Besluitvorming in de Europese Unie

Europese regelgeving komt op verschillende manieren tot stand. Per beleidsterrein staat vast hoe besluiten genomen worden. Ook staat vast wat voor soort besluiten de Europese Unie mag nemen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de Europese verdragen.

Tot december 2009 werden besluiten genomen aan de hand van de pijlerstructuur. Met de invoering van het Verdrag van Lissabon is de pijlerstructuur losgelaten en zijn nieuwe afspraken voor Europese besluitvorming gemaakt.

De oude tweede pijler (buitenlands en veiligheidsbeleid) en oude derde pijler (Samenwerking in strafzaken) houden een uitzonderingspositie omdat daar gedeeltelijk het vetorecht blijft bestaan.

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Besluitvormingsprocedures

Met de invoering van het Verdrag van Lissabon wordt de vroegere medebeslissingsprocedure (codecisieprocedure) in veel meer gevallen gebruikt en gaat de 'gewone wetgevingsprocedure' heten. Het Europees Parlement mag over veel meer terreinen meebeslissen. Daarnaast bestaan een aantal bijzondere wetgevingsprocedures.

2.

Raad van Ministers

Op het terrein van immigratie- en asielbeleid, criminaliteitsbestrijding, en delen van de justitiële samenwerking zal het veto in de Raad van Ministers plaats maken voor het stemmen met gekwalificeerde meerderheid. Voor defensiebeleid, buitenlands beleid, familierecht, onderdelen van de strafrechtelijke samenwerking en de uitbreiding van de Unie blijft het vetorecht wel bestaan.

Er komt een nieuwe stemmenweging in de Raad van Ministers. Nu heeft elk land een bepaald aantal stemmen; straks is sprake van een gekwalificeerde meerderheid als tenminste 55% van de lidstaten (in de huidige situatieminimaal 15 lidstaten) die minstens 65% van de totale bevolking van de EU vertegenwoordigen, vóór stemmen. Door tegenstand van Polen gaat dit pas in 2014 gelden. Tot 2017 kan een lidstaat nog vragen dat een besluit wordt aangenomen volgens de 'oude' procedure van de gekwalificeerde meerderheid zoals die tot 2014 geldt.

De stemmingen en beraadslagingen in de Raad van Ministers worden openbaar als het gaat over wetgeving.

3.

Europees Parlement

Het Europees Parlement (EP) gaat op veel meer terreinen meebeslissen volgens de gewone wetgevingsprocedure: op het gebied van landbouw, structuurfondsen, handelsbeleid en deels voor justitie, migratie en politiezaken. Het EP mag nu ook over de hele begroting meebeslissen. Tot nu toe mocht dit alleen over de 'vrijwillige uitgaven' en bijvoorbeeld niet over de grote begrotingspost landbouwuitgaven. Het EP is dus vaker wetgever, samen met de Raad van Ministers.

4.

Nationale parlementen

Er is nu  een 'gele kaart'-procedure: als één derde van de nationale parlementen een voorstel van de Europese Commissie niet ziet zitten, omdat ze vinden dat het beter nationaal dan Europees kan worden geregeld, moet de Commissie haar voorstellen 'opnieuw in overweging nemen ' en, als ze toch doorzet met het voorstel, duidelijk maken waarom dat voorstel nodig is.

Op aandringen van Nederland is er ook een 'oranje kaart'-procedure: als meer dan de helft van alle nationale parlementen een voorstel van de Commissie niet wil, dan moet de Commissie besluiten of het voorstel van tafel gaat. Zet de Commissie alsnog door, dan kan de Raad van Ministers met 55% van de stemmen, of een meerderheid in het Europees Parlement, het hele voorstel schrappen.

Een lidstaat kan naar het Europees Hof van Justitie stappen als die vindt dat wat er in een voorstel staat veel beter op nationaal niveau geregeld kan worden en dat een Europese aanpak geen toegevoegde waarde heeft.