Europees Parlement in de strijd tegen vervuiling ontwikkelingsbudget

Thijs Berman

De afgelopen tijd wordt er bezwaar geuit tegen de zogeheten 'vervuiling' van het ontwikkelingsbudget. Europarlementariër Thijs Berman (PvdA ) is één van de mensen die dit doet. Hij wil dat de Europese Commissie een einde maakt aan de financiering van allerlei samenwerkingsprojecten tussen de EU en landen in Latijns Amerika en Azië uit het ontwikkelingsbudget, die niet specifiek gericht zijn op armoedebestrijding. Een ander punt van enige controverse is een plan om een deel van het ontwikkelingswerk over te dragen aan de Europese diplomatieke dienst van EU-buitenlandchef Catherine Ashton.

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Resolutie

Als ondervoorzitter van de Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement heeft Berman een resolutie opgesteld die voor alternatieve financiering van de samenwerkingsprojecten moet zorgen. Het betreft projecten van minstens een jaar tot maximaal drie jaar, waar zowel de ontwikkelingslanden als de EU zelf baat bij hebben. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de uitwisseling van studenten, de bevordering van wederzijdse handel, het verbeteren van begrip voor elkaars cultuur en het stimuleren van samenwerking op gebieden als onderzoek, wetenschappen, energie en milieu.

Voor 2008 had de Europese Commissie 13,5 miljoen euro uitgetrokken voor dit soort samenwerkingsprojecten. Maar eigenlijk voldoen deze initiatieven niet aan de voorwaarden die de Ontwikkelingscommissie (DAC) van de groep van rijke industrielanden (OESO) stelt aan zuivere ontwikkelingshulp. Deze moet namelijk vooral gericht zijn op armoedebestrijding en alles wat daar direct mee samenhangt. Bovendien zijn de samenwerkingsprojecten waar het in de resolutie om gaat niet gericht op de armste ontwikkelingslanden, maar op staten die vaak al een flink eind op weg zijn in hun ontwikkeling.

Het probleem is echter dat als de projecten uit het ontwikkelingsprogramma (Development Cooperation Instrument - DCI) zouden worden gehaald, een enorme bureaucratie moet worden overwonnen om ze in gewijzigde vorm te kunnen laten goedkeuren. ,,Het wordt dan veel te ingewikkeld en de kans is dan groot dat deze projecten nooit van de grond komen,’’ aldus Berman. Hij wil dat de projecten daarom wel onder het DCI blijven vallen, maar uit een ander potje worden gefinancierd. Zelf denkt hij dat het budget voor Buitenlandse Zaken daarvoor het meest geschikt is.

In de resolutie stelt Berman wel enkele voorwaarden aan het verlenen van subsidie voor de samenwerkingsprojecten. Zo moeten deze gericht zijn op landen waarvan het waardepatroon op politiek, economische en democratisch vlak overeenkomt met dat van de Europese Gemeenschap. Ook moeten deze landen al enige inbreng hebben binnen de internationale gemeenschap. Verder moet sprake zijn van partnerlanden die van strategisch belang zijn voor de EU.

In 2009 verzocht Berman om terugverwijzing van het verslag van zijn resolutie naar de Europese Commissie. Het Europees Parlement heeft dit verzoek, na erover te hebben gestemd, ingewilligd.

2.

Nieuwe opzet ontwikkelingshulp

Er is recent een plan bekend gemaakt om een deel van het werk voor ontwikkelingshulp aan de nieuwe Europese diplomatieke dienst over te dragen. Deze dienst zou dan de belangrijkste besluiten nemen over de besteding van de ontwikkelingsgelden. Aanleiding voor deze verandering van opzet is het in werking treden van het Verdrag van Lissabon in december 2009. Dit plan duidt op tegenstand bij ontwikkelingsorganisaties en Europarlementsleden zoals Thijs Berman. Het gevaar bestaat volgens hem dat ontwikkelingshulp afhankelijk wordt van de belangen bij buitenlandse zaken. Regeringen die pro-Europees zijn kunnen dan meer kans hebben op ontwikkelingshulp dan de landen waar de armste mensen wonen.

Verder vrezen enkele Europarlementariërs dat een tweestrijd kan ontstaan tussen handelsbelangen en ontwikkelingshulp, waarbij de kans bestaat dat ontwikkelingshulp, en daarmee de armen, het onderspit delven. Een andere mogelijkheid is dat het geld vooral naar ex-koloniën zal gaan. Kortom, de kans bestaat dat het geld niet gaat naar zij die het het hardst nodig hebben. Daarnaast is men angstig voor gekibbel tussen de twee afdelingen die, als het nieuwe systeem aangenomen zou worden, over ontwikkelingshulp gaan.

Ook ontwikkelingsorganisaties staan kritisch tegenover de plannen om een deel van de ontwikkelingshulp aan de diplomatieke dienst over te laten. Volgens hen wordt ontwikkelingshulp hierdoor een speelbal voor het buitenlands- en veiligheidsbeleid en bovendien zouden zulke maatregelen onder het Verdrag van Lissabon illegaal zijn.

3.

Argumenten in de discussie

Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten in de discussie over de toewijzing van ontwikkelingsgelden, waarbij bijna altijd wel kanttekeningen te maken zijn. Dat maakt de discussie boeiend, maar een oordeel niet eenvoudiger. Europa is wikken en wegen. Door op de links te klikken krijgt u meer informatie én nuancering.

Tip: Na het lezen van de argumenten kunt u zelf Uw reactie geven.

  • Samenwerking met rijkere ontwikkelingslanden is ook nuttig voor de EU

    Samenwerking met industrielanden die nog in ontwikkeling zijn valt weliswaar niet onder armoedebestrijding, maar kan voor de Europese Unie op de langere termijn van groot belang zijn. Het bevorderen van het imago van de EU in dit soort landen kan bijvoorbeeld de onderlinge handel stimuleren. Maar een vertrouwde relatie kan ook zijn vruchten afwerpen als het gaat om onderhandelingen op wereldschaal, zoals over een nieuw wereldhandelsakkoord en het klimaat. Als voor dit soort samenwerking het ontwikkelingsinstrument van de Unie het meest geschikt is, dan moet de Gemeenschap dat gebruiken.

Uw reactie

Door op Uw reactie te klikken kunt u laten weten, wat u van de verschillende argumenten vindt. Ook kunt u natuurlijk andere argumenten aandragen. Uw reactie wordt zeer op prijs gesteld.

4.

Meer informatie