthutsend vind, wordt gesproken van 48 verdachten die vanaf 31 juli zijn heengezonden voordat zij bij de rechter kwamen. In het debat van 12 december sprak de minister nog van 7 mannen en 5 vrouwen, onder wie 7 drugskoeriers. Nu krijgen wij nieuwe informatie: het gaat om 48 in een halfjaar. En dan heb ik het nog niet eens over de mensen die wel in de cel zitten, maar die vervroegd worden heengezonden. Dan gaat het misschien over 100, 200 of misschien wel meer. Mijn vraag gaat over de 48 verdachten die kennelijk zijn heengezonden. U vindt dat dus 48 keer te veel.

De heer Van Oven (PvdA): Absoluut. Ik ben ook, met u wellicht, geïnteres-seerd in het antwoord van de minister over hoe dat allemaal zo heeft kunnen plaatsvinden, ook in afwijking van datgene wat hij in het debat op 12 december heeft verklaard.

Ik kom dan op de brief van 14 januari van de minister, die een beschrijving geeft van de ontwikkelingen en de acties die in het verleden hebben plaatsgevonden. Dan doel ik op de goederenscan, de actie in september, de brieven van de staatssecretaris van Financiën en de brief van de hoofdofficier van justitie van 3 december. Op 19 december heeft de minister daarover gesproken met het college van PG’s. Op 3 januari is die aanpak besproken op de Antillen en Aruba. Op 5 januari volgt dan als het ware de publiciteit. De beschrijving van die ontwikkelingen is in ieder geval in zoverre onbevredigend, dat niet blijkt waarom niet eerder is ingegrepen. Dan kun je weer al die momenten traceren. Ik wijs er ook nadrukkelijk op dat de staatssecretaris van Financiën zich twee keer in waarschuwende zin in de richting van Justitie heeft uitgelaten. Ook in de brief van 3 december van de hoofdofficier van justitie van Haarlem stond geen woord Frans. Het is zeer de vraag of er in het verleden voldoende actie is ondernomen in de richting van de Nederlandse Antillen en Suriname, waarbij ik verwijs naar de brief van de douanefunctionarissen daar uit 1999. Dat wekt twijfel over het functioneren van het tripartiete overleg van de ministers van Justitie van het Koninkrijk. De volgende vraag is natuurlijk of de minister de Kamer niet op 12 december hetzij tijdens het debat duidelijker en uitgebreider, hetzij daarna op eigen initiatief had kunnen informeren. Verder is de vraag of de minister door zijn eigen ministerie en het OM voorafgaand aan 3 december voldoende van de dreigende ontwikkelingen op de hoogte is gesteld, om daarmee te kunnen manoeuvreren.

De heer Rietkerk (CDA): Vindt de heer Van Oven dat de Kamer, gelet op de door hem naar voren gehaalde zaken, onvoldoende is geïnformeerd?

De heer Van Oven (PvdA): Ik heb al eerder buiten dit gebouw gezegd, en ik herhaal dat graag, dat ik vind dat dat omfloerst is gebeurd. Al eerder is hier opgemerkt dat het verweer dat het om een drieminutendebatje ging, niet opgaat. Maar ik moet wel toegeven dat de minister van Justitie er iets over heeft gezegd, en wel aan het eind van het debat. Daar is vervolgens niemand op ingesprongen. De formulering was ook zodanig dat het daartoe niet uitnodigde. Dat had de minister er wellicht toe kunnen brengen, na dat debat op eigen initiatief met berichtgeving daarover te komen. Ik ben bijzonder benieuwd om van hem te horen waarom hij dat niet heeft gedaan.

De heer Rietkerk (CDA): De conclusie is: de minister heeft dat niet gedaan, niet tijdens het debat, en ook niet daarna via een brief, terwijl de brief van het OM van 3 december bekend was, waarin ’’onaanvaardbaar’’ staat. Ook staatssecretaris Bos heeft een brief geschreven, niet één keer in december, maar zelfs al een half jaar eerder, in juni, waarin de alarmbel wordt geluid. Bent u niet met mij en anderen in dit huis van mening dat wij hetzij tijdens het debat, hetzij erna schriftelijk, onvoldoende zijn geïnformeerd?

De heer Van Oven (PvdA): Ik heb net gezegd dat ik mij dat goed kan voorstellen. Ik heb gevraagd waarom het niet is gebeurd. Ik wacht met bijzonder veel belangstelling het antwoord van de minister af, voordat ik mijn conclusie aan u en de rest van de leden voorleg.

De heer Rietkerk (CDA): PvdA-leider Melkert heeft zich ook in het debat gemengd en letterlijk gezegd: ik vind dat de minister wat meer open kaart had moeten spelen. Wordt daarmee niet indirect gesuggereerd dat de minister niet volledig is geweest in zijn informatie?

De heer Van Oven (PvdA): Ja, hij had dat inderdaad kunnen doen. Maar ik wil zijn beweegredenen weten. Het heeft weinig zin, te gaan speculeren op zijn antwoorden. Daarbij kunnen overwegingen, op de zaak zelf betrekking hebbend, van belang zijn geweest. Ik hoor hem dat graag zeggen.

De voorzitter: Ik stel voor dat wij het antwoord van de minister afwachten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Een correcter vertaling van ’’omfloerst’’ is volgens mij ’’verhul-lend’’. Vindt u dat de minister de Kamer verhullend mag informeren?

De heer Van Oven (PvdA): ’’Omfloerst’’ kan ook ’’verhuld’’ betekenen, wat afhankelijk is van de intentie waarmee het is gedaan. Ik zou graag het antwoord van de minister afwachten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Van welke intentie ging u uit toen u het woord gebruikte? Het is namelijk een veelzeggend woord.

De heer Van Oven (PvdA): Ik ben eerlijk gezegd op dat ogenblik niet zo alert geweest dat ik mij dat onmiddellijk heb afgevraagd. Zo ja, dan zouden wij daarover wellicht onmiddellijk vragen hebben gesteld. Niemand in deze Kamer heeft dat echter gedaan.

Ik kom toe aan de brief van de minister van 18 januari inzake het uitblijven van arrestaties. Daarbij is sprake van een aantal ernstige gevallen. Er zijn tussen 11 en 31 december 11 drugkoeriers met of zonder dagvaarding heengestuurd. Hoe kwam het dat men op 24 en 31

december die verdachten niet aan het Schipholteam kon overdragen? Was dat team toen niet aanwezig? Dat zou een tamelijk ernstige zaak zijn. Mijn commentaar is dat de weergegeven gevallen de onmogelijke situatie die op Schiphol was gegroeid en de spanningen waartoe dat aanleiding had gegeven, illustreren. Van een flexibel samenwerkende driehoek douane, marechaussee en OM was geen sprake. De minister van Justitie is daar zeker in de eerste plaats voor verantwoordelijk. De heer Dittrich heeft al gezegd dat als er eerder actie was ondernomen, de situatie misschien was voorkomen. Het gebrek aan mensen en middelen valt de betrokkenen niet aan te rekenen. Zeker niet na de noodkreten die daarover eerder waren uitgegaan. Van het wegsturen van de laatste 7 gevallen door de douane zonder raadpleging van het OM, moet worden vastgesteld dat het formeel niet in orde was. In het licht van de hele gang van zaken is het echter wel begrijpelijk dat het zo is gegaan. Het heeft mijn fractie verbaasd dat de minister van Justitie op zijn persconferentie heeft gesproken over disciplinaire straffen tegen de betrokkenen, terwijl hij daar niet over gaat en hij er in zijn brief van 18 januari niet over had gerept.

Hoe verhoudt zich de gang van zaken in december met het interpellatiedebat op 12 december? Wat bedoelde de minister tijdens de interpellatie precies met de zeven heenzendingen van mannelijk drugskoeriers uit verzekerde bewaring? Waren zij verdachten met een bekende woon- of verblijfplaats in Nederland? Zijn zij uiteindelijk op de zitting waarvoor zij waren uitgenodigd, verschenen? Het is overigens wrang dat vrijwel op hetzelfde ogenblik dat de minister sprak over die 7 heenzendingen, er nog eens 2 nieuwe gevallen op Schiphol werden weggestuurd. Ik neem aan dat hij daarmee niet bekend was toen hij zijn uitspraken deed. Voor de volledigheid vraag ik hem dat toch.

Het voorlopige oordeel de PvdA-fractie is dat de toestroom van drugskoeriers vooral extern is bepaald. Deze toestroom is ook niet jaren vooruit te voorspellen, maar er waren wel trends te ontwaren. Op basis daarvan is er niet snel genoeg ingegrepen, zowel naar buiten als naar binnen. Pas toen de zaak uit de hand was gelopen, na 3 december, kwam de minister in actie.

De PvdA-fractie zal de uitvoering van het plan van aanpak zeer nauwkeurig volgen. Wat ons betreft mag er geen enkele drugskoerier meer worden weggestuurd. Wij willen ook graag dat het noodplan zo snel mogelijk wordt ingediend. Daarbij moet met name de interne veiligheid van de betrokkenen worden gewaarborgd. Wij zijn bereid om de noodwetgeving snel te behandelen, maar zullen deze wel bijzonder kritisch bekijken.

De heer De Wit (SP): De heer Van Oven heeft gisteren nog laten weten dat de inzet van dit debat is of er voldoende vertrouwen is in het plan van aanpak van de minister. Ik neem aan dat hij eerst het antwoord van de minister wil horen. Zijn fractievoorzitter heeft echter al open en bloot verklaard dat hij geen vertrouwen heeft in de leiding van deze minister. Deelt de heer Van Oven de mening van zijn fractievoorzitter? Dat zou al gelijk duidelijkheid geven ten aanzien van de inzet van dit debat.

De heer Van Oven (PvdA): Ik heb de heer Melkert niet horen verklaren dat hij geen vertrouwen meer heeft in deze minister. Wel heb ik hem een aantal kritische opmerking horen maken, wat ik zelf in dit debat ook heb gedaan. Verder heb ik hem het belang van het plan van aanpak horen benadrukken; ik heb dat ook gedaan. Als een dijk breekt, moet je eerst zandzakken aanslepen om de watervloed te keren. Daarna is pas de vraag aan de orde hoe het komt dat die dijk is gebroken.

De heer De Wit (SP): In het NRC Handelsblad van 17 januari zegt de heer Melkert dat hij heeft vastgesteld dat er bij Justitie gebrek is aan iemand die de hele organisatie één kant op laat kijken. Vervolgens zegt hij met betrekking tot het aan de orde zijnde onderwerp dat er veel eerder had moeten worden gepland. Verder is de minister volgens hem te volgend en te passief. Dat zijn drie opmerkingen van uw fractievoorzitter over de heer Korthals. Bent u het daarmee eens en, zo ja, welke conclusies verbindt u daaraan?

De heer Van Oven (PvdA): Dat zijn allemaal voorlopige oordelen die ik zeker deel, maar nu is de vraag aan de orde of wij voldoende vertrouwen hebben in deze minister van Justitie om het plan van aanpak uit te voeren. Daarover zal ik in tweede termijn een definitief oordeel geven, als de minister van Justitie onze vragen heeft beantwoord.

De heer Niederer (VVD): U vindt dat de noodwetgeving van zeer tijdelijke aard moet zijn. Hoe eerder die weer kan worden afgeschaft, hoe beter. Tegelijkertijd houdt u vast aan de eis van de min of meer 100% garantie dat er niet heengezonden wordt. Betekent dit dat u bereid bent om na ommekomst van het jaar de noodwetgeving te verlengen terwijl er toch nog een kans is op heenzendingen? Wanneer wilt u de verantwoordelijkheid nemen om de noodwetgeving af te schaffen? Wat is voor u het ijkpunt? Ik denk dat die noodwetgeving in uw filosofie nooit kan worden ingetrokken.

De heer Van Oven (PvdA): Ik wil graag mijn verantwoordelijkheid nemen, maar dan wel op een daarvoor geschikt moment. Verlenging is pas aan de orde een jaar na de invoering van de noodwetgeving.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De vergelijking met de dijkdoorbraak is aardig, maar volgens mij niet correct. Er zat namelijk al een tijd een gat in de dijk en de minister wist dat. Hij heeft echter zijn vinger niet in dit gat gestoken. Dat is volgens mij het probleem. Wij bediscussiëren nu of wij de minister dat nadragen en, zo ja, in welke mate wij dat doen.

Uw partijleider heeft een heleboel dingen gezegd, bijvoorbeeld dat minister Korthals mag blijven zitten. Hoeveel ruimte heeft u gezien die uitspraak eigenlijk nog om de minister te beoordelen op zijn laksheid gedurende de afgelopen anderhalve maand?

De heer Van Oven (PvdA): Het valt op dat de uitspraken van de heer Melkert blijkbaar tot heel verschillende interpretaties in de Kamer kunnen leiden.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Hij heeft heel verschillende uitspraken gedaan.

De heer Van Oven (PvdA): Wat mij betreft staat voorop dat de minister van Justitie het vertrouwen wekt dat hij het plan van aanpak kan uitvoeren. Wij zullen daarover oordelen als hij heeft geantwoord. Dan komt pas het finale oordeel van de PvdA-fractie over zijn positie, die daar niet van los valt te zien. Wij hebben hier te maken met een heel ernstige zaak die snel en goed verholpen moet worden. Daar zijn wij het allemaal over eens. Voor de PvdA-fractie staat het herstel voorop. Daarbij heeft de minister van Justitie in zijn algemeenheid de eerste verantwoordelijkheid.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De minister vlucht naar voren en komt met een plan van aanpak dat u te drastisch noemt. Maar omdat hij met een plan van aanpak komt, is controle over het handelen in het verleden voor uw fractie dus niet meer noodzakelijk?

De heer Van Oven (PvdA): Dat heeft u geheel verkeerd begrepen. Dat blijft natuurlijk ook aan de orde, maar daarbij is wat hij inmiddels heeft gedaan, ook al is dat laat, wel degelijk van belang.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

©

Minister Korthals: Mevrouw de voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng en de vragen die zij mij hebben gesteld. Alvorens deze vragen te beantwoorden, zal ik eerst ingaan op een aantal algemene noties ten aanzien van de cocaïneproblematiek. Daarna zal ik iets zeggen over de situatie op Schiphol en de maatregelen die in de afgelopen periode zijn getroffen om de illegale import van cocaïne te bestrijden. Vervolgens zal ik uitgebreid ingaan op de vragen of ik voldoende adequaat ben opgetreden met betrekking tot dit dossier. Ik zal de Kamer informeren over de actuele situatie op Schiphol, waarna ik overga tot de beantwoording van de vragen over het plan van aanpak.

In weerwil van de wetgeving van alle staten komt jaarlijks een grote hoeveelheid cocaïne Europa op illegale wijze binnen. Ook de heer Rouvoet begon zijn betoog daarmee. Vele burgers gaan kennelijk voorbij aan de schadelijke gezondheidseffecten van het gebruik van de harddrugs. Dit leidt tot een vraag naar cocaïne die het aantrekkelijk maakt voor goed georganiseerde criminele organisaties om daaraan op illegale wijze te voldoen. Productie en distributie van cocaïne zijn de kerntaken geworden van deze organisaties naast het beheer, in casu het witwassen van grote sommen geld die met deze activiteiten wereldwijd worden verdiend.

Productie van de grondstoffen voor cocaïne vindt plaats in gebieden op de wereld waar de lokale bevolking voor een leefwaardig bestaan vaak afhankelijk is van het geld dat zij daarmee kunnen verdienen. Distributie vindt plaats via vrachtlijnen en door koeriers. Deze mensen worden geronseld door de criminele organisaties om de drugs te transporteren voor een in onze ogen betrekkelijk gering bedrag dat voor hen echter vaak een enorme waarde vertegenwoordigt.

Cocaïne komt vrijwel uitsluitend uit Latijns-Amerika, te weten de landen Colombia, Bolivia en Peru. Doorvoer naar Europa vindt plaats via Midden-Amerika waaronder Suriname. Ongeveer 65% van de cocaïne komt via de Caraïben naar Europa, met name via Nederland, Engeland en Spanje. Ongeveer een kwart van de koeriers naar Nederland transporteert de cocaïne door middel van bolletjes die zij hebben ingeslikt. Het overige deel probeert de drugs op de een of andere manier Nederland binnen te smokkelen. In het laatste geval gaat het vrijwel altijd om koeriers met de Nederlandse nationaliteit. Het merendeel van hen is afkomstig uit de Nederlandse Antillen.

Bij de slikkers is dit anders. Het gaat dan bijvoorbeeld om Nigeria-nen, Brazilianen, Venezolanen, Ghanezen, Mauretaniërs en Zuid-Afrikanen. Het zijn veelal mensen afkomstig uit landen waar grote armoede heerst. Het zijn mensen die naar hun maatstaven een klein fortuin kunnen verdienen door ingeslikte bolletjes naar Nederland te smokkelen. Als deze mensen al in staat zijn, een calculerende afweging te maken, nemen zij het risico gepakt te worden voor lief, gezien het geld dat zij daarmee kunnen verdienen. De criminele organisatie kan intussen rekruteren uit een vrijwel onuitputtelijke voorraad koeriers.

Vandaag staat de drugshandel en de drugssmokkel via Schiphol centraal. Schiphol wordt sinds jaar en dag geconfronteerd met illegale invoer van drugs, verstopt in vracht en via koeriers.

In de afgelopen jaren zijn voorzieningen getroffen om deze praktijken op te kunnen sporen. Voor de vrachtlijn is in oktober 2000 een zogenaamde containerscan in gebruik genomen, die vracht kan doorlichten op de aanwezigheid van illegale goederen waaronder drugs. Daarnaast zijn binnen het arrondissementsparket Haarlem voorzieningen getroffen om aangehouden verdachten zo snel en efficiënt mogelijk door te geleiden en te berechten. Op Schiphol is speciale celcapaciteit gerealiseerd. Het openbaar ministerie heeft de beschikking gekregen over een nevenvestiging op de luchthaven.

De controle van de invoer van drugs via het personenvervoer geschiedt in de eerste plaats door de douane. Sinds 1993 bestaat er daarnaast het zogenaamde Schipholteam: een samenwerkingsverband van douane en Koninklijke marechaussee. De opsporingsactiviteiten van het Schipholteam vinden plaats onder het gezag van het openbaar ministerie te Haarlem. Vorig jaar werd een duidelijke toename van het probleem van de drugskoeriers gesignaleerd. Werden in 1999 nog gemiddeld 50 koeriers per maand aangehouden, in 2001 was dit aantal verdubbeld en aan het eind van dat jaar was dat aantal bijna verdriedubbeld.

De controle op verdovende middelen via de vrachtlijnen vindt plaats door het Hark-team. Dit team is een samenwerkingsverband van de Koninklijke marechaussee, de douane en de FIOD, dat ook de opsporingsactiviteiten uitvoert onder het gezag van het openbaar ministerie te Haarlem. Na de ingebruikneming van speciale scanapparatuur is er sprake van een scherpe daling van het aantal vangsten in het vrachtvervoer. Tegelijkertijd is een stijging te zien van het aantal mensen die met drugs proberen te koerieren.

Als gevolg van de toenemende inzet van drugskoeriers is de druk op het handhavingsapparaat op Schiphol de afgelopen anderhalf jaar gestaag opgelopen. Aanvankelijk is tot het uiterste gepoogd om met conventionele middelen en met gebruikmaking van de flexibiliteit die in elke organisatie zit, de geleidelijk stijgende instroom te bestrijden. Dan is er een moment dat duidelijk wordt dat nog slechts drastische maatregelen het tij kunnen keren. Daartoe is het plan van aanpak uitgebracht. Ik kom daar dadelijk over te spreken.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): De minister maakt tussen neus en lippen door een opmerking over de verantwoordelijkheid voor het Schipholteam, waarin Koninklijke marechaussee en douane samenwerken. Er is een misverstand over wie verantwoordelijk is voor wat. Heb ik goed begrepen dat het Schipholteam opereert onder verantwoordelijkheid van het OM Haarlem en dat langs die lijn de verantwoordelijkheid loopt naar Justitie en de minister?

Minister Korthals: Dat is juist.

Ik ga in op een aantal vragen van leden van de Kamer, met als strekking of ik de afgelopen periode voldoende adequaat heb gereageerd. In het reguliere overleg dat ik voer met het college van procureursgeneraal is de situatie op Schiphol een regelmatig terugkerend onderwerp. De eerste signalen die mij bereikten dat de situatie ongewone vormen ging aannemen, dateren van april/mei 2001. Het college van procureurs-generaal is toen door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Haarlem op de hoogte gesteld van de zeer verontrustende ontwikkeling waarbij steeds groter wordende groepen Nigerianen die woonachtig zijn in Spanje en Italië via Amsterdam naar Curac¸ao vlogen. Zij verbleven aldaar een of twee weken en slikten voor hun vertrek grote hoeveelheden bolletjes harddrugs om vervolgens terug te vliegen naar Amsterdam.

Voor de aanpak daarvan heeft het Haarlemse parket, met de Koninklijke marechaussee, de IND, de CRI en de douane een gezamenlijke aanpak ontwikkelt. Die aanpak bestond uit een aantal componenten, zoals de invoering van een visumplicht voor Nigerianen, een 100% controleactie en toegespitst rechercheonderzoek. In mei was de problematiek mij bekend. Er werd ook actief opgetreden om deze tegen te gaan. Toen is ook de voorbereiding gestart van de bijzondere controleactie, waarvan het doel was om greep te krijgen op de grote groep Nigerianen en om beter inzicht te krijgen in aard en omvang van drugstransporten via deze doelgroep. De actie bracht zeer grote organisatorische consequenties met zich. Voor de capaciteitsberekening moest worden uitgegaan van het meest vergaande scenario, dat uitging van de aanhouding van 140 verdachten per week. Hiervoor diende voldoende controle- en aanhoudingscapaciteit beschikbaar te zijn, alsmede een groot aantal cellen met slikkersfaciliteiten en medische voorzieningen, capaciteit in de huizen van bewaring, capaciteit bij het openbaar ministerie en voldoende rechters. Het was een gigantische klus voor een toch al zwaarbelast justitieel apparaat.

De start van de actie was voorzien vanaf medio juni. In de aanloop bleek het echter niet mogelijk om aan alle organisatorische randvoorwaarden te voldoen. De staatssecretaris van Financiën heeft mij in dat verband een brief geschreven, waarin hij mij vroeg te bevorderen dat de capaciteitsproblemen zo snel mogelijk zouden worden opgelost. Deze brief had dus niet de strekking om mij op een probleem te wijzen, zoals is gesuggereerd. Dat er een probleem was, was mij wel bekend. De staatssecretaris schreef mij een brief over het wegnemen van belemmeringen voor de gezamenlijke aanpak. Enige aanleiding om de Kamer hierover te informeren, kon hierin naar ons beider opvatting niet worden gevonden, te meer daar het om een vertrouwelijke operatie ging.

Er zijn enkele redenen waarom de actie geen doorgang kon vinden in juni of juli en naar september moest worden verplaatst. De belangrijkste oorzaak was dat de Dienst justitiële inrichtingen van mijn ministerie meer tijd nodig bleek te hebben voor het beschikbaar stellen van het grote aantal cellen dat nodig was. Men moet daarbij bedenken dat het niet alleen om cellen ging; ook medische voorzieningen moesten beschikbaar zijn. Voorts kon de zittende magistratuur in die periode onvoldoende rechters-commissarissen en zittingscapaciteit vrijmaken. De zomervakantie, ten slotte, zorgde ervoor dat douane en marechaussee op Schiphol hun handen vol hadden, waardoor moest worden besloten om de actie na de zomervakantie te plannen.

De actie is uitgevoerd in de eerste weken van september. In korte tijd werd een controle uitgevoerd op alle Nigerianen in vliegtuigen die afkomstig waren van de Antillen. In totaal werden in tien dagen 81

Nigeriaanse verdachten aangehouden, van wie 63 personen bolletjesslikkers bleken te zijn. Bij deze actie is nagenoeg 40 kilo cocaïne in beslag genomen. Hierna werd door de Antillen en Aruba versneld een visumplicht voor Nigerianen ingevoerd, die op 8 november 2001 van kracht werd.

Inmiddels had zich in het bijzonder op Schiphol een andere prioriteit aangediend, namelijk de dreiging van terroristische aanslagen. Dit vroeg alle aandacht van de betrokken diensten. Ten aanzien van de algemene cellenproblematiek diende zich rond die tijd voor iedereen onverwacht de vraag naar meer cellen voor vrouwen aan. Ik heb daarover met de Kamer gesproken. Ook de behoefte aan celcapaciteit voor de vreemdelingenbewaring schoot omhoog. De aandacht moest dan ook weer worden gericht op de generieke capaciteitsproblematiek, waarvan de capaciteit voor drugskoeriers onderdeel was.

De gebeurtenissen op 11 september in de Verenigde Staten legden natuurlijk ook een grote druk op de marechaussee en de luchtvaartbeveiliging, zodat de aandacht, naar later bleek tijdelijk, minder op drugskoeriers kon worden gericht. Gezien het resultaat van de actie en de waargenomen terugloop in het aantal koeriers op Schiphol leek dat eind september ook niet problematisch. Naar mij later bleek, trok de inzet van drugskoeriers in de loop van oktober toch weer merkbaar aan. Na invoering van de visumplicht voor Nigerianen werden vooral Braziliaanse koeriers aangehouden, eerst nog niet in een hoeveelheid die vergelijkbaar was met de Nigerianen, maar geleidelijkaan liepen de vangsten toch weer op. De controle-inspanningen op Schiphol bleken zeer succesvol te zijn en het gebrek aan celcapaciteit deed zich weer gevoelen.

De heer Van Oven (PvdA): Wanneer bent u op de hoogte gesteld van die ontwikkeling? Wanneer hoorde u dat het aantal drugskoeriers weer toenam na die actie?

Minister Korthals: Die cijfers waren er niet direct, maar het werd mij eind oktober, begin november duidelijk. Daarom hebben wij er alles aan gedaan om meer celcapaciteit te krijgen. Er werden flexibiliteitsregels ingesteld. Wat ons ook niet hielp,

was dat er in die tijd enkele rechters waren die het gebruik van politiecellen, die vaak gedurende een periode van tien dagen als huis van bewaring werden gebruikt, wilden terugbrengen. Begin december werd mij duidelijk dat de situatie zeer ernstige vormen begon aan te nemen. Tijdens de vergadering van de JBZ-raad in Brussel op 7 december kreeg ik een brief van het college onder ogen over het voornemen van de hoofdofficier in Haarlem om verdachten heen te zenden. Ik heb daarop onmiddellijk telefonisch contact gehad met de secretaris-generaal van mijn departement die op mijn verzoek de voorzitter van het college van procureurs-generaal heeft geïnfor-meerd over mijn standpunt dat dit niet kon. Het OM is daarbij verzocht een andere aanpak voor te stellen waarvan het heenzendbeleid geen deel zou uitmaken. Hierover zijn nadere afspraken gemaakt in de overlegvergadering met het college van 19 december. Daarbij is nog eens mijn wens benadrukt een specifieke oplossing te vinden voor de problemen in het arrondissement Haarlem in het licht van de generieke capaciteitsproblemen waarvoor wij ons gesteld zagen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik mis in uw reconstructie nog de brief van staatssecretaris Bos.

Minister Korthals: Daar wilde ik straks nog iets over zeggen, maar dat zal ik nu doen. Intussen had staatssecretaris Bos mij een brief gezonden waarin hij zijn bezorgdheid uitte over de situatie op Schiphol. Die brief heb ik beschouwd als een bevestiging van de mij reeds door het OM gemelde problemen op Schiphol. Die brieven kwamen vrijwel gelijktijdig binnen. Men kan dus niet zeggen dat er niet werd gereageerd op allerlei nieuwe ontwikkelingen. Wij waren daar volop mee bezig.

De heer Dittrich (D66): Wat is er gebeurd tussen begin november, toen duidelijk werd dat de problemen zeer ernstig waren, en 7 december? Hebt u opdracht gegeven aan het OM en het departement om de situatie te verbeteren?

Minister Korthals: Bekend was dat ik niet wilde dat er werd heengezonden. Verder kon incidenteel de

IVO-maatregel worden toegepast. Ook is getracht om oude capaciteit, die dreigde te worden afgestoten, in gebruik te houden. De prognose was dat er in 2001 12.700 cellen zouden zijn, maar het zijn er 12.900 geworden. Wij hebben er alles aan gedaan om overal capaciteit vandaan te halen om er maar voor te zorgen dat de stortvloed van drugskoeriers zou kunnen worden opgevangen langs de reguliere weg. Mijn uitgangspunt is steeds geweest dat getracht moet worden het op te vangen binnen het bestaande gevangenisregime.

De heer Dittrich (D66): Wat hebt u dan in de periode begin november tot begin december terug-gerapporteerd gekregen over de situatie?

Minister Korthals: Dat de situatie ongelooflijk moeilijk was en dat alles eraan werd gedaan om haar in de hand te houden. Ook werd mij gemeld dat er meer capaciteit nodig was. Er waren officieren van justitie die middagen zaten te bellen om erachter te komen waar in Nederland nog celcapaciteit beschikbaar was. Dit alles om heenzenden te voorkomen.

De heer Rietkerk (CDA): In de brief van de minister staat niet dat hij al in oktober op de hoogte was van de ernst van de situatie. Daarbij geeft de brief van de heer Wooldrik van het OM het feit weer dat er een terughoudend beleid wordt gevoerd ten aanzien van heenzendingen. Heeft de minister voor 7 december, toen de brief hem onder ogen kwam, niet ingegrepen?

Minister Korthals: Het beleid van het Schipholteam was dat er aanhoudingen werden verricht na informatie van de crew of bij het aantreffen van drugs door de douane. De intensivering van de acties in september heeft geleid tot bepaalde gezichtspunten bij het team waardoor er meer mensen konden worden aangehouden. De cijfers vertonen dan ook een merkwaardige stijging in de maanden oktober, november en december. Op dat moment betreft het 130 of 140 gevallen. Helaas hebben zich in de eerste drie weken van januari 171 gevallen voorgedaan. Vermoedelijk halen wij de 200 per maand.

De heer Rietkerk (CDA): Ik wijs nogmaals op de feiten. Het is een feit dat het Schipholteam het gevoel had dat de handen op de rug waren gebonden toen er tientallen bolletjesslikkers per week in november voorbijgingen. Het is een feit dat staatssecretaris Bos al in juni alarm heeft geslagen en op 6 december een situatie beschrijft die onaanvaardbaar is. Ook Wooldrik schrijft dit, klip en klaar, zwart op wit. U geeft zojuist aan dat u pas op 19 december, in het reguliere overleg, een nieuwe aanpak heeft voorgesteld om heenzendingen te voorkomen. In de brief aan de Kamer wordt niet duidelijk of u in oktober heeft aangegeven dat er geen heenzendingen van verdachten meer mogen plaatsvinden.

Minister Korthals: Ik heb in ieder debat met de Kamer naar voren gebracht dat het uitgangspunt was om heenzendingen te voorkomen. Laten wij echter redelijk zijn: niemand heeft die geweldige stijging van het aantal drugskoeriers verwacht. Ik heb de Kamer, of u, daarover ook nooit horen spreken. Wij hebben geprobeerd om de ontwikkeling tegen te gaan door te intensiveren in september, maar dat heeft niet het gehoopte effect gehad. Vervolgens kwam het probleem terug omdat het vervoer per vracht kennelijk minder in trek was en er dus een verschuiving ontstond naar drugskoeriers en bolletjesslikkers.

De heer Rietkerk (CDA): Het is logisch dat de Kamer en ik niet over informatie beschikten over die tientallen bolletjesslikkers. Helaas kwam die informatie pas na 3 januari via diverse brieven en via de krant naar de Kamer toe. Ik spreek u hierop aan omdat u al vanaf september en oktober daarvan op de hoogte bent. Ik constateer dat u pas op 19 december in een regulier overleg echt hebt ingegrepen. Ik zie daarvan niets terug. De berichten vanaf de werkvloer, van het Schipholteam, wijzen erop dat tientallen bolletjesslikkers gewoon konden doorlopen. Ik kon dat niet weten, maar u wel. In de brief van het openbaar ministerie stond de term ’’terughoudend aanhoud-beleid’’.

Minister Korthals: Wij hebben op 9 oktober een overleg gevoerd over de gevangeniscapaciteit waarbij over de Schipholproblematiek is gesproken.

De heer Rietkerk (CDA): U heeft niet gezegd dat tientallen bolletjesslikkers konden doorlopen, dat u in feite op de hoogte was van een terughoudend aanhoudbeleid en dat het Schipholteam gefrustreerd was omdat het OM het verzoek had gedaan om niet alleen bolletjesslikkers maar ook gewone koeriers, met drugs aan het lichaam en in de bagage te laten lopen. Op 9 oktober heeft u de ernst van de situatie niet weergegeven. Ook op 12 december heeft u dat nagelaten toen er nota bene een interpellatiedebat plaatsvond over het heenzenden.

Minister Korthals: Op 9 oktober heb ik het probleem van Schiphol genoemd maar toen was de algemene problematiek aan de orde. Laten wij niet vergeten dat op dat moment net de intensiveringsactie van start was gegaan, waarvan wij hoopten dat die een daling zou teweegbrengen.

De heer Rietkerk (CDA): Waarom heeft u de Kamer niet schriftelijk geïnformeerd? Dit is zo ernstig! Iedereen op straat snapt dat dit gewoon niet kan. U zegt dat ook steeds, maar ik constateer dat u geen maatregelen heeft getroffen tot de presentatie van het voorliggende plan van aanpak.

Minister Korthals: Ik kom straks te spreken over alle tussentijdse maatregelen die getroffen zijn. Ik heb er al enkele genoemd die overigens reeds op 9 oktober en tijdens het interpellatiedebat aan de orde geweest zijn. Tijdens het interpellatiedebat in december heb ik de bolletjesslikkers wel genoemd maar een dergelijk debat heeft een bepaald karakter. Ik heb bij die gelegenheid gezegd dat er sprake is van een groot probleem dat apart moet worden opgelost. Ik wilde niet alleen met een probleem naar voren komen maar tegelijkertijd een oplossing presenteren. Om die reden was ik in contact getreden met het openbaar ministerie. Dat is toch zo gek niet? Wat heeft de Kamer aan uitsluitend een probleem, zonder een oplossing, zo vlak voor het reces?

De heer Rietkerk (CDA): U had vanaf september een aantal kortetermijnoplossingen zoals de mobiele cellen en de slikkerscellen tot uw beschikking. Daarin zat het grote probleem. Die zijn met een paar weken neergezet. De 48 cellen van september hebben werkeloos toegekeken. U had een aantal maatregelen buiten het gevangeniswezen om – leger en particuliere beveiliging – kunnen nemen. Die maatregelen op korte termijn had u kunnen nemen om uiteindelijk de structurele maatregelen te nemen. U had eerder kunnen ingrijpen.

Minister Korthals: Ik heb al aangegeven dat het probleem veel ingewikkelder is. Het is niet alleen een kwestie van het plaatsen van cellen. Het is ook een kwestie van personeel, het OM, de dienst vervoer en de beschikbaarheid van rechters . Dat laatste heb ik niet in de hand.

De heer Rietkerk (CDA): En de situatie in Aruba. De douane op Sint Maarten is het afgelopen jaar gehalveerd.

De voorzitter: Dat is uw laatste vraag.

Minister Korthals: Ik ben niet degene die precies kan zeggen wat er op de Antillen en Aruba gebeurt. Wij hebben veel contact. Er worden afspraken gemaakt. Het douaneteam op Sint Maarten wordt door Nederlanders gesteund.

De heer Van Oven (PvdA): Als zo’n actie in september wordt opgezet, dan kan op de resultaten vooruit worden gelopen. Een mogelijk resultaat is dat de zaak wegvalt, een korte klap. Een andere mogelijkheid is dat het weer opkomt. Was dat niet voorzien?

Minister Korthals: De hoop was dat het weg zou vallen. Er was rekening mee gehouden dat het zich zou herstellen op het niveau van voorheen. Je ziet een ongelooflijke stijging in 2001. In 2000 hadden wij te maken met 750 aanhoudingen. In 2001 waren het er 1250. Als het op dezelfde manier doorgaat – 200 per maand – dan gaat het in 2002 over 2500 aanhoudingen. Dat is de rechtvaardiging voor noodmaatregelen en drastische maatregelen, die ik liever niet had willen nemen.

De heer Van Oven (PvdA): Een andere vraag heeft betrekking op de periode vanaf 3 december. Er is sprake van een wassende stroom die alle autoriteiten hebben kunnen waarnemen. Op 3 december komt die brandbrief. Waarom duurt het dan tot 19 december voordat de minister met het college van PG’s aan tafel gaat zitten? Had de hoofdofficier in Haarlem u niet direct moeten informeren. Tussen 3 en 7 december zitten uitsluitend werkdagen. In de brief staat dat sprake is van een onaanvaardbare situatie en dat de motivatie van de mensen afneemt. Dan moet er toch onmiddellijk worden ingegrepen en kan niet eerst over een plan van aanpak worden geadviseerd.

Minister Korthals: Op 7 december kwam die brief in mijn bezit. Ik heb direct tegen de secretaris-generaal gezegd dat ik niet wil heenzenden. Ik heb aan het OM gevraagd om met oplossingsrichtingen te komen. Die vraag is wel gemakkelijk gesteld. Op 19 december hebben wij dat wederom besproken. Het OM zat ook met de handen in het haar. Op 10 januari is het met oplossingsrichtingen gekomen. Het kwam erop neer dat het rekwireerbeleid zou worden aangepast. Dat was een weinig lokkend en wenkend perspectief. Daarvan heb ik op 10 januari gezegd: dit is voor mij ongeloofwaardig; er moeten drastische noodmaatregelen worden getroffen. Het maken van een noodwet is geen fluitje van een cent. Men was al begonnen te denken over de vraag op welke manier het zou moeten gebeuren. Het ministerie heeft bepaald niet stil gezeten. Ik denk aan de noodwet, het langer competent zijn van de politierechter, het maken van de algemene maatregel van bestuur, inhoudende dat strafzaken vanuit Haarlem elders kunnen worden berecht. Ik heb op 22 december nog even snel de ministerraad de mogelijkheid voorgelegd dat politiecellen ook zouden kunnen worden gebruikt als huizen van bewaring. Wij zagen aankomen dat wij anders volledig zouden vastlopen.

De heer Van Oven (PvdA): Ik begrijp wel dat er toen actie is ondernomen, maar de vraag blijft: waarom bent u niet eerder dan 7 december geïnformeerd over die brandbrief waarin met zoveel woorden werd aangegeven dat het beleid dat u had uitgestippeld, niet meer werd gevolgd? Er werden toen al mensen met een dagvaarding weggestuurd. Waarom bent u niet eerder over die brief geïnformeerd en waarom heeft u het college niet de volgende dag rond de tafel geroepen om direct maatregelen te treffen?

Minister Korthals: Om precies te zijn: ik zat op dat moment in Brussel om het Europese arrestatiebevel in goede banen te leiden. Dat is gewoon zo. Misschien was het de vierde bij ons; de vijfde ben ik naar Brussel vertrokken. Ik heb toen onmiddellijk contact opgenomen met de secretaris-generaal opdat wél actie zou worden ondernomen. Voorzitter. Ik onderstreep dat er in die tussenliggende periode veel is gedaan. Het enige waar de Kamer mij een verwijt over maakt, is het feit dat ik haar daarover niet heb ingelicht. Welnu, dat is een kwestie van appreciatie. Moet ik de Kamer opzadelen met een probleem dat ik heb, of moet ik proberen om dat probleem samen met de oplossing aan de Kamer voor te leggen? Ik heb voor de laatste optie gekozen.

De heer Dittrich (D66): Voorzitter. De minister zegt steeds dat zich in december een geweldige verrassing voordeed: grote aantallen bovenop de toestroom die er al was. Echter, als je op de werkvloer met mensen van de douane spreekt, geven zij aan dat er rond de feestdagen in heel Europa meer cocaïne wordt gebruikt. Als gevolg daarvan komen er al vanaf november meer bolletjesslikkers naar Europa, onder andere naar Schiphol. Dat is gewoon een feit dat algemeen bekend is. De minister geeft aan dat deze zaak pas voor hem urgent werd toen hij in Brussel was en die brief gefaxt kreeg. Vervolgens zaten er nog eens twee weken tussen voordat het college bijeen werd geroepen. Men kon dit alles toch voorzien?

Minister Korthals: Wij zijn intussen bezig geweest om langs de reguliere weg alles in het werk te stellen opdat degenen die werden aangehouden, daadwerkelijk zouden worden berecht. De mensen hebben er werkelijk alles aan gedaan om dit te bewerkstelligen. Ik begrijp heel goed dat het Schipholteam met geweldige problemen te maken kreeg. Het komt op je af en vervolgens moet je ervoor zorgen dat er een officier van justitie is die er weer voor zorgt dat er cellen zijn, enz. enz. Dit kan men alleen begrijpen als men accepteert dat het inderdaad verrassend was dat het aantal mensen dat in 2001 naar Nederland kwam, geweldig steeg.

De heer Dittrich (D66): Maar u kent toch óók het verhaal dat er rond de feestdagen veel meer drugskoeriers naar Schiphol komen om in Nederland en overig Europa cocaïne af te zetten?

Minister Korthals: Dat blijkt niet helemaal waar te zijn. Immers, in de eerste weken van januari is dit alleen maar toegenomen. Dat heeft dus niets meer met de feestdagen te maken.

De heer Dittrich (D66): In elk geval was het in december zo en dit verschijnsel deed zich ook in voorgaande jaren voor. Dat zeggen de deskundigen, de mensen van de douane, zélf. Als u in januari ineens met een heel pakket van maatregelen komt, vraag ik mij af waarom dat niet al in december kon.

Minister Korthals: Maar wat is nu eigenlijk het verwijt dat u mij maakt? Wij hébben er in die periode toch alles aan gedaan om die mensen vast te houden? Dat het in enkele gevallen misgelopen is, heeft een andere oorzaak.

De heer Dittrich (D66): Het verwijt is dat het plan van aanpak waarmee u in januari bent gekomen, eerder in werking had kunnen worden gezet. Dan waren de problemen wellicht kleiner geweest en hadden de maatregelen misschien niet zo drastisch behoeven te zijn.

Minister Korthals: Dat weet ik niet. Denkt u nu werkelijk dat, wanneer wij hiermee drie weken eerder waren gekomen, deze noodwet niet nodig zou zijn geweest? Waarschijnlijk zou het dan zo zijn gegaan dat de noodwet op precies hetzelfde moment in de richting van de Raad van State zou zijn gegaan. Wij zaten midden in de kerstrecesperiode. In alle eerlijkheid geloof ik dat niet.

De heer Dittrich (D66): Neen, zeker niet als je het over drie weken hebt, maar als je de brief van staatssecretaris Bos leest, die al in juni aan u werd gezonden, dan blijkt dat daarin al alarmerende woorden staan.

Minister Korthals: Uit die brief komt naar voren dat wij beiden precies weten wat er gaande is en dat wij bezig zijn met die hele actie en met het intensiveren daarvan. In wezen vormt die brief een bevestiging van wat wij allemaal hebben gedaan. Het enige punt is dat hij op 5 juni nog eens op grond van zijn belang vraagt om een en ander op 11 juni te laten doorgaan. Welnu, hij heeft met de douane te maken, maar ik heb te maken met de rechters, het OM, het vervoer, de cellen, de medische voorzieningen enz. Ik moest dan ook zeggen dat het op dat moment gewoon niet te regelen was.

De heer Dittrich (D66): Maar uit de brief van 5 juni blijkt dat het toen al urgent was. De minister komt nu in januari vanwege de urgentie met allerlei maatregelen, maar dat had natuurlijk al eerder gekund.

Minister Korthals: Ten eerste dachten wij dat met de intensivering daaraan een halt kon worden toegeroepen. Ten tweede legden wij intussen contacten met de Nederlandse Antillen. Op die manier probeerden wij de zaken in de hand te krijgen. Bovendien zag het er volgens de prognoses naar uit dat wij iets meer celruimte ter beschikking zouden krijgen.

De heer Van der Staaij (SGP): De minister zei in het begin van zijn betoog dat al langere tijd er een geleidelijke toename van de problematiek was. Toen is voor september een actie op touw gezet, waarvoor ook heel veel voorbereiding heeft plaatsgevonden. Hoe kan het dan later in het jaar zo gierend uit de hand zijn gelopen?

Minister Korthals: Ik heb dat aangegeven. Ten eerste was er een stijging van het aantal bolletjesslikkers. Het tweede punt wordt door iedereen vergeten. Vanaf 11 september is er heel wat gebeurd, zeker op Schiphol. Dat heeft ertoe geleid dat wij niet alle acties die wij wilden nemen ook konden nemen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Samengevat is er sprake geweest van een gestage toename het hele jaar. Er is een specifieke actie geweest in september. Er was een verdere toename. Eind oktober, begin november was de minister daarvan op de hoogte. Daar zijn brandbrieven overheen gekomen. De minister heeft daar laat en half op gereageerd. Naar mijn opvatting is hij verantwoordelijk voor de perikelen van het gehele afgelopen jaar.

Minister Korthals: Ik ben voor veel verantwoordelijk, maar voor bepaalde verschijnselen, bijvoorbeeld dat zoveel mensen drugs willen gaan vervoeren, ben ik niet verantwoordelijk. Daar heb ik als minister mee te maken. Ik ben in zoverre verantwoordelijk dat ik moet proberen daarvoor de juiste oplossing te vinden. In januari waren er 73 gevallen. Wij zien dan een toename, tot 80, 90, en in augustus weer 71. Wij hielden rekening op jaarbasis met 750 tot 1000 personen. Pas na augustus begon het echt toe te nemen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De minister spreekt zichzelf nu tegen. Hij zei eerst dat er het vorig jaar sprake was van een forse toename. Dat was hem eerder in het jaar al bekend. Nu gebruikt hij het argument dat hij daardoor eigenlijk overvallen was, alsof hij het niet kon voorzien. Het is natuurlijk wel het een of het ander. Ofwel het is te verwachten, en dan is het de vraag waarom alle onderzoeksafdelingen en het hele justitiële apparaat er niet adequaat op konden reageren. Ofwel het heeft hem volkomen overvallen, en dan is het de vraag waarom er vooral buiten hem om zoveel contact is geweest voordat het gebeurde.

Minister Korthals: Je kunt een bepaald aantal bolletjesslikkers hebben, want daarmee is wat de celcapaciteit betreft rekening gehouden. Wij hebben een prognose voor de celcapaciteit gemaakt. Wij hebben een extra capaciteit van 300, met daar bovenop de mogelijkheden tot flexibilisering. Wij zagen dat de reservecapaciteit gebruikt begon te worden. Wij probeerden natuurlijk de zaken binnen de reservecapaciteit te regelen. Daarna zou weer gebruik kunnen worden gemaakt van de flexibilisering. Helaas zagen wij in de laatste maanden van het jaar dat het verder doorschoot, hetgeen een enorme druk op het apparaat teweegbracht. Men kan wel zeggen dat ik dat eerder had moeten weten en eerder maatregelen had moeten nemen, maar ten eerste moet eerst de vaststelling worden gedaan en ten tweede probeer je dan eerst allerlei noodverbanden, zodat je het reguliere regime kunt handhaven, alvorens je overgaat tot werkelijke noodmaatregelen, zoals ik nu voorstel.

De heer De Wit (SP): Opnieuw blijkt dat de minister de precieze analyses kent. Hij weet precies hoe de bewegingen zijn. Ook kent hij de verwachtingen al heel lang. Hij zegt dat hij de verantwoordelijke is met betrekking tot dit probleem. Vindt de minister dat hij voldoende leiding heeft gegeven om deze problematiek op zo kort mogelijke termijn aan te pakken nadat hij op 7 december op de hoogte werd gesteld van het probleem dat zich toen voordeed? De minister kende de ernst van de situatie.

Minister Korthals: De ernst van de situatie in die omvang werd mij op 7 december duidelijk. Daarvoor wist ik dat het zwaar en moeilijk was, op 7 december wist ik dat het nijpend was en dat men maatregelen wilde voorstellen die voor mij, op zijn minst genomen, ongewenst waren. Daarover moest ik met het college van procureurs-generaal spreken. Toen geloofde en hoopte ik nog dat ik dat binnen het kader van het bestaande regime zou kunnen oplossen. Ik heb daartoe het college om scenario’s gevraagd. Die kwamen er eigenlijk op neer dat rekwireer-beleid zou worden gevoerd: mensen die bij wijze van spreken twee kilo cocaïne in bezit hebben, zouden voor de politierechter moeten verschijnen.

De heer De Wit (SP): De minister heeft pas op 19 december met het college van procureurs-generaal gesproken. Ik leid uit zijn betoog af dat hij pas in januari gehoord heeft dat er plannen bestonden om dat rekwireerbeleid te veranderen en dat dit de oplossing zou bieden. Had het niet meer voor de hand gelegen dat hij na 7 december de termijnen verkort had en eiste dat op dat moment een plan werd ontwikkeld?

Minister Korthals: Ik vind dit erg gemakkelijk. Het is een geweldig probleem met vele factoren die een rol bij de oplossing spelen. In alle eerlijkheid vind ik dat het college hard gewerkt heeft en dat het in die korte periode veel scenario’s heeft ontwikkeld. Ik heb echter toen moeten zeggen dat die scenario’s mij niet bevielen en dat ik een andere richting uit wilde.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Ik wil een vraag stellen over de communicatie tussen de minister en het OM, echter niet zozeer vanaf 7 december maar eerder. De minister betoogde dat hij vanaf mei op de hoogte was van het probleem van de bolletjesslikkers op Schiphol. In juni verscheen de brief van staatssecretaris Bos waarin staat dat men overspoeld werd door bolletjesslikkers maar dat slechts een beperkt aantal kon worden aangehouden omdat er een beperkt aantal slikkerstoiletten was. Daar zit al het gevaar in dat bolletjesslikkers dus werden weggestuurd. Er is een actie voorbereid die in september plaatsvond. Is dat van meet af aan van de kant van de minister gepaard gegaan met de waarschuwing: wat er ook gebeurt, ook als er meer mensen bij die actie worden opgepakt; er vinden geen heenzendingen van bolletjesslikkers plaats. De minister was onaangenaam verrast door de brief van de heer Wooldrik, maar dat was in december.

Minister Korthals: Omdat dit niet gegarandeerd kon worden is die actie op 11 juni niet doorgegaan. In september beschikten wij over de cellen op Scheveningen. Het heeft mij overigens altijd verbaasd dat de Tweede Kamer hiervoor zo weinig belangstelling heeft getoond. Het ging om een enorme actie waarbij veel Nigerianen zijn aangehouden. Er is een geweldige inspanning verricht om noodcapaciteit met medische voorzieningen en dergelijke in Scheveningen te realiseren. Wij zijn ervan uitgegaan dat iedereen die gepakt werd, daadwerkelijk werd vastgehouden.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Vanuit uw verantwoordelijkheid hebt u van meet af aan tot het parket te Haarlem gezegd: wat er ook gebeurt, geen heenzendingen bij de voordeur omdat ik dat niet wil. Dan had de heer Wooldrik u toch niet het voorstel kunnen doen waardoor u werd overvallen? Men kende toch uw opvatting?

Minister Korthals: De heer Wooldrik zegt niet dat hij zal heenzenden. Hij stelt voor, met een dagvaarding heen te zenden, maar ik ben daar niet mee akkoord gegaan. Voor het overige wilde hij de aanhoudingen op een laag pitje zetten. Daarvan heb ik onmiddellijk laten weten dat de normale gang van zaken gevolgd moest worden: reageren op tips van de crew en douane moet gewoon doorgaan.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Dat was geen nieuws want staatssecretaris Bos schreef u al op 5 juni dat er maar een beperkt aantal kon worden aangehouden. U wist dat al een halfjaar.

Minister Korthals: Precies. Maar door de verscherpte inzichten die er waren en door het grote aantal dat er kwam, boden er zich ook meer aan om daadwerkelijk te worden aangehouden.

Ik kom op het plan van aanpak. Het is een ambitieus plan. Door uitvoering ervan worden niet alleen de bestaande knelpunten op Schiphol in het arrondissement Haarlem opgelost, maar wordt de controle op illegale invoer van harddrugs bovendien aanmerkelijk geïntensiveerd. Het is ook een plan dat ik met gemengde gevoelens presenteer; laat ik daar duidelijk over zijn. Dat komt door de directe aanleiding, die niet zo vrolijk is, maar ook doordat in het plan maatregelen moesten worden opgenomen die niet alledaags zijn. Wij blijven met dit plan overigens binnen de beginselen van de rechtsstaat. De voorstellen op het gebied van wetgeving die nodig zijn om het plan uit te voeren, staan in het plan vermeld. Ik zal daarover uiteraard met de Kamer spreken op het moment dat deze in dit huis zullen worden behandeld. Ik hecht eraan hier te verklaren dat ik er alles aan zal doen om de werkingsduur van de noodwetgeving zo kort mogelijk te laten zijn. Wanneer de noodwetgeving niet meer nodig is, wordt zij gestopt. De noodwet geldt voor een jaar met een verlengingsmogelijkheid van nog een jaar; dat bespreken wij verder bij de behandeling van die noodwet. Ik streef ernaar de problematiek zo snel als verantwoord is en zoveel mogelijk binnen bestaande juridische kaders op te lossen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De minister maakte een overgang naar het plan van aanpak. Maar gaat hij nog in op de wijze waarop hij de Kamer geïnformeerd heeft, of laat hij het bij de enkele opmerking dat het hier om een verschil in appreciatie gaat?

Minister Korthals: Ik dacht dat ik vrij uitvoerig ben ingegaan op de wijze waarop ik de Kamer heb geïnfor-meerd en op de reden waarom ik de Kamer niet heb geïnformeerd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik geloof dat ik vrij goed heb opgelet, maar ik heb geen goede uitleg gehoord van de reden waarom u het op dat precaire moment van 12 december niet nodig vond de Kamer te informeren. In Buitenhof zei u dat de voorzitter u geen tijd gaf, maar dat heb ik in deze Kamer nog nooit meegemaakt.

De voorzitter: Misschien mag ik daar iets over rechtzetten, want dit is nu een paar keer gezegd. Ik heb het nagezocht. Het ging toen om een interpellatiedebat. Bij zo’n debat is het een goede gewoonte dat de minister dezelfde spreektijd heeft als de interpellant. En die spreektijd is beperkt. Dat is dus iets anders dan wordt gesuggereerd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Als een minister in de Kamer aangeeft dat hij een dringende mededeling aan de Kamer heeft te doen...

De voorzitter: Dan krijgt hij die tijd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dan zal de restrictie aan zijn spreektijd vervallen. Ik vind het dus, eerlijk gezegd, geen houdbaar excuus. U bent dat met mij eens, voorzitter.

De voorzitter: Ik ben dat met u eens.

Minister Korthals: Voorzitter. Ik beroep mij ook niet verder op dat excuus. Het karakter van een interpellatiedebat brengt wel met zich dat je niet alles kunt zeggen. Ik ben er later in mijn verhaal op teruggekomen. Ik heb gezegd dat wij met een groot probleem te maken hadden en dat ik daarvoor een speciale oplossing wilde vinden. Op die manier ben ik ook te werk gegaan: hier ligt een enorm probleem en ik wil bij de Kamer met een oplossing komen.

De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Halsema voor haar laatste vraag.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): De minister draait al zo lang mee in het politieke circuit, dat de maatschappelijke en politieke consternatie hem niet kan hebben verbaasd. Vindt hij het, gelet op het feit dat de Kamer uiteindelijk zijn belangrijkste gesprekspartner is, verantwoord om het bij de zinsnede ’’wij hebben een groot probleem’’ te laten? Dat kan toch gewoon niet?

Minister Korthals: Nee. Op dat moment heb ik ook gevraagd om een precieze analyse van de grootte van het probleem, ook om ervoor te zorgen dat er een oplossing zou komen. Dat heb ik aan het openbaar ministerie gevraagd. Daar was ik mee bezig. U kunt wel zeggen dat u alles wilt weten. Maar als ik het probleem alleen maar bij u op het bordje leg, zodat het ook nog wereldkundig wordt en drugskoeriers en dergelijke er ook allemaal kennis van kunnen nemen, dan weet ik niet of dat nu zo geweldig veel helpt.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Een fantastisch pleidooi voor openbaarheid!

De voorzitter: Het woord is aan de heer Rietkerk.

Minister Korthals: Nee, ik zou er altijd mee gekomen zijn, maar...

De voorzitter: Maar de heer Rietkerk heeft nu het woord.

De heer Rietkerk (CDA): De minister heeft in zijn verantwoordingsbrief aan de Kamer van 14 januari gesproken over de brief van staatssecretaris Bos aan hem van 6 december, en ook over de brief van Wooldrik van 3 december. Waarom heeft de minister in die brief van 14 januari niet gesproken over de brief van 5 juni van staatssecretaris Bos aan hemzelf, en waarom heeft de Kamer die brief zo laat gekregen?

Minister Korthals: Ik krijg bijna de neiging om deze brief helemaal voor te lezen! In deze brief...

De heer Rietkerk (CDA): Geeft u gewoon antwoord op mijn vraag. Waarom heeft u die brief van staatssecretaris Bos niet aangehaald, en waarom kregen wij de brief zo laat?

Minister Korthals: Om de doodeen- voudige reden dat in de brief staat dat we gezamenlijk iets zullen aanpakken, dat we een geweldig probleem hebben en dat de staatssecretaris begrijpt dat ik een nog groter probleem heb. De staatssecretaris zegt verder: probeer als het enigszins mogelijk is die actie op 11 juni te houden. Dát is het!

De heer Rietkerk (CDA): Ik stel nu nog een inhoudelijke vraag. De brief heb ik helaas, omdat die te laat binnenkwam, niet voor mijn inbreng in eerste termijn kunnen lezen. In die brief staat onder andere: zoals je – dat is dus de minister – weet, wordt Nederland op dit moment via de vluchten uit Curac¸ao overspoeld met bolletjesslikkers. Dat is dus op 5 juni. Naar een toenmalige schatting van het OM komen er ongeveer 140 per week binnen. Slechts een deel daarvan kan worden aangehouden. Kortom, minister, u weet dat er 140 per week komen, waarvan slechts een deel met het oog op de beschikbare celcapaciteit wordt aangehouden, wat betekent dat de mensen voor wie geen slikkerscellen zijn, niet worden aangehouden.

Minister Korthals: Dat is precies de reden waarom wij die intensiveringsactie wilden houden: 100% controle.

De heer Rietkerk (CDA): U was dus in juni op de hoogte, en niet zoals u net zei in oktober/november. In juni was u in feite op de hoogte van de ernst van de zaak, en dus niet pas richting december.

Minister Korthals: Ik dacht toch werkelijk dat ik begonnen was te zeggen dat we in april/mei doorkregen dat er veel meer bolletjesslikkers Nederland binnenkwamen dan het jaar daarvoor. Dát was de reden om te komen met die intensiveringsactie.

De heer Dittrich (D66): Ik ga nog even terug naar het interpellatiedebat van 12 december. U hebt toen inderdaad de opmerking gemaakt dat er een probleem is. In allerlei interviews hebt u gezegd dat u soms hele dagen in de Kamer moet zijn, en dat u dan soms geen ander werk kunt doen. De Kamer is na dat debat van 12 december niet onmiddellijk op reces gegaan, maar een kleine week later. U bent soms hele dagen in de Kamer geweest, en u had geen brief willen schrijven, want dan had de hele wereld geweten welke problemen er waren. Waarom heeft u niet gewoon met uw politieke gevoel, waarop u zich beroept, tegen de vaste commissie gezegd: ik moet nog iets vertellen over Schiphol?

Minister Korthals: Dat daar het probleem lag, wist iedereen. De problemen bestaan over het algemeen in het arrondissement Haarlem. De tweede reden is dat ik eerst met mijn ambtenaren spreek, die met het OM spreken, dat weer met het parket Haarlem spreekt, zo de werkelijke omvang van de problemen onder ogen ziende.

De heer Dittrich (D66): Toch klopt er iets niet. U zegt dat het probleem zo complex en ingewikkeld is, en dat er veel factoren meespelen. Als je dat precies wilt weten, was de Kamer misschien pas na een half jaar op de hoogte gesteld. Dat maakte onze controlerende taak natuurlijk haast onmogelijk.

Minister Korthals: Aan het college was gevraagd, snel met oplossingen te komen. Op 10 januari is die brief verschenen. Gelet op de periode waarin naar oplossingen moest worden gezocht en op de enorme complexiteit van het probleem, vind ik dat zeker een aanvaardbare termijn.

De heer Dittrich (D66): Wanneer is men op het departement gestart met de noodwetgeving? Was dat toen de minister in Brussel op 7 december de brief kreeg toegefaxt? Of was dat pas twee weken later, na de bijeenkomst van het college van PG’s?

Minister Korthals: Het is in ieder geval niet onmiddellijk geweest, want bij mij waren alle inspanningen erop gericht, via het verkrijgen van celcapaciteit de problemen op te lossen.

De heer Dittrich (D66): Maar er zijn toch twee sporen? U had toch meteen tegen uw SG kunnen zeggen: zet alvast wat ambtenaren aan het werk om met wetgeving te beginnen, terwijl een ander deel van die duizenden ambtenaren van u naar cellen kunnen gaan speuren?

Minister Korthals: Wij hebben in ieder geval wel naar cellen gekeken. Het is gelukt, ze te vinden. De energie was er in ieder geval op gericht, in eerste instantie de oplossing via de gangbare weg te vinden.

De heer Dittrich (D66): De ambtenaren die naar cellen zoeken, zijn toch andere dan degenen die met wetgeving bezig zijn? De minister doet nu net of drie mensen achter een bureau alles moeten doen.

Minister Korthals: De heer Dittrich zei net zelf al – zelf zou ik mij daarop nooit beroepen hebben – dat het grote aantal keren dat ik in de Tweede Kamer ben geweest, betekent dat alle ambtenaren ongelooflijk hard aan het werk zijn. Er moeten daarom goede redenen zijn om hen ook nog met een noodwetgevingsproject te belasten.

De heer Van Oven (PvdA): Ik zoek nog naar de betekenis van hetgeen de minister over Haarlem en Schiphol heeft gezegd tijdens die interpellatie: hij zei toen dat er succesvolle acties waren gevoerd. ’’De gedachte was toen om deze wat te temporiseren, maar in de praktijk bleek dat men gewoon doorging omdat met op het goede spoor zat’’. Wat bedoelde de minister daar nu mee? Ik snap het eerlijk gezegd nog steeds niet. Ik weet maar van één actie in september en ik dacht dat die was gestopt.

Minister Korthals: De actie in september is gestopt. Degenen die daarbij waren betrokken, hebben zich daarop natuurlijk voorbereid en hebben meer kennis over bijvoorbeeld het verloop van zo’n operatie en de opsporing van mensen. De natuurlijke reactie van deze betrokkenen was dan ook om te komen tot meer en gerichtere inzet. Dat zou kunnen leiden tot meer aanhoudingen.

De heer Van Oven (PvdA): Het was dus zo dat de acties stopten, maar dat men verder bleef opereren op basis van de bij deze acties verworven kennis?

Minister Korthals: Ja.

De heer Van Oven (PvdA): Wat heeft de minister dan bedoeld met ’’dit is een groot probleem dat ik afzonderlijk probeer op te lossen’’? Wilde hij het hele Schipholdebat daarmee tussen haakjes plaatsen? De hoofdofficier van Haarlem had de minister op de hoogte gesteld dat hij mensen met een dagvaarding wegstuurde.

Minister Korthals: Het was juist de bedoeling dat dit helemaal niet meer zou gebeuren; ik was daartegen. Voorzover ik weet, is dat daarna niet of nauwelijks meer gebeurd. Mijn uitgangspunt is altijd geweest om heenzendingen te voorkomen, mede omdat het in de Kamer, en terecht, een taboe is. Het heeft namelijk rechtsstatelijke aspecten. Je kunt dit soort zaken echter ook overdrijven. Laatst stond er in een weekblad een sprekend staatje over het aantal heenzendingen in het verleden. In de jaren 1994 tot 1996 waren er tussen de 4000 en 6000 heenzendingen. Daaraan is terecht een einde gekomen. In het afgelopen jaar ging het om een veel geringer aantal. In het jaar 2000 ging het om slechts 12 heenzendingen. In de twee jaren daarvoor was het aantal zelfs nul. In dat licht gaat het om een relatief probleem. Doordat wij onszelf, in mijn ogen terecht, zulke hoge doelen stellen, loop je natuurlijk vaak tegen muren en grenzen aan, zodat je in moeilijkheden komt.

De heer Van Oven (PvdA): Betekent dit dat de minister er tijdens dat debat van uitging dat de hoofdofficier van Haarlem zijn beleid ten aanzien van de koeriers met een bekende woon- of verblijfplaats had verlaten en daarnaast zijn voorstel om dat ook te doen voor koeriers zonder bekende woon- of verblijfplaats niet uitvoerde?

Minister Korthals: Het uitgangspunt is dat heenzendingen niet mogen plaatsvinden. Dit wordt dan door de ambtelijke lijn gecommuniceerd met het OM, dat dit vervolgens weer doorgeeft aan de hoofdofficier van Haarlem. Zo wilde ik het.

Met het plan van aanpak willen wij de problematiek op de luchthaven Schiphol echt te lijf gaan. De illegale import van cocaïne in Nederland verdwijnt echter niet hiermee. Op basis van nationale en internationale informatie slagen wij erin, een steeds completer beeld te krijgen van de kanalen waarlangs cocaïne Europa binnenkomt. Schiphol is daarbij een belangrijke schakel, maar zeker niet de belangrijkste. Ook andere luchthavens in Europa en de zeehavens zijn plaatsen waar de cocaïne aangevoerd wordt. De

Nederlandse regering zet in op een internationale aanpak op meer fronten van drugskoeriers, in het bijzonder van cocaïne. Vanuit de Europese Unie is er een samenwerkingsverband met de Zuid-Amerikaanse landen voor de aanpak van de cocaïneproductie. Komend voorjaar is er in Spanje overleg tussen de EU en de betrokken Zuid-Amerikaanse landen. Nederland zal samen met het Spaanse voorzitterschap de sterk toegenomen problematiek van de drugskoeriers op de agenda van dat overleg zetten. In breder verband wijs ik op de Commission on Narcotic Drugs van de Verenigde Naties, die medio maart in Wenen bijeenkomt. Ook hier zal worden gestreefd naar agendering van de actuele problematiek.

Het plan van aanpak onderscheidt twee sporen: een bron- en een effectgericht spoor. In het brongerichte spoor gaat het om het ontmoedigen van de aanvoer van drugs naar Schiphol. Daarvoor zijn maatregelen nodig in de landen waar de drugs worden geproduceerd en verzonden. Het zijn heel belangrijke maatregelen, want elk resultaat daar betekent verminderde belasting van het justitiële apparaat hier. Het zijn ook de moeilijkste maatregelen, omdat je de hulp van anderen nodig hebt. Over de maatregelen op de Nederlandse Antillen en Aruba heb ik afspraken gemaakt met de bewindslieden die aldaar voor de uitvoering daarvan verantwoordelijk zijn. In de vergadering van de Rijksministerraad van vrijdag aanstaande zal hierover overigens nog nader worden gesproken.

Het effectgerichte spoor gaat over de maatregelen die wij in Nederland moeten nemen. Ik ga deze hier niet herhalen, maar kom over enkele te spreken bij de beantwoording van de vragen die de Kamer hierover heeft gesteld.

Een plan maken is een, een plan uitvoeren is iets anders. Uiteindelijk gaat het hierbij om het laatste. Binnen mijn ministerie is inmiddels een projectorganisatie opgericht en een projectmanager benoemd die als opdracht heeft gekregen, zorg te dragen voor de implementatie van elke maatregel die in het plan is opgenomen. Ik neem mij voor om de Kamer maandelijks te informeren omtrent de voortgang van de uitvoering.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Als ik het goed reconstrueer, heeft de minister het voorstel van de procureurs-generaal voor het plan van aanpak op 10 januari 2002 ontvangen. Op 13 januari 2002 zat hij bij Buitenhof. Als ik mij goed herinner, heeft hij daar de meest wezenlijke onderdelen van wat hij nu verdedigt als zijn eigen plan van aanpak, van tafel geveegd als zijnde niet rechtsstatelijk en niet wenselijk. Er is geen nieuwe verontrustende informatie bijgekomen.

Minister Korthals: Dan geeft u mij verkeerd weer. U moet precies zeggen op welke punten. Men heeft mij bijvoorbeeld gevraagd of ik voor twee in één cel ben. Ik heb geantwoord dat ik daarvan nooit een tegenstander ben geweest, ook niet als Kamerlid. Het regime dat wij in onze Nederlandse gevangenissen hebben, is daar echter niet geschikt voor. Overigens is het bekend – ik zeg dat in het bijzonder tegen de heer Dittrich – dat er in zelfmeldersinrichtingen al meer mensen in één cel zitten. In het kader van noodwetgeving heb ik er geen bezwaar tegen dat er meer mensen in één verblijfs-ruimte een plaats hebben. Een andere kwestie is de militaire inzet. Het is duidelijk dat ik daar bij voorkeur niet toe over zou willen gaan om de doodeenvoudige reden dat er deskundigheid nodig is voor de bewaking. De militairen hebben in het algemeen een andere opdracht voor de bezorging en de bejegening van de gedetineerden. Ik ga er nu mee akkoord dat militairen voor de bewaking zullen zorgen en dat de verzorging door anderen zal worden gedaan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Ik kan nog een paar voorstellen noemen waar de minister het niet mee eens is. Ik noem de bouw van de 600 cellen, terwijl de minister een paar weken geleden heel duidelijk zei: wij moeten het land niet vol zetten. U komt nu aardig in die richting, zou ik zeggen. U was altijd tegen uitbreiding van de bevoegdheid van de politierechter. Nu wilt u het wel. Mijn vraag is: bent u van mening veranderd of staat u hier met een plan van aanpak dat eigenlijk het uwe niet is maar van de ministerpresident?

Minister Korthals: Dit is erg flauw. Alles wordt uit zijn verband gerukt. Ik heb mij niet gestoord aan hetgeen de minister-president op een gegeven moment vrijdagavond heeft gezegd. Hij heeft precies weergegeven wat er in de ministerraad is besproken. Dat is zijn taak. Het is niet het plan van aanpak van de minister-president. Het belangrijkste deel is van het ministerie van Justitie afkomstig.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Eerlijk gezegd maakt het mij niet zoveel uit of u zich hebt gestoord aan de uitlatingen van de ministerpresident. Schijnbaar hebt u het dan niet gered in de ministerraad.

Minister Korthals: Het plan van aanpak is voor 97% uitgevoerd, zoals ik het heb voorgesteld.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dan mag ik concluderen dat het beleid dat u de afgelopen jaren heeft verdedigd en waarin wij u dikwijls hebben gesteund, na een maatschappelijk incident en een ernstig incident eigenlijk helemaal van tafel wordt geveegd. Uw eigen opvattingen halen het niet onder politieke druk.

De voorzitter: Dat was uw conclusie, mevrouw Halsema. Het woord is nu aan de minister.

Minister Korthals: Het gaat niet om mijn eigen opvattingen. Wij hebben nu met een bijzondere situatie te maken. Ik vond de vergelijking met de dijkdoorbraak niet onaardig. Ik weet dat ik daarmee moet oppassen, want dan komt mevrouw Halsema weer met het vingertje in de dijk. Wij zijn ineens met een fenomeen geconfronteerd dat ik in het jaar 2000 niet kon voorzien. Ik heb dat in het jaar 2001 geprobeerd op te vangen volgens de regels die wij in Nederland hebben voor het gevangeniswezen.

De heer De Wit (SP): De minister heeft gisteren gezegd dat hij gevoel heeft bij de kritiek die bijvoorbeeld vanuit de wetenschap op zijn plan van aanpak is gekomen. Betekent dit dat hij toch aarzelt over de rechtsstatelijkheid van zijn plan?

Minister Korthals: Het betekent dat ik gevoel heb voor wetenschappers met hun zeer sterke benadering van de privacygedachte van de verdachte, het belang van de verdachte en de hoge minimumstandaarden die wij zouden moeten hanteren.

Daarvoor heb ik begrip. Ik heb tot het laatste moment geprobeerd het probleem via andere wegen op te lossen, maar nu zijn wij in een noodsituatie terechtgekomen. Als iemand mij twee jaar van tevoren had gezegd dat dit stond te gebeuren, hadden wij waarschijnlijk eerder maatregelen kunnen en moeten nemen.

De heer De Wit (SP): Erkent u de juistheid van de kritiek die wetenschappers en de Kamer uiten over de vervroegde invrijheidstelling, de bevoegdheden van de politierechter en alle andere zaken die juist benadrukt worden vanuit het oogpunt van de handhaving van de rechten die wij in onze rechtsstaat hebben opgebouwd?

Minister Korthals: Bij een mondeling overleg heb ik de heer Van Oven al laten weten dat ik steeds meer begin te voelen voor het initiatiefwetsvoorstel-Van Oven/Vos.

De heer Van der Staaij (SGP): In het plan van aanpak worden allerlei maatregelen beschreven voor het gevangeniswezen. Het gaat over mobiele cellen en dergelijke. Waarom konden dit soort maatregelen niet eerder worden genomen?

Minister Korthals: Wij hebben dat gedaan. Ik heb in de brieven die ik hierover naar de Kamer heb gestuurd, aangegeven welke incidentele maatregelen wij hebben genomen om de gevangeniscapaciteit uit te breiden. Wij deden dat altijd in reactie op een situatie die er dan was. Ik heb aangegeven dat dit noodzakelijk was. Wij hebben dat niet van de ene dag op de andere gedaan. Wij zijn voortdurend bezig geweest met nieuwe capaciteit toen wij de cellenproblematiek zagen. Die cellencapaciteit werd aanvankelijk opgelost door de 103%-maatregel. Het personeel kreeg daartegen terecht grote bezwaren, vandaar dat wij per 15 december die 103% structureel hebben teruggebracht naar 100%.

De heer Van der Staaij (SGP): Dat neemt niet weg dat er nu ineens flink veel extra capaciteit mogelijk blijkt te zijn, terwijl dat in het verleden niet

Minister Korthals: Heel veel van die cellen zijn politiecellen die door de zo was.

politie worden beheerd. Er zijn ook cellen bij van de marechaussee waarvoor de marechaussee zorgt. Dat raakt niet direct het personeel van het gevangeniswezen. Het betreft vaak cellen in huizen van bewaring.

Voorzitter. Ik kom op de beantwoording van de vragen. Ik vrees dat ik nog even bezig ben.

De voorzitter: Ik durf het bijna niet te vragen, maar hoeveel tijd denkt u nodig te hebben voor het beantwoorden van de vragen?

Minister Korthals: Zonder interruptie vijftig minuten.

De heer Van der Staaij sprak over het verlagen van de strafeis door het openbaar ministerie. Die is uit nood geboren. De capaciteit bij de rechterlijke macht is beperkt. Op deze wijze kunnen meer zaken door een enkelvoudige rechter worden afgedaan. Uiteindelijk beslist de rechter over de strafmaat. De ongelijke behandeling in het vorderingsbeleid ten opzichte van de rest van het land kan niet structureel voortduren. Dat ben ik met de heer Van der Staaij eens. Vandaar dat de bevoegdheid van de politierechter wordt uitgebreid. Als het aan mij ligt, gebeurt dat op zeer korte termijn als de beide Kamers hiermee instemmen. Dit is een structurele maatregel die dan voor het hele land geldt. Dan kan het rekwireerbeleid op de oude voet worden voortgezet. Wij komen hierover verder te spreken bij de behandeling van het wetsvoorstel.

De heer De Wit vroeg wie IVO krijgen. Er zijn objectieve criteria voor. Zo moet 90% van de straf uitgezeten zijn en mag er maximaal 60 dagen strafrestant zijn. Voor bepaalde delicten geldt het niet, zoals zedendelicten. Ook mag er geen sprake zijn van een executieindicator van het openbaar ministerie. Subjectief zijn er aanvullende criteria: gedrag in de inrichting, deelname aan lopende programma’s, et cetera.

De heer Dittrich (D66): Een deel van mijn betoog ging over het rekwireer-beleid en de competentiegrens. De vraag van de heer Van der Staaij is heel kort beantwoord. Ik voel mij daarom gedwongen om te vragen hoeveel kilo een verdachte bij zich moet hebben om de officier van justitie te laten beoordelen of de zaak bij de politierechter of de meervou- dige kamer voorgelegd moet worden. Er bestaat een vuistregel. Daar staat in de stukken niets over. De minister zegt er in zijn antwoord ook niets over.

Minister Korthals: Ik kan daarover een staatje verstrekken. Naar ik meen ligt de grens bij ongeveer een kilo.

De heer Dittrich (D66): Betekent dit dat zonder verhoging van de grens van zes maanden de zaak van een verdachte met drie kilo bij de politierechter wordt voorgelegd?

Minister Korthals: Ik ken de precieze getallen niet. Ik zal die de Kamer doen toekomen.

De heer Dittrich (D66): De vuistregel is altijd geweest dat een kilo een jaar straf oplevert. Het kan dus nooit bij de politierechter aanhangig zijn gemaakt.

Minister Korthals: Na de verhoging van de competentie van de politierechter naar straffen tot een jaar kan bij de politierechter tot twee kilo aanhangig worden gemaakt.

De heer Dittrich (D66): Hoe staat het met de ons omringende landen? Organiseert de minister geen aanzuigende werking, omdat in andere landen veel hogere eisen worden geëist en opgelegd voor hetzelfde aantal kilo’s?

Minister Korthals: Dat is heel belangrijk. Er moet onderzoek naar gedaan worden, zodat de landen niet te veel uit de pas lopen.

De heer Dittrich (D66): Eerst een voorstel doen en daarna onderzoek instellen is toch de verkeerde volgorde?

Minister Korthals: De bedoeling van de verhoging naar een jaar is dat de politierechter meer zaken kan behandelen. Dat lijkt mij duidelijk. De politierechter kan dat nu tot een kilo en kan dat na de verhoging tot ongeveer twee kilo. Ik weet dat overigens niet helemaal zeker. Ik kom daar in tweede termijn op terug.

De voorzitter: De minister komt er dus in tweede termijn op terug.

De heer Van Oven (PvdA): Kan de minister de vraag beantwoorden of na verhoging van de straf- bevoegdheid van de politierechter tot een jaar aanpassing van de rekwireerrichtlijnen ten aanzien van Haarlem nog noodzakelijk is?

Minister Korthals: Nee, het is de bedoeling dat die aanpassing dan achterwege kan blijven, zodat wij de ongelijkheid die nu in de verschillende arrondissementen bestaat kunnen wegnemen.

Voorzitter. De heer Rietkerk stelt dat het IVO nu structureel wordt. Dat was al nooit de bedoeling en dat is nog steeds niet de bedoeling. Daarom proberen wij zo snel mogelijk meer noodcapaciteit te krijgen. Ik geef toe dat het veelvuldig zal voorkomen gedurende de periode dat wij die noodcapaciteit nog niet hebben. Wij gaan ervan uit dat dit pas kan vanaf ongeveer 1 maart. Ik heb een draaiboek opgemaakt voor de noodwet. Het luistert allemaal ongelooflijk nauw. Die wet kan er op z’n vroegst per 1 maart a.s.

Verder vroeg de heer Rietkerk waarom onder de huidige omstandigheden het besluit wordt genomen om het huis van bewaring de Blokhuispoort te sluiten. Ik wil graag een misverstand wegnemen. Het gaat hier niet om het sluiten of afstoten van capaciteit, maar om een besluit tot vervangende nieuwbouw, ter vervanging van zowel het huis van bewaring in Groningen als het huis van bewaring de Blokhuispoort in Leeuwarden. Voor de sluiting van de Blokhuispoort is nog geen datum bepaald, maar de Blokhuispoort blijft in elk geval open tot het gereedkomen van de vervangende nieuwbouw in Groningen, die naar verwachting in 2005 gereed zal zijn. Voorlopig wordt dat huis van bewaring dus nog niet gesloten.

Mevrouw Halsema vroeg of er niet meer alternatieven, zoals penitentiaire programma’s en elektronische detentiehuizen, benut kunnen worden om de druk op de celcapaciteit te verminderen en meer gebruik te maken van taakstraffen. Ik vind dat wij voorzichtig moeten zijn met het uitdelen van taakstraffen. Ik heb al vaker de stelling gehuldigd dat het uitdelen van taakstraffen geen doel op zichzelf moet zijn. Als wij onszelf op dat gebied niet willen tegenkomen, dan moeten ze niet te snel opgelegd worden. Wij gaan door met het creëren van elektronische detentiehuizen. Zoals wellicht bekend is, maken wij de penitentiaire programma’s na wijziging van de wet mogelijk voor een grotere kring van mensen.

Mevrouw Halsema wil van mij de garantie dat de invoering van noodwetten niet tot inhumane omstandigheden zal leiden in het gevangeniswezen. Ik ben het daar volstrekt mee eens. Wij zullen daar ook op toezien. Zaken als toezicht, beklagmogelijkheden en luchten zullen wij bespreken bij de behandeling van de noodwet. Bovendien zullen wij de Kamer periodiek inlichten over de voortgang.

De heer Niederer heeft gevraagd of de aanpak van de Antillen en Aruba toereikend is. Als de Nederlandse Antillen en Aruba de maatregelen adequaat en volgens afspraak uitvoeren, kan een behoorlijke ontmoediging worden bereikt, gezien de toegenomen pakkans. Daar wil ik toch een paar dingen over zeggen. Wij zijn bereid om te helpen met de financiering van extra bewakers in de Koraal Specht. Wij zijn ook bereid om de apparatuur op de verschillende luchthavens te betalen en tot andere soorten ondersteuning. Wat dat betreft heeft Nederland zijn goede wil getoond, maar de Nederlandse Antillen en Aruba zullen ook daadwerkelijk de afgesproken maatregelen moeten treffen. Nadat ik zelf al een aantal mensen had gesproken, is er ook nog een ambtelijke delegatie heengegaan om nog eens precies vast te leggen dat wij ons zullen houden aan de afspraken die over en weer gemaakt zijn.

Dan is gevraagd hoe het in het buitenland zit. Ook het Verenigd Koninkrijk kampt met een immens bolletjesslikkersprobleem. Daar is het aanvoerland met name Jamaica. Het hangt vaak samen met de banden die er bestaan en de luchtvaartmaatschappijen die er vliegen.

De heer Van Oven (PvdA): Kan de minister niet wat specifieker zijn over de afspraken met de Antillen? Ik heb onder andere gevraagd naar de ’’mole’’, bolletjesslikkerstoiletten en ook heb ik gewezen op het geweldige personeelstekort bij de Bon Futuro-gevangenis. Als daarin geen verbetering komt, zal het beleid moeilijk kunnen slagen.

Minister Korthals: Ik heb diverse punten genoemd waarbij wij behulpzaam zullen zijn. Er staat al een mole op vliegveld Hato. Ook Sint

Maarten krijgt een mole, terwijl Aruba eveneens apparatuur krijgt. Nederland gaat verder scans leveren en stelt honden ter beschikking aan Aruba. Het materiële probleem zal niet echt groot hoeven te zijn.

De heer Van Oven (PvdA): Dan zijn er nog de personele problemen bij douane, politie en gevangenissen.

Minister Korthals: Vandaar dat de bewaking zal worden uitgebreid met 30 tot 40 mensen. Die zouden gerekruteerd kunnen worden in de Verenigde Staten. Daarvoor zijn financiële middelen beschikbaar gesteld. In het kader van het recherchesamenwerkingsteam wordt behoorlijk samengewerkt. Dat laatste kan beter, maar daarover zijn op 30 november jl. nadere afspraken gemaakt. Men kan dus gebruik maken van de hulp die Nederland biedt, maar men moet het dan ook willen.

De heer Van Oven (PvdA): Het recherchesamenwerkingsteam bestaat al vijf jaar en had van dit team niet mogen worden verwacht dat het de problematiek in het verkeer tussen de luchthavens zou hebben aangepakt en een studie zou hebben gemaakt van de organisaties die erachter zitten?

Minister Korthals: Het team heeft in

R M. Sablerolle–Gouda

ieder geval 3600 kilo drugs onderschept. Er kan nog meer gebeuren, maar u weet dat er af en toe enige wrijving was tussen de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland over de wijze waarop het team zou moeten worden ingezet. Onlangs is hierover overeenstemming bereikt.

De heer Niederer (VVD): Doelt de minister op de Bovenwindse én de Benedenwindse Antillen?

Minister Korthals: Ja, wij richten ons niet alleen op Curac¸ao maar ook op Sint Maarten. Het probleem moet echter primair door de Antillen zelf worden opgelost. Wij moeten niet voorschrijven wat men daar moet doen. Er zijn afspraken gemaakt en daaraan zullen wij de partijen houden. Om dat nog eens te bevestigen, komt dit plan van aanpak ook ter bespreking in de Rijksministerraad.

Het Schipholteam zal worden uitgebreid; de marechaussee met 30 en de douane met 21 mensen. In eerste instantie zal dat iets van een verschuiving met zich meebrengen, maar het is de bedoeling dat er op termijn sprake is van een structurele uitbreiding.

De heer Niederer (VVD): Er ligt nu een wetsvoorstel bij de Eerste Kamer om de beveiligingstaken op Schiphol te privatiseren. Als dat wordt aangenomen, kan er marechausseecapaciteit worden uitgespaard. Verwacht u dat die capaciteit kan worden ingezet in het kader van het Schipholteam als het gaat om het opsporen van drugssmokkelaars?

Minister Korthals: U weet dat de behandeling van dat wetsvoorstel na de gebeurtenissen van 11 september op een laag pitje is gezet. Als het wordt aangenomen, kan de vrijkomende capaciteit bij de marechaussee ook voor andere doeleinden worden ingezet.

De heer Dittrich heeft gevraagd of er sprake is van verdringingseffecten. Het beleid dat is verwoord in het plan van aanpak ziet louter toe op de drugshandel die via Schiphol verloopt. Deze gang van zaken is terecht gelet op de cruciale schakel die Schiphol blijkt te zijn in het transport van grote hoeveelheden drugs door criminele organisaties. De kans is niet denkbeeldig dat bij een goede aanpak van de koeriers op Schiphol, een verschuiving en een verdringing naar andere luchthavens zal plaatsvinden. Om die reden moet goed contact worden onderhouden over hetgeen op Schiphol plaatsvindt zodat andere luchthavens zich kunnen voorbereiden op eventualiteiten.

De heer Dittrich (D66): Ik doelde op andere verdringingseffecten; het aanpakken van straatroof of andere ernstige vormen van criminaliteit mag niet ondergesneeuwd raken omdat alle aandacht op de bolletjes gericht is.

Minister Korthals: Wij willen dit probleem grootscheeps aanpakken. Over het geheel van het tekort aan handhaving is een zeer uitvoerige nota naar de Kamer gestuurd, de nota Criminaliteitsbeheersing. Op basis daarvan proberen wij het tekort in te lopen. In ieder geval zal getracht worden, op Schiphol extra capaciteit in te zetten.

De heer Van Oven heeft gevraagd of het Schipholteam op 24 en 31 december 2001 werkzaam was. Hij informeerde naar de afspraken over de feestdagen. Op 24 december, kerstavond, en 31 december, oudejaarsavond, is er door het Schipholteam gewerkt. Ik meen dat ik dit tevens gemeld heb in mijn brief van 18 januari 2002. Ik heb evenwel de indruk dat er op die avonden op zeer beperkte schaal is gewerkt. Ik

vermoed dat het rooster voor die avonden zodanig was opgesteld dat veel mensen vrij hadden. Dit laat onverlet dat er geen sprake was van celcapaciteit. Kortom, ik vermoed dat het Schipholteam van een behoorlijk lagere omvang was op die avonden.

De heer Rietkerk heeft gevraagd welke interne departementale overleggen tussen 6 december, de dag van de brief van staatssecretaris Bos, en 19 december, de dag van de overlegvergadering, hebben plaatsgevonden. Ik ben op hoofdlijnen ingegaan op de overleggen die op mijn departement over dit onderwerp hebben plaatsgevonden maar ik zal nog eens expliciet aangeven wanneer wij over dit onderwerp hebben gesproken. Ik zal daarbij de door de heer Rietkerk aangewezen periode aanhouden van 6 tot 19 december 2001.

De heer Rietkerk (CDA): De brief van staatssecretaris Bos was van 6 december. Vaak volgt een dergelijke brief aan het einde van een bepaald traject. Ik doelde met mijn vraag op de periode daarvoor: welk departementaal overleg heeft voor 6 december plaatsgevonden?

Minister Korthals: In dat geval zou ik de Kamer over de verkeerde periode inlichten. Ik hoop dat het mij wordt vergund om die vraag in tweede termijn te beantwoorden.

De heer Dittrich heeft zeer expliciet gevraagd naar aandacht voor Sint Maarten. Een en ander valt binnen de regeling die wij hebben getroffen. Hij heeft ook gevraagd of wij al eerder door de Antillen gewaarschuwd zijn. Het antwoord daarop is ja; het was natuurlijk best bekend dat er veel drugskoeriers vanuit de Antillen naar Nederland kwamen. In 1999 waren het er 693, in 2000 750. De drugskoeriers kwamen niet allemaal uit de Antillen. Bekend was dat vermoedelijk tweederde uit de Antillen komt.

De heer Rouvoet had het over de stelling van de heer Pourier: het probleem is te wijten aan de drugscultuur in Nederland. Ik ben daarop al ingegaan. Er worden in Nederland veel drugs geconsumeerd. Dat is van invloed op de lijnen richting Nederland.

Het bewakings- en toezichtsregime met betrekking tot de 90 cellen op Schiphol is gelijk aan dat van de huidige slikkerscellen. De Kmar is daarvoor verantwoordelijk.

De heer Dittrich vroeg: hoelang kan iemand in een cel die onder de noodwetgeving valt, worden vastgehouden? De drugssmokkelaars kunnen op grond van de noodwet in een noodvoorziening worden ingesloten zowel in het kader van de inverzekeringstelling als wanneer het gaat om de bewaring en de tenuitvoerlegging van de straf. Als wij dat niet zouden doen, zouden wij spaak gaan lopen terzake van de gevangenissen.

Welke maatregelen zijn er genomen vanaf juni 2001 voor meer celcapaciteit? De heer Dittrich vroeg ernaar. Ik zal die waslijst noemen want anders wordt er gedacht dat er niets is gebeurd. De ontwikkeling van de toegenomen druk op de capaciteit is door mij nauwgezet gevolgd en ik heb in reactie daarop de nodige maatregelen genomen. DJI rapporteert wekelijks over de ontwikkelingen in de capaciteit en de feitelijke bezetting en over de maatregelen die zijn genomen om het aanbod aan in te sluiten verdachten en veroordeelden op te vangen. Sinds eind 2000 is een pakket maatregelen getroffen om extra capaciteit te creëren. Deze maatregelen zijn van velerlei aard. In 2001 hebben mijn besluiten al tot extra aanvullende capaciteit geleid. Ruim 300 cellen die gesloten hadden zullen worden volgens het master-plan DJI zijn in gebruik gehouden of weer in gebruik genomen. In Nieuwersluis zijn 60 extra cellen reguliere capaciteit gerealiseerd. Sinds 2001 is de 103%-maatregel toegepast. Die is overigens structureel weer afgebouwd per 15 december. De capaciteit voor vreemdelingenbewaring die vrij was is tijdelijk ingezet voor preventieven en arrestanten, in het derde kwartaal oplopend tot 200, in het vierde kwartaal tot 150. Overigens komt er nu ook weer druk op de vreemdelingenbewaring. Ook zijn 72 onbenutte SOV-plaatsen ingezet als reguliere capaciteit. Er zijn 20 experimentele plaatsen gecreëerd in de elektronische detentiehuizen. Daarnaast verbleven verdachten en arrestanten zo nodig en waar mogelijk langer op het politiebureau. Die maatregel is beperkt geworden in sommige arrondissementen. In 2001 was het gemiddeld 259, ruim 200 meer dan waarop wij hadden gerekend bij de prognoses. Niet te vergeten de extra capaciteit, 48 plaatsen vanaf september 2001, in Scheveningen. Daarnaast leiden de maatregelen waartoe ik in 2001 heb besloten ook in 2002 nog eens tot extra capaciteit. Deze extra plaatsen zijn meegenomen in het plan van aanpak. Concreet gaat het in 2002 om de volgende extra plaatsen. Het is wat kinderachtig om het te noemen. Ik wil alleen maar aangeven dat wij niet stilgezeten hebben. Veenhuizen: cellen gebouwd met 34 plaatsen en 10 afzonderingsplaatsen gebruikt als reguliere capaciteit. Rotterdam: 28 extra plaatsen in de Bergstraat. In Roermond komen er 100 plaatsen door heropening van het oude huis van bewaring. Plaatsing noodcapaciteit bij diverse inrichtingen buiten de Randstad met in totaal 192 plaatsen. Het realiseren van 192 plaatsen, direct inzetbare reservecapaciteit bij diverse inrichtingen en uitbreiding executiemodaliteiten met 72 plaatsen. De start daarvan is in juni met 12 plaatsen en in november volledig beschikbaar.

De heer Rietkerk (CDA): De brief van het OM vermeldt dat er, naast de slikkerscellen, een probleem rijst in verband met de huisvanbewarings-cellen. Het DJI-masterplan geeft aan dat er vanwege bezuinigingen een capaciteitsbijstelling is van bijna 500 cellen minder in het gevangeniswezen. Ik ben benieuwd hoeveel van deze cellen zijn omgezet naar nieuwe huisvanbewaringscellen. Het gaat nu te ver om te spreken over de sectoren TBS, jeugdinrichtingen enz. Het probleem zit ’m in de slikkerscellen en vervolgens gaat het om de huisvanbewaringscellen. Kunt u daarvoor totaalgetallen geven?

Minister Korthals: Op het probleem van de huisvanbewaringscellen en de berekening in dat verband kom ik in tweede termijn terug. De slikkerscellen worden op het moment aangevoerd, zodat er wat dat betreft geen problemen meer zijn. Voor de toekomst kan de noodwetgeving zorgen voor meer plaatsen, óók in het kader van de huizen van bewaring.

De heer Rietkerk (CDA): Is mijn conclusie juist dat de 48 slikkerscellen, gebruikt bij de goed geslaagde actie in september – toen zijn er meer dan 60 bolletjesslikkers gepakt – ook daarna volop zijn gebruikt?

Minister Korthals: Neen.

De heer Rietkerk (CDA): Waarom niet?

Minister Korthals: Ze zijn wel gebruikt, maar voor een belangrijk gedeelte voor vrouwen. Wij hadden voldoende slikkerscellen om de mensen op te pakken.

De heer Rietkerk (CDA): Ik begrijp nu dat die 48 slikkerscellen in feite buiten werking zijn gesteld.

Minister Korthals: Neen. Ze zijn niet voor de bolletjesslikkers gebruikt maar voor vrouwen. Het is bekend dat wij ook wat dat betreft een groot probleem hebben. De normale verhouding in het gevangeniswezen tussen mannen en vrouwen is: 25:1, maar bij de drugskoeriers is het 3:1. Verhoudingsgewijze lopen de vrouwen dus in. Er zijn ook andere redenen aan te geven waarom het percentage vrouwen hoger wordt.

De heer Rietkerk (CDA): Hoeveel slikkerscellen zijn er nu extra bijgekomen vanaf de geslaagde actie, dus vanaf 1 oktober?

Minister Korthals: Dat weet ik niet precies. Ook daarop kom ik in tweede termijn terug.

Voorzitter. De heer Van Oven vraagt of de noodwet ook van toepassing is op jeugdigen. Hij zou dat liever niet zien. Welnu, de noodwet is in principe ook van toepassing op jeugdigen maar het beleid is erop gericht, jeugdigen zoveel mogelijk in normale voorzieningen te plaatsen. In de noodvoor-ziening zullen jeugdigen in elk geval in verblijfsruimten worden gescheiden van volwassenen, áls het al zover komt.

De heer Van Oven (PvdA): Mijn vraag is ook ingegeven door het feit dat Nederland al eens is berispt vanwege de behandeling van jeugdigen volgens het volwassenenstrafrecht. Lopen wij in het kader van het Verdrag voor de rechten van het kind niet bepaalde risico’s?

Minister Korthals: Dat is nagegaan en gesteld is dat dat niet het geval is, maar vóór het wetsvoorstel bij de Kamer wordt ingediend, zal hieraan extra aandacht worden besteed. Als het goed is, wordt het wetsvoorstel al aanstaande vrijdag naar de Kamer verzonden.

De heer Van Oven (PvdA): Misschien is het goed, u nu al te zeggen dat mijn fractie zich op dit punt alle ruimte voorbehoudt.

Minister Korthals: Voorzitter. Mevrouw Halsema heeft de hartenkreet geslaakt: dit is niet de brief waarom wij hebben gevraagd. Dat kan ik mij wel voorstellen, zeker van haar. Ik vraag mij af wat zij wél precies had willen hebben.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Wij hadden gevraagd om een inventarisatie door het landelijk parket. Dit is een samenvatting van die inventarisatie. Wij hadden cijfertjes gewild, over het afgelopen jaar. Wij hebben nu iets gekregen over het afgelopen halfjaar, wat overigens op zichzelf al interessant genoeg is. Het aantal heenzendingen blijkt veel hoger te zijn dan de minister eerder heeft gezegd.

Minister Korthals: De info in de brief is exact gelijk aan de informatie door het openbaar ministerie die ik heb gekregen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Hoe komt het dan dat er over de periode van januari tot en met juli geen informatie is? Volgens mij hoort die ook bij een jaar.

Minister Korthals: Wij hebben het hele jaar nog niet. Ik zal het nagaan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Betekent het ook dat er in de andere parketten geen heenzendingen zijn geweest? Er zijn er hier maar drie opgesomd.

Minister Korthals: Niet anders dan wat in de brief staat.

Waarom heb ik na het debat op 12 december jl. niet alsnog schriftelijk de ernstige situatie op Schiphol gemeld? Ik meen daarover uitvoerig te hebben gesproken.

De heer Van Oven (PvdA): Ik heb een voor mijn fractie wezenlijk punt in de beantwoording gemist, namelijk op de vraag of en in hoeverre de minister bereid is te verzekeren dat er geen mensen meer worden heengezonden. Ik heb hem daarover schriftelijke vragen gesteld, die hij ook heeft beantwoord Dat had echter betrekking op de periode tot dit debat.

Minister Korthals: Op schriftelijke vragen van de heer Van Oven heb ik geantwoord dat ik geen garantie kan geven, maar dat ik er uit de informatie die ik had gekregen van verzekerd was dat er van afgelopen donderdag tot nu geen heenzendingen zouden plaatsvinden. Ik had daar bijna spijt van, zo kan ik nu zeggen, gelet op het enorme aantal, 171. Op het ogenblik gaat het maar door. Niettemin is er kunst- en vliegwerk gebruikt en zijn allerlei inventieve mogelijkheden benut. In alle eerlijkheid moet ik echter zeggen, dat de periode tot 1 maart een onwaarschijnlijk moeilijke periode wordt. Wij doen er alles aan dat er geen heenzendingen zullen plaatsvinden, tenzij er sprake is van bijzondere gebeurtenissen, die de heer Van Oven zelf terecht aangaf als onvoorziene omstandigheden. Ik ben het eens met zijn benadering dat het vervolgens aan de minister is om te verklaren dat er op een bepaald punt een onvoorziene omstandigheid is geweest. Dat is overigens een begrip dat in het recht, zowel civielrechtelijk als bestuursrechtelijk, algemeen van toepassing is. Ik was dan ook blij dat hij er zelf op duidde. Hoe moeilijk de situatie ook zal zijn vanaf nu tot het moment dat de noodwet van toepassing zal zijn, ik meen dat ik kan zeggen wat al op bladzijde 18 van het plan van aanpak staat.

De heer Van Oven (PvdA): Mag ik ervan uitgaan dat, mocht zich zo’n geval van overmacht voordoen, de minister de Kamer uit eigen beweging informeert?

Minister Korthals: Dat mag u zeker. Zo’n overmachtsituatie is soms te voorzien, maar meestal zal het achteraf moeten gebeuren. Overigens ga ik ervan uit dat het niet gebeurt.

De heer De Wit (SP): Ik heb uit het plan van aanpak begrepen dat er van alle maatregelen slechts één een noodmaatregel is, te weten het opsluiten van mensen in een groepsruimte. Die inbreuk op de Penitentiaire beginselenwet is tijdelijk, namelijk voor een jaar met mogelijk een verlenging van nog een jaar. Alle andere maatregelen zouden niet aan een termijn gebonden zijn en geen beperkingen bevatten zoals in de noodwet voorzien.

Minister Korthals: Met één

uitzondering. Er is een algemene maatregel van bestuur die momenteel voorhangt, over nevenzittings-plaatsen. In beginsel is die tijdelijk van aard. Strafzaken van de rechtbank in Haarlem en het hof in Amsterdam kunnen ook worden berecht in andere ressorten.

De heer Rietkerk (CDA): Ik heb nog een vraag over de acties om bolletjesslikkers aan te houden en te berechten. Op 12 december zegt de minister dat die acties zijn gestart en dat ze aanvankelijk zeer succesvol zijn. De gedachte daarbij was het te temporiseren maar in de praktijk blijkt dat men gewoon met die acties doorgaat omdat men helemaal op het spoor zit. In de brief van de heer Wooldrik van december staat duidelijk dat terughoudendheid wordt aangehouden. De brief van staatssecretaris Bos spreekt van een onverteerbare situatie op 6 december. Douaniers geven aan dat tientallen bolletjesslikkers per week hen lachend passeren vanwege het verzoek van het OM. Staat deze informatie niet haaks op de feiten die tot de minister zijn gekomen?

Minister Korthals: Het is de bedoeling dat van nu af aan op alle tips en informatie van de crew wordt gereageerd. De 100% acties zullen geleidelijk toenemen zodat mensen in een vliegtuig die maar enigszins verdacht zijn worden gecontroleerd. Deze acties worden opgebouwd. Gelet op de celcapaciteit zal dit niet van de ene op de andere dag zijn gerealiseerd, maar wij proberen dat zo snel mogelijk te doen.

De heer Rietkerk (CDA): Dat is voor de toekomst. Ik vroeg verantwoording over het verleden. Bij de succesvolle acties was het vanaf september de bedoeling om te temporiseren. Het was echter de bedoeling dat het Schipholteam gewoon doorging met de acties, dat wil zeggen: veel aanhoudingen en berechtingen omdat men op het spoor zat. Dit klopt toch niet met de praktijk uit september, oktober, november en december? Uit de feiten van het OM, de brief van staatssecretaris Bos en brieven via kranten van douaniers blijkt dat men terughoudend moest zijn bij aanhoudingen vanwege de cel-problematiek. De acties van september heeft de minister niet kunnen doorzetten.

Minister Korthals: In november en december was er onvoldoende capaciteit. In de toekomst zullen de normale douanewerkzaamheden moeten worden uitgevoerd.

De heer Rietkerk (CDA): Ik begrijp dan dat wat de minister op 12 december zei niet juist is. Er staat dat er niet getemporiseerd wordt en dat men volop doorgaat met de acties. Kennelijk kon alleen met die acties worden doorgegaan als er voldoende capaciteit en menskracht was en dat was niet het geval.

Minister Korthals: Als die capaciteit er niet is, kan er niet mee gewerkt worden. Wat wordt geconstateerd, wordt opgepakt.

De vergadering wordt van 17.45 uur tot 18.00 uur geschorst.

De voorzitter: In de tweede termijn zal de heer Balkenende namens de CDA-fractie het woord voeren. De spreektijden in de tweede termijn bedragen eenderde van die in de eerste termijn. Aangezien men in de eerste termijn uitgebreid heeft kunnen interrumperen, zal ik in de tweede termijn uitgebreide interrupties niet toestaan. Als men iets te vragen heeft, moet het één vraag zijn. Voor uitgebreide interrupties heeft men alle kans gehad in de eerste termijn.

©

De heer Balkenende (CDA): Mevrouw de voorzitter. Televisiekijkend Nederland kon bij monde van de heer Mingelen aan het begin van dit debat beluisteren dat de minister dacht, het parlement tevreden te kunnen stellen met een pakket van maatregelen, het plan van aanpak. Ik denk dat een scherp onderscheid moet worden gemaakt tussen het afleggen van verantwoording over wat is misgegaan en het indienen en bespreken van een plan van aanpak met het oog op de toekomst. Een plan van aanpak kan en mag niet in de plaats treden van het afleggen van verantwoording. In die zin heeft de heer Niederer van de VVD-fractie met het oog op de ministeriële verantwoordelijkheid mij wat verbaasd, toen hij opmerkte dat hij het verleden niet zo bijster interessant vond.

In zijn verantwoording heeft de minister een uitvoerige schets gegeven van de gang van zaken sinds april van het vorige jaar. Het betoog klonk als een rechtvaardiging, maar bij nadere beschouwing lijken wij tot geen andere slotsom te kunnen komen dan dat een aantal zaken fout is gegaan. Ik noem vier aspecten.

In de eerste plaats zegt de minister dat hij in april op de hoogte was van de ernst van de problematiek. Vandaag is het 23 januari en pas nu praten wij over een plan van aanpak met concrete maatregelen, ondanks de brief van staatssecretaris Bos van 5 juni, ondanks zijn brief van 6 december en ondanks de brief van de heer Wooldrik van 3 december.

In de tweede plaats moeten wij letten op de opstelling van het openbaar ministerie. Uit de brief van de heer Wooldrik van 3 december blijkt dat het al gebruik was in het beleid om terughoudend te zijn met het aanhouden van koeriers. Er wordt zelfs gesproken over het laten lopen van grote groepen koeriers. Ook het heenzenden van Nederlandse drugskoeriers was al beleid. In deze brief komt naar voren om deze beleidsregel ook te gaan toepassen op niet-Nederlandse koeriers. Dan grijpt de minister in; hij waarschuwt zijn secretaris-generaal. Het informeren van de secretarisgeneraal doet echter niet af aan het feit dat het beleid van het openbaar ministerie niet past in een rechtsstaat en al zeker niet bij het rechtsgevoel van de burger. Over de contacten tussen de minister en de secretarisgeneraal had in elk geval toch de Kamer geïnformeerd kunnen worden.

In de derde plaats komt de vraag op wanneer deze minister in actie is gekomen. Als wij de feiten op ons laten inwerken, is de conclusie geen andere dan pas nadat er druk kwam vanuit het parlement, mijn collega Rietkerk, andere fracties, premier Kok en druk vanuit de samenleving. Dan pas komt de zaak in een stroomversnelling. Wij hebben vandaag gesproken over noodzakelijke maatregelen. Daar doet ook mijn fractie niets aan af. Je krijgt echter wel een merkwaardig gevoel als je bedenkt dat toen mijn collega Rietkerk in het debat op 12 december maatregelen voorstelde om het heenzenden van criminele figuren tegen te gaan en om te werken aan verbetering van de capaciteit justitiële inrichtingen, de minister toen nog aanvaarding van deze moties ontraadde.

In de vierde plaats is de informatie aan de Kamer onvolledig en onjuist geweest. De minister zegt het zelf: ik heb de Kamer op een bepaald moment niet volledig geïnformeerd, want sommige oplossingen waren nog niet bekend. De heer Van Oven heeft een nieuwe aanduiding gebruikt, ’’omfloerst informatie verstrekken’’, maar dat neemt niet weg dat gewoon sprake is geweest van onvolledigheid. En dat past niet in moderne democratische verhoudingen.

Wat is nu het gevolg van hetgeen zich heeft afgetekend? Naar mijn mening is dat drieërlei:

  • het rechtsgevoel van de burger is ernstig geschaad;
  • de rechtsstaat heeft een forse deuk opgelopen;
  • internationaal slaat Nederland een slecht figuur.

Ik kom dan namens mijn fractie bij het politieke oordeel. Wat zich de afgelopen maanden in Nederland heeft afgetekend, markeert een ernstig tekort in het functioneren van onze rechtsstaat. Gegeven de bekende signalen – en wij wisten het al een tijdje – is er sprake geweest van falend beleid en onvolledige informatie aan het parlement. Ik teken daarbij het volgende aan: er is sprake van tekortkomingen in het beleid, maar in dat beleid manifesteert zich ook het gevolg van bezuinigingen in de sfeer van justitie en dat heeft onder andere geleid tot een cellentekort. Wij tekenen ook aan dat het te vaak is voorgekomen dat de minister pas na grote druk vanuit het parlement actief wordt. Tot die slotsom moeten wij nu komen.

De CDA-fractie kiest aan het slot van dit debat graag voor politieke duidelijkheid. De Kamer moet de minister niet gedogen maar volledig kunnen vertrouwen. Op basis van wat ik heb gezegd, ons commentaar op de reactie van de minister en wetend wat zich de afgelopen maanden heeft afgespeeld, vinden wij het noodzakelijk om mede namens de fracties van GroenLinks, de ChristenUnie, de SP en de SGP de volgende motie in te dienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van oordeel dat de minister van

Justitie tekort is geschoten bij de bestrijding van de cocaïnesmokkel op Schiphol;

voorts van oordeel dat de Kamer over het gevoerde beleid te laat, onvolledig en onjuist is geïnfor-meerd;

spreekt hierover haar afkeuring uit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Balkenende, Halsema, De Wit, Rouvoet en Van der Staaij.

Zij krijgt nr. 4 (28192).

Ik maak de leden erop attent dat er gelet op het karakter van deze motie vanavond nog over zal worden gestemd.

©

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Mevrouw de voorzitter. De minister begon zijn betoog met een uitgebreide opsomming van het afgelopen jaar 2001: gestage stijging van drugskoeriers vanaf het begin; signalen aan de minister; april/mei voorbereidingen acties, gepland per medio juni en uiteindelijk begin september uitgevoerd. Daarna een relatieve vermindering van de instroom van drugskoeriers, maar in oktober trok het weer aan. Eind oktober, begin november is de minister ervan op de hoogte gebracht dat de capaciteit nijpend zou worden en er problemen zouden kunnen ontstaan. Met andere woorden: er ontstond een gat in de dijk.

De minister kan tot dusver voor ons niet helder aangeven wat hij toen heeft gedaan behoudens in gesprek treden; maatregelen zijn voorzover wij het kunnen volgen, uitgebleven. Ondertussen nam de waterdruk toe en dat leidde tot gevaar voor een doorbraak; er kwamen brieven van Wooldrik en staatssecretaris Bos; 12 december debat met de Kamer, althans de Kamer dacht dat er een debat plaatsvond. Achteraf blijkt dat de minister vooral met zichzelf in gesprek is geweest.

Minister Korthals: Vindt mevrouw Halsema eigenlijk dat ik te laat gekomen ben met de noodwetgeving?

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Dan heeft de minister slecht naar mijn eerste termijn geluisterd. Wij zijn geen voorstander van disproportionele en onrechtvaardige maatregelen. Wij denken ook dat die voorkomen hadden kunnen worden, namelijk als er eerder adequaat en op een zorgvuldige manier was opgetreden. Ik beschouw de noodwetgeving waarmee de minister nu komt als een ongeloofwaardig repareren van eerder falen. Ik ben daar niet tevreden over.

Op 12 december is de minister niet met de Kamer in gesprek getreden. Je begint je dan af te vragen over hoeveel grote justitiële problemen de minister op dit moment ook aan het nadenken is, zonder dat de Kamer daarvan op de hoogte wordt gesteld. Ik krijg daarover van de minister graag meer duidelijkheid.

Begin januari volgde uiteindelijk de doorbraak. De minister zegt nu al die tijd daarvoor met maatregelen bezig te zijn geweest, maar daarvan heeft hij ons niet kunnen overtuigen. Het beeld blijft bestaan dat de minister pas in beweging is gekomen op het moment dat er publieke en politieke onrust ontstond. Nu ligt er dan uiteindelijk een plan van aanpak. Ik hoef het niet te herhalen, maar voor ons is dit de slechtste reactie die je zou kunnen geven op politiek tekortschieten. Het is ons allemaal te veel van het goede: het lange afwachten van de minister, het slecht en onvolledig informeren, disproportionele maatregelen. En dan zwijg ik nog over de andere incidenten. Daarom hebben wij de motie van afkeuring medeondertekend.

Tot slot. Het zal zijn opgevallen dat de motie door de gehele oppositie is gesteund. Zij zal, denk ik, geen meerderheid halen, aangezien ik verwacht dat de coalitiepartijen er niet voor zullen stemmen. Maar dit is een voorspelling en het kan anders aflopen. Ik ben echter bang dat ik gelijk heb. Door de buiten de Kamer geventileerde opvattingen van bijvoorbeeld de partijvoorzitter van de VVD en de partijleider Melkert had ik andere verwachtingen gekregen dan ik nu kan afleiden uit de inbreng van bijvoorbeeld de heer Niederer en de heer Van Oven. Het doet mij denken aan uitspraken van Kamerlid en vice-fractievoorzitter Korthals precies vier jaar geleden, eind januari 1998, naar aanleiding van de gezagscrisis van Sorgdrager.

Aftreden, zo zei de vice-voorzitter van de VVD-fractie, was logisch, maar het was niet waarschijnlijk. Over enkele maanden waren er namelijk verkiezingen, zo legde hij uit voor de NOS-camera. Dat was een slecht moment voor een kabinetscrisis en een ruzie binnen de coalitie. Nu weet ik natuurlijk niet of dat uiteindelijk een grote rol speelt in de politieke beoordeling van de coalitiepartijen hier. Maar mocht dat wel zo zijn, dan spreekt daaruit een politieke cultuur die de mijne niet is.

©

De heer De Wit (SP): Mevrouw de voorzitter. Het moge bekend zijn dat de SP-fractie lange tijd bewondering heeft gehad en ook heeft geuit voor het optreden van de minister van Justitie, zeker daar waar hij er blijk van gaf stand te houden in het paarse kabinet tegen de druk uit de samenleving om zich te laten meesleuren op de golven van verontwaardiging ten aanzien van de onderwerpen die wij allen kennen. Wij deden dat ook omdat hij er meermalen blijk van heeft gegeven het strafrecht niet te zien als de oplossing voor allerlei maatschappelijke ontwikkelingen die zich voordoen.

Eind november vorig jaar heeft de SP-fractie, samen met GroenLinks, gepleit voor het vertrek van de minister vanwege zijn opstelling in de schikking rond de Schipholtunnel-fraude. Dat was voor de SP-fractie een buitengewoon belangrijke aangelegenheid vanwege de grote commotie in de samenleving en ook omdat het een heel gevoelige schikking betrof. De zaak die wij vandaag bespreken, komt daarbij. Deze optelsom maakt dat de SP-fractie in ieder geval steun verleent aan de motie van afkeuring die inmiddels door de CDA-fractie is ingediend.

Wij vinden het plan van aanpak teleurstellend. De minister had het nog niet ingediend of hij merkte al op zich te kunnen inleven in de kritiek die vanuit de wetenschap op dat plan van aanpak is verwoord. Dat typeert de dubbelhartige opstelling van de minister. Aan de ene kant staat de minister voor de rechtsstaat. Aan de andere kant heeft hij zich op dit punt laten meeslepen door de druk uit de samenleving om nu met een fors plan van aanpak te komen. Voor ons gaat dat plan te ver, omdat het een inbreuk betekent op een aantal verworvenheden binnen onze rechtsstaat die ik in eerste termijn al heb aangeduid. Wij zijn dus teleurgesteld over het plan van aanpak. Bij de behandeling van de onderscheiden onderdelen ervan zullen wij ons standpunt bepalen. Heel belangrijk daarbij zijn de termijnen die gelden voor de verschillende maatregelen. Immers, vaak betekenen die maatregelen, zoals gezegd, een inbreuk op de verworvenheden binnen onze rechtsstaat.

©

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik zeg de minister dank voor zijn beantwoording. Op een aantal punten heeft hij vragen die bij ons leefden, kunnen beantwoorden. Hij heeft een uiteenzetting gegeven van alle acties die hij chronologisch heeft ondernomen. Maar met de waardering voor wat naar voren is gebracht, moet ik alles afwegend toch vaststellen dat de twijfels die wij hadden over de adequaatheid van het optreden van Justitie in dezen en over de informatievoorziening aan de Kamer, niet zijn weggenomen.

Wat het adequate optreden betreft, is bij ons de indruk blijven bestaan dat op een te laat tijdstip de urgentie van de problematiek is onderkend en dat te laat is begonnen om alles op alles te zetten bij het beschikbaar krijgen van meer celruimte. Door het ontbreken van voldoende cellen hebben niet alleen de heenzendingen plaatsgevonden – de minister heeft aangegeven, hoe hij deze heeft willen tegengaan – maar uit de ontvangen brieven blijkt dat juist door het tekort aan celruimte de controleactiviteiten al langere tijd op een lager pitje zijn gezet. Dat vinden wij onacceptabel. Nu ligt er dan een plan van aanpak, maar dat ligt er pas nadat allerwegen is onderkend dat de situatie zodanig uit de hand is gelopen, dat er niets anders dan een alomvattende reactie kon volgen. Naar onze mening is dat niet tijdig gebeurd.

Alles afwegend is de SGP-fractie van oordeel dat, gelet op het ernstige karakter van deze problematiek, de minister de Kamer actiever over de gerezen problemen had behoren in te lichten. De minister is daarbij dus tekortgeschoten. Als ik spreek over het ernstige karakter van de problematiek en over het feit dat dat hoog wordt opgenomen, doel ik daarmee op twee dingen. In de eerste plaats dat met de incidenten rond Schiphol – die vertonen een lijn over langere tijd – aantasting van een geloofwaardig justitieoptreden is gecreëerd. In de tweede plaats heeft het geheel een negatieve uitstraling naar het buitenland. Het beeld van Nederland als drugsgedoogland is hierdoor bevorderd.

Alles afwegend heeft mijn fractie gemeend, de motie die door collega Balkenende is ingediend mede te ondertekenen.

©

De heer Niederer (VVD): Voorzitter. Dank aan de minister voor diens beantwoording in eerste termijn.

Wij hebben twee kritiekpunten, eerder door ons in de pers geventileerd, natuurlijk vanmiddag herhaald. De minister is daarop in zijn eerste termijn ingegaan. Om te beginnen is dat de snelheid van handelen. Had dat plan van aanpak er niet eerder kunnen komen? Daar is over gesproken. Natuurlijk, het kan altijd sneller, maar ons gaat het erom dat behalve de snelheid ook de inhoud belangrijk is, met name gericht op het oplossen van de problemen waarvoor wij ons gesteld zien. In zoverre moet mijn tussenzin dat het verleden niet bijster interessant is, in die zin worden begrepen. Dit debat is door ons tegelijkertijd aangegrepen om het plan van aanpak te beoordelen qua potentie om de problemen op Schiphol aan te pakken, en dus vooruit te kijken. Wij zijn immers gehouden, problemen op te lossen. In dat opzicht heb ik gerefereerd aan het verleden. Als je spreekt over het afleggen van verantwoording, heb je het natuurlijk over het verleden. Maar daarom ging het ons in dit debat niet alleen, integendeel. Het plan van aanpak steunden en steunen wij.

Onze kritiek op de hoogte van het ambitieniveau in het plan van aanpak is genoegzaam weerlegd door de minister. Dit niveau moet hoog genoeg zijn om te voorkomen dat er nog langer heenzendingen plaatsvinden, hoewel niemand natuurlijk tot het onmogelijke is gehouden. De door de minister gegeven uitleg bij het plan van aanpak, geeft voldoende vertrouwen dat met dit plan verdere heenzendingen worden voorkomen. Mocht het daartoe onverhoopt toch komen, dan zal de minister de Kamer daarover informeren. Dit heeft de instemming van de VVD-fractie. Dit plan van aanpak heeft in zijn totaliteit de potentie om deze problematiek op te lossen.

In de beantwoording door de minister heeft de VVD-fractie de bevestiging gevonden van het door mij in eerste termijn reeds uitgesproken vertrouwen in hem en in de verwachte resultaten van het ten uitvoer leggen van het plan van aanpak. De minister in niet over één nacht ijs gegaan; het is een deugdelijk en doorwrocht verhaal. Dat vinden wij belangrijker dan het bepalen van de dagkoers van de problemen op basis van de informatie over wat ambtelijk wordt voorbereid. Het gaat uiteindelijk om het resultaat. Het antwoord van de minister stelt ons in dat opzicht redelijk tevreden; wij kunnen daarmee instemmen.

De motie van afkeuring zal niet worden gesteund door de VVD-fractie.

©

De heer Dittrich (D66): Voorzitter. In het kader van het plan van aanpak gaat het ook om het rekwireerbeleid. Mijn fractie heeft de indruk dat naarmate officieren van justitie lagere straffen eisen ten aanzien van smokkel via Schiphol, deze luchthaven aantrekkelijk blijft voor drugscriminelen die cocaïne naar Europa willen vervoeren. In andere landen worden namelijk hogere straffen voor dat soort misdrijven geëist. Dat is een onverstandig onderdeel van het plan van aanpak.

Wij zijn het met de minister ook niet eens op het punt van het verhogen van de competentiegrens van de politierechter van zes naar twaalf maanden. Dit voorstel zal ook voor allerlei andere zaken gelden, wat een aanzuigende werking zal hebben. Een alleenzittende rechter moet dan beslissen over allerlei zware en ingewikkelde juridische zaken. Dat brengt de kwaliteit van de rechtsstaat in gevaar. Op dit punt dien ik dan ook een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er een noodsituatie op Schiphol is met betrekking tot drugssmokkel;

overwegende dat de regering voorstelt de alleenzittende politierechter langere gevangenisstraffen dan zes maanden te kunnen laten opleggen;

overwegende dat het belangrijk is dat bij zware zaken drie rechters zich daarover buigen;

spreekt als haar mening uit dat verhoging van de competentiegrens voor de politierechter ongewenst is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Dittrich, Halsema en De Wit. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 5 (28192).

De heer Dittrich (D66): Voorzitter. Dan het belangrijkste. Hoe kijk je nu naar de minister van Justitie en hoe heeft hij zich verantwoord in dit debat? Onze slotconclusie is niet onverdeeld positief; dat mag duidelijk zijn. Het beeld van onwetendheid en onachtzaamheid heeft de minister in dit debat op een aantal onderdelen kunnen bijstellen. Toch blijven er vragen over. Het politiek management van de minister lijkt toch tekortgeschoten te zijn. Het was minder passief dan het leek, maar minder actief dan wij als fractie van D66 wenselijk achten. Wij vinden, ook na dit debat en de minister gehoord hebbend, dat de Kamer beter geïnformeerd had kunnen worden; zeker in de maand december.

Dat is stevige kritiek en dat besef ik, maar die kritiek is op zijn plaats. Zij zou reden kunnen zijn om politieke consequenties te trekken en elke fractie in deze Kamer moet dat zelf afwegen. Wij hebben er lang over nagedacht, goed geluisterd en uiteindelijk hebben wij een afweging gemaakt die anders is dan die van de oppositiepartijen; wij maken een andere keuze. De minister van Justitie moet in staat worden gesteld om het voorgelegde pakket aan maatregelen voortvarend uit te voeren. Wij zijn ons ervan bewust dat het vertrouwen in de samenleving zeker is afgenomen, maar naar onze inschatting is dit niet onherstelbaar beschadigd. Dat geldt ook voor het politieke vertrouwen van de fractie van D66 in deze minister.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): U zegt dat deze minister in staat moet worden gesteld om het plan van aanpak voortvarend te kunnen uitvoeren. U hebt het dan wel over een minister die in zijn politieke management is tekortgeschoten. Waarom vertrouwt u erop dat deze minister dit wél goed zal doen?

De heer Dittrich (D66): Ik heb u net gezegd dat wij die afweging gemaakt hebben. Er ligt een pakket aan maatregelen. Wij moeten de problemen oplossen en wij denken dat de minister dat kan.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Waarom?

De heer Dittrich (D66): Dat heb ik zojuist gezegd.

©

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. In dit debat had de minister van Justitie de gelegenheid om verantwoording af te leggen over het beleid, over wat hij gedaan heeft en wat niet en waarom niet, in een kwestie die politiek breed op zware kritiek kon rekenen en maatschappelijk breed veel commotie heeft opgeroepen. Ik dank de minister voor de reconstructie en de verantwoording die hij heeft afgelegd. Ik zeg er meteen bij dat vooral die verantwoording voor mijn fractie niet in alle opzichten bevredigend is geweest. Eerlijk gezegd heb ik niet zo’n behoefte om te gaan miezemui-zen of een bepaald inzicht misschien twee of drie dagen eerder had kunnen of moeten doorbreken bij de minister. Als ik nu echter drie stappen terugdoe en het geheel probeer te overzien, dan is mijn kritische reconstructie van de hoofdlijn ongeveer de volgende. In april/mei vorig jaar was de minister op de hoogte van het nijpende probleem van de drugskoeriers, de bolletjesslikkers. Op 5 juni kwam de brief van staatssecretaris Bos waarin gesproken wordt over het feit dat Schiphol wordt overspoeld met bolletjesslikkers en waarin duidelijk staat dat er terughoudend aangehouden wordt in verband met het beperkte aantal slikkerstoiletten. Dat is exact dezelfde boodschap als die van hoofdofficier

Wooldrik die de minister een half jaar later onder ogen krijgt en waar hij dan wel actie op neemt. Toen is gevraagd om een plan van aanpak en er is overleg gevoerd met het college van procureurs-generaal. Conclusie moet zijn dat ten minste een deel van de nu voorgestelde maatregelen, met name op het punt van de celcapaciteit, toen al genomen had kunnen worden en wat de fractie van de ChristenUnie betreft genomen had moeten worden. De indruk van mijn fractie dat dit niet het plan van Korthals is, gelet op de inhoud van de maatregelen die eerder door de minister waren verworpen, maar dat hem dit voor een belangrijk deel is opgedrongen, is dan nog niet eens het belangrijkste.

Mijn verwijt aan de minister, nadat ik goed naar zijn verantwoording heb geluisterd, richt zich op drie zaken die hij had moeten doen en die hij niet of onvoldoende heeft gedaan. In de eerste plaats had hij op de kortst mogelijke termijn het aantal slikkerscellen en -toiletten op Schiphol moeten uitbreiden. In de tweede plaats had hij het openbaar ministerie op het hart moeten binden dat wat er ook gebeurt, heenzendingen niet geaccepteerd zullen worden. In de derde plaats had hij, zodra het kon en in ieder geval na de acties van september, de Kamer moeten informeren over de situatie op Schiphol. Hij had moeten zeggen wat de knelpunten waren en wat daaraan had moeten worden gedaan.

Het allerminste wat van deze minister met zijn politieke antenne verwacht had mogen worden, is dat hij na het debat van 12 december een brief aan de Kamer had gestuurd. Daarin had hij die opmerkingen kwijt gekund waarvoor hij volgens zijn zeggen op 12 december van de voorzitter niet de gelegenheid kreeg. Het tijdig en adequaat informeren van de Tweede Kamer is geen kwestie van appreciatie, geen kwestie van smaak, maar een vereiste van de parlementaire democratie.

Terugkijkend is ons oordeel verwoord in de motie die door collega Balkenende is ingediend en die door ons mede is ondertekend. Vooruitkijkend zie ik een kritische behandeling van een aantal van de in het plan van aanpak vervatte voorstellen tegemoet.

©

De heer Van Oven (PvdA): Mevrouw de voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen die zijn gesteld.

Wij hebben het verleden vrij uitgebreid behandeld. Dat geldt vooral voor de voorgeschiedenis van de situatie die in december is ontstaan. De minister heeft een aantal zaken uitgelegd, met name het feit dat de situatie in april/mei al zorgen baarde. Die zorg is langzaam gegroeid. Men heeft getracht daaraan paal en perk te stellen, onder andere door de actie die voor de zomer was gepland en uiteindelijk in september heeft plaatsgevonden. Toch lijken de reacties op die ontwikkeling in het algemeen geen erg structureel karakter te hebben gehad. De brieven die wij hebben gezien, wijzen erop dat er nu en dan sprake was van behoorlijke paniek, ook bij het openbaar ministerie. Men had soms het gevoel de zaken niet meer de baas te kunnen. Als dus in het VVD-programma staat dat ’’in de afgelopen periode bij het openbaar ministerie orde op zaken is gesteld en dat de rust is teruggekeerd’’, dan kan dat aan de hand van de ontwikkeling rond Schiphol niet worden bevestigd. Misschien moet men over amendering van die passage nadenken.

Een heel lastig punt van overweging voor de fractie van de Partij van de Arbeid is datgene wat na 3 december is gebeurd. Wij zouden het nog steeds beter gevonden hebben wanneer de minister sneller dan 7 december was geïnformeerd en wanneer er sneller maatregelen waren genomen. Nu is het wel zo dat de minister erop heeft gewezen dat het college van PG’s op 10 december met voorstellen is gekomen die hij heeft afgewezen om hem moverende redenen. Hij heeft dat uitgelegd en mijn fractie billijkt dat. Het is dan begrijpelijk dat het traject wat langer gaat duren. Niettemin draagt de minister een groot gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de situatie die in de tweede helft van december op Schiphol is ontstaan.

Over de voorlichting aan de Tweede Kamer is ook nadere uitleg gekomen. Die is in zoverre van belang dat de minister van Justitie de mededeling dat er nog acties hebben plaatsgevonden na de actie van september in belangrijke mate heeft genuanceerd, omdat het niet ging om acties als zodanig die werden voortgezet, maar om kennis die men tijdens de eerste actie had opgedaan en die leidde tot een onverwacht grote toevloed in die situatie. Ik vind dan ook dat de tekst van de motie van afkeuring, namelijk dat de Kamer onjuist is geïnfor-meerd, niet opgaat.

Wij hebben kunnen constateren dat het incidentele beleid, het meer incidenteel gerichte beleid van vorig jaar, is omgezet in een meer structureel beleid. Het plan van aanpak ziet er robuust en drastisch uit. Ik ga niet op alle details in. De heer Dittrich heeft een opmerking gemaakt waarmee mijn fractie het niet eens is, over de maximumstraf-bevoegdheid van de politierechter. Wij hebben weer moeite met het regime dat voor minderjarigen zal gelden. Die punten kunnen bij de behandeling van de noodwetgeving terugkomen. Open blijft ook de kans op succes wat betreft het eerste spoor. Ik nodig de minister van Justitie uit om in zijn periodieke verslaglegging ook over dat spoor indringend te rapporteren.

Ook heeft de minister een verzekering gegeven voor de toekomst. Zolang het plan van aanpak en de noodwetgeving nog niet van kracht is, is het vaste uitgangspunt dat geen mensen worden weggezonden behoudens in situaties van overmacht waarover de minister rapporteert en zich tegenover de Kamer verantwoord. Dat is hetgeen hij in het kader van een interruptie heeft toegezegd.

Alles afwegend kom ik als woordvoerder in deze Kamer tot de conclusie dat juist de omzetting van een incidentele in een structurele aanpak, zoals die door de minister is gepresenteerd en naar voren is gebracht – kennelijk geïnitieerd voordat de Kamer hem daarom vroeg – maakt dat de minister vertrouwd kan worden wat betreft de uitvoering van het plan van aanpak. Het is uiteraard zo dat een motie van wantrouwen nooit licht mag worden genomen. Het betekent dat ik mijn fractie zal adviseren om de motie niet te steunen.

De heer Balkenende (CDA): De heer Van Oven heeft iets gezegd over de term onjuist in de motie. Die term heeft betrekking op de spanning die bestaat tussen de uitspraak van de minister op 12 december met betrekking tot het temporiseren van acties tegen bolletjesslikkers en de brief van de heer Wooldrik. Ik wil dat als feit naar voren hebben gebracht voor de Handelingen.

Het debat in de afgelopen weken heeft mede kleur gekregen door de opmerkingen van de fractievoorzitter van de PvdA, de heer Melkert. Ik lees drie citaten voor. Als het gaat over de smokkel van drugs zegt de heer Melkert: ’’ja, ik ben echt ook zelf verbijsterd geweest over de wijze waarop daar dan de afgelopen maanden op Justitie naar is gehandeld’’. Als het gaat over de informatieverstrekking aan de Kamer zegt de heer Melkert: ’’ik vind dat hij daar dan al wat meer open kaart had moeten spelen’’. Als het gaat om een typering van het gedrag van de minister van Justitie zegt de heer Melkert: ’’ik vind het erg formalistisch, erg volgend, passief’’. Mijn vraag aan de heer Van Oven is of hij deze opmerkingen van de heer Melkert nog deelt. Als dat het geval is, kan hij immers geen afstand nemen van de motie. Of hij moet afstand nemen van de opmerkingen van de heer Melkert. Het kan niet zo zijn dat de heer Melkert deze typeringen doet en vervolgens niets met de motie doet.

De heer Van Oven (PvdA): Ik heb net al bezwaar gemaakt tegen de motie op grond van het punt van de onjuistheid. In een interruptiedebatje met de minister van Justitie heb ik voldoende uitleg gekregen over hetgeen hij heeft bedoeld met betrekking tot de passage op grond waarvan de heer Rietkerk meende dat er sprake was van onjuiste informatie aan de Kamer. In die zin acht ik de motie inhoudelijk onjuist. Daarnaast heeft motie een politieke betekenis, die erop neerkomt dat het vertrouwen aan de minister van Justitie wordt ontzegd. Ik heb net uitgelegd waarom bij mij, als woordvoerder van de fractie van de Partij van de Arbeid, dit vertrouwen op dit ogenblik nog wel bestaat. Het heeft te maken met die omzetting van incidentele in structurele maatregelen. Ik ben het ermee eens dat de minister van Justitie de Tweede Kamer uitvoeriger had kunnen voorlichten. Als ik dat afweeg tegen hetgeen wij hier vanmiddag hebben besproken, dan is het voor mij geen reden om mijn fractie te adviseren om een motie van afkeuring te steunen.

De heer Balkenende (CDA): Dan constateer ik...

De voorzitter: U mag nog een constatering doen, maar daar houdt het mee op. Ik heb net ook mevrouw Halsema de gelegenheid gegeven om een tweede vraag te stellen.

De heer Balkenende (CDA): Ik betreur het, gegeven deze situatie, dat u deze opmerking maakt. Ik vind het buitengewoon jammer dat wij daar in onze levende democratie niet over van gedachten kunnen wisselen. Er is te veel aan de hand.

De heer Van Oven (PvdA): De leiding van de vergadering berust bij de voorzitter. Het is dus lastig om nu nog in te gaan op deze zeer korte kritiek.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): U zult waarschijnlijk uw redenen hebben om de politieke betekenis van deze motie niet te volgen. U verwierp de motie eigenlijk op grond van één woord, namelijk het woord ’’onjuist’’. Als ik dat woord weghaal, dan blijft er staan dat de minister tekort is geschoten en dat hij de Kamer over het gevoerde beleid te laat en onvolledig heeft geïnfor-meerd. Mag ik dan met u concluderen dat u het wat dat betreft wel eens bent met de oppositie?

De heer Van Oven (PvdA): Het is goed om daarover geen misverstand te laten bestaan. Ik heb inderdaad bezwaar gemaakt tegen één onderdeel van de motie en ik heb de motie overigens gekenschetst als een motie van wantrouwen. Waar dat wantrouwen bij mij als woordvoerder van de PvdA-fractie niet ontbreekt, is het al reden om mijn fractie te adviseren... Pardon, ik verspreek mij. Omdat er bij mij dus wel vertrouwen bestaat, is er voor mij genoeg reden om die motie niet te ondersteunen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks): Na deze freudiaanse verspreking hoef ik er niet veel meer aan toe te voegen.

©

Minister Korthals: Voorzitter. Ik heb nog slechts een enkele vraag te beantwoorden. De heer Dittrich vroeg tot welk gewicht van in beslag genomen drugs in het huidige beleid zaken kunnen worden aangebracht bij de politierechter en wat daarin verandert wanneer de maximale strafmaat bij de politierechter wordt verhoogd tot één jaar. Bij de huidige straftoemeting door de rechtbank kan de zaak tot een halve kilo – dat is anders dan ik in eerste termijn zei – door de politierechter worden afgedaan. Dat is natuurlijk afhankelijk van de omstandigheden en van de persoon van de verdachte. Was het een zogenaamde pakezel of maakte hij onderdeel uit van een criminele organisatie? Wanneer de grens bij de politierechter naar een jaar wordt gebracht, valt te verwachten dat de zaken tot maximaal anderhalf à twee kilo, uiteraard weer afhankelijk van het geval en de persoon, bij de politierechter kunnen worden aangebracht. Van een aanzuigende werking van het straftoemetingsbeleid is niets gebleken. Aangenomen mag worden dat het veeleer afhangt van de pakkans.

De heer Van Oven vroeg mij indringend te rapporteren over de ontwikkelingen, ook de ontwikkelingen op de Nederlandse Antillen en Aruba. Dat zal ik doen bij die periodieke verslaglegging. Hij gaf weer hoe hij dacht over de heenzending: niet heenzenden, behoudens overmacht. Daarover zijn wij het eens.

De heer Dittrich heeft een motie op stuk nr. 5 ingediend, maar die is tegengesteld aan mijn voorstel. Hij stelt voor dat het wat betreft de zaken bij de politierechter blijft zoals het nu is, terwijl ik juist een uitbreiding wil. Bovendien komt er een mogelijkheid dat er in hoger beroep voor gevangenisstraffen van maximaal een halfjaar unusrecht-spraak plaatsvindt. Het lijkt mij dat de heer Dittrich zijn mening beter naar voren kan brengen bij de behandeling van het wetsvoorstel, maar kennelijk wil hij het nu al uitspreken. Ik kan uiteraard niet anders dan aanneming van deze motie ontraden.

De heer Balkenende heeft een motie van wantrouwen ingediend. De motie is scherp van toon. Hij gebruikt verschillende argumenten waarop ik in mijn eerste termijn uitgebreid ben ingegaan. Als ik het goed begrijp, vindt de heer Balkenende dat ik eerder maatregelen had moeten nemen in de geest van de motie-Rietkerk, waarin onorthodoxe methoden worden bepleit. De medeondertekenaars de heer De Wit en mevrouw Halsema hebben zich overigens altijd gekeerd tegen onorthodoxe methoden. Er moet dus op z’n minst gesproken worden van een verschillende benadering. Aanneming van de motie-Rietkerk heb ik indertijd ontraden omdat daarin onder andere stond dat het onaanvaardbaar is dat er wordt heengezonden. Ik kon die formulering niet voor mijn rekening nemen. Verder vroeg de heer Rietkerk om voor 1 januari met een plan van aanpak te komen. Kennelijk had hij al door dat hier sprake was van een ernstige situatie. Ik zei toen dat ik dit een groot probleem vind dat ik afzonderlijk probeer op te lossen, maar merkwaardig genoeg liep de heer Rietkerk niet onmiddellijk naar de interruptiemicrofoon om te vragen wat ik daarmee bedoelde. Het zal duidelijk zijn dat ik niet gecharmeerd ben van de motieBalkenende c.s. De heer Balkenende is kennelijk al vanaf den beginne van plan geweest om een dergelijke motie in te dienen. De heer Rietkerk had eigenlijk de Kamer van reces moeten terugroepen, iets wat hij bij voortduring heeft geroepen.

De heer Balkenende (CDA): Ik vind de verdediging van de minister op dit punt niet erg sterk. Hij heeft gelijk dat onze motie over het plan van aanpak van 12 december verschillend kan worden benaderd. Het verschil van opvatting over het plan van aanpak kan ook vandaag weer worden gesignaleerd en daar is niets mis mee. Waar de gehele oppositie wél eensgezind over is, is dat het beleid heeft gefaald en dat de minister steken heeft laten vallen als het gaat om de informatievoorziening. Dat is wat de motie zegt, niet meer en niet minder. Ik stel vast dat de minister de steun heeft van zijn fractie en daarmee wens ik hem geluk. Wel heb ik geconstateerd dat de heren Dittrich en Van Oven inhoudelijk gezien weinig afstand nemen van de strekking van mijn motie. Om politieke redenen steunen zij de motie niet; zij willen dat de minister in staat wordt gesteld, het plan van aanpak uit te voeren. Ik heb echter een scherp onderscheid gemaakt tussen het plan van aanpak en zijn betekenis voor de toekomst aan de ene kant en het hebben van een oordeel over hetgeen zich de afgelopen maanden heeft afgespeeld anderzijds. Wat dat laatste betreft constateer ik dat twee regeringspartijen de minister zeer kritisch bejegenen. Het is de vraag hoe de minister vanuit dat perspectief aankijkt tegen deze motie.

Minister Korthals: Ik ben hier heel duidelijk over geweest. Iedereen mag kritische geluiden over de ontstane situatie laten horen. Het debat van vandaag heeft mij gelegenheid geboden om uit te leggen wat ik precies gedaan heb. Iedere fractie heeft vervolgens haar eigen afweging gemaakt. Ik meende even dat mevrouw Halsema de PvdA- en de D66-fractie verweet politieke motieven te hanteren, maar ik ga ervan uit dat dat zij zich daaraan niet schuldig wil maken met het oog op de komende verkiezingen. In die afweging hebben zowel de fractie van de Partij van de Arbeid als die van D66 aangegeven dat zij vertrouwen hebben in deze minister.

De beraadslaging wordt gesloten.

©

De voorzitter: In het Reglement van orde staat dat over een motie van wantrouwen of een motie van afkeuring onverwijld moet worden gestemd. Mijn voorstel is om over tien minuten over de ingediende moties te stemmen.

De heer Van Oven (PvdA): Voorzitter. Het indienen van een motie van wantrouwen is een gebeurtenis die niet elke dag plaatsvindt in de Tweede Kamer. Als woordvoerder van de PvdA-fractie heb ik behoefte aan gelegenheid om mijn fractie daarover voor te lichten. Ik stel voor om ten minste een half uur te schorsen.

De voorzitter: Ik kijk naar de overige leden en naar de rest van de agenda. Voor vanavond staat nog een ander spoeddebat gepland over de IC-bedden.

De heer Niederer (VVD): Voorzitter. Gelet op het de uitvoerigheid van het vandaag gevoerde debat lijkt uw voorstel mij acceptabel. Mijn fractie is er een voorstander van om na ommekomst van tien minuten te stemmen over de ingediende moties.

De heer Dittrich (D66): Mevrouw de voorzitter. De fractie van D66 is bereid om over een kwartier te stemmen.

De voorzitter: Kan de heer Van Oven leven met dit tussenvoorstel?

De heer Van Oven (PvdA): Binnen die tijd moeten wij tot zaken kunnen komen binnen de Partij van de Arbeid.

De voorzitter: In dat geval stel ik voor, u allen over een kwartier terug te zien in deze zaal.

Aldus wordt besloten.

De vergadering wordt van 18.52 uur tot 19.10 uur geschorst.

2.

Originele weergave

afbeelding document
 
 

3.

Meer informatie

28192 - Drugssmokkel Schiphol
 

Delen

enveloppe

Terug naar boven