Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië in 1949

Ronde Tafelconferentie in de Ridderzaal

Op 27 december 1949 kwam er een einde aan het Nederlandse koloniale bewind in Nederlands-Indië. Daaraan waren ruim vier jaar voorafgegaan van militaire en politieke strijd. Nederland beschouwde de op 17 augustus 1945 uitgeroepen Indonesische onafhankelijkheid als een direct gevolg van de Japanse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog en wilde deze daarom niet erkennen. Vooral internationale druk maakte dat uiteindelijk toch tot onderhandelingen en soevereiniteitsoverdracht moest worden overgegaan.

De Indonesische kwestie beheerste de eerste naoorlogse jaren en leidde er onder meer toe dat de ARP in die jaren buiten het kabinet bleef. De PvdA worstelde met de kwestie en kreeg te maken met veel interne oppositie. De KVP werd geconfronteerd met een afsplitsing en de CHU bleek uiteindelijk hopeloos verdeeld.

De vorming van de Nederlands-Indonesische kwestie betekende allerminst het einde van het Nederlandse (Indische) dekolonisatieproces, maar 27 december 1949 was daarin wel een historisch moment van betekenis.

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

De Nederlandse koloniale politiek tot 1940

In de negentiende eeuw werd Nederlands-Indië lange tijd gebruikt als een wingewest, waarvan de financiële baten ten goede kwamen aan de Nederlandse schatkist. De aanleg van de spoorwegen in Nederland werd met een belangrijk deel van die gelden betaald.

Liberalen wezen deze politiek af en stuurden aan op particulier ondernemerschap. Enkelen keerden zich tegen misstanden en uitbuiting. In 1863 werd de slavernij afgeschaft. Pas aan het einde van de negentiende eeuw werden deze opvattingen algemener, onder andere door het artikel 'Eereschuld' van de liberaal Van Deventer uit 1899. Tegenover het voordeel voor Nederland stond een zedelijke plicht om de bevolking van Indië te helpen zich te ontwikkelen. Ook antirevolutionairen en sociaaldemocraten stuurden aan op verheffing van de inlandsche bevolking ('ethische politiek').

Begin twintigste eeuw werden de eerste voorzichtige stappen gezet naar medebestuur door de inlandse bevolking. Er kwam meer decentralisatie en in 1916 kwam er een Volksraad, een adviesorgaan van de Gouverneur-Generaal. Er werd nadien overigens nog enige tijd strijd gevoerd over de verdeling tussen het aantal Nederlanders en Indiërs in de Volksraad.

Het Indonesische nationalisme bloeide in de eerste helft van de twintigste eeuw op, soms in combinatie met communistische sympathiën. De Nederlandse overheid trad daar hard tegen op, onder meer door leiders gevangen te houden in het veraf gelegen Boven-Digoel. Maar ook eisen van gematigde leiders voor een beperkte zelfstandigheid werden afgewezen. De Gouverneurs-Generaals (Fock, De Jonge) en de ministers van Koloniën (De Graaff, Colijn, Welter) waren in het algemeen zeer behoudend op dit punt.

Aan het Nederlandse bewind kwam op 9 maart 1942 een einde doordat Japan Nederlands-Indië bezette. Japan interneerde de Indische Nederlanders in kampen en dwong hen tot dwangarbeid (onder meer in Birma).

Vanuit Londen beloofde de Nederlandse regering in ballingschap op 7 december 1942 bij monde van koningin Wilhelmina dat er na de bevrijding een rijksconferentie zou komen waar zelfstandigheid van Nederlands-Indië binnen het koninkrijk besproken zou worden.

2.

Indonesische onafhankelijkheid

Op 15 augustus 1945 capituleerde Japen. Twee dagen later riep de nationalistische voorman ir. Ahmed Soekarno in Batavia de Republik Indonesia uit.

In Indonesië, met name op Java en Sumatra, was op dat moment een machtsvacuüm. De Nederlanders zaten nog in kampen en de geallieerden waren nog nauwelijks aanwezig. De Japanners, en weldra ook de Indonesiërs, namen de macht in handen. Nadat Engelse militairen waren gearriveerd werden de kampen bevrijd. In de chaotische periode die volgde, vonden plunderingen en moordpartijen plaats. Het Nederlandse gezag kon zich slechts ten dele herstellen. Voortdurend waren er gevechten.

Veel nationalisten hadden de Japanners beschouwd als 'bevrijders'. Vanwege de steun die Soekarno tijdens de bezetting had betoond aan de Japanners (en aan de andere As-mogendheid, Duitsland), wilde de Nederlandse regering zeker met hem niet onderhandelen. Tegen de zin van de regering in Den Haag deed de hoogste gezagdrager in Indië,  Van Mook, dat in december 1945 echter toch. De realiteit gebood dat en het kabinet legde zich daar bij neer.

Serieuze onderhandelingen werden echter pas mogelijk nadat in november 1945 het kabinet-Sjahrir was aangetreden. Sjahrir, een sociaaldemocraat, had niet de zijde van de Japanners gekozen en was wel aanvaardbaar voor de Nederlandse regering.

De onderhandelingen vonden in april 1946 plaats op het jachtslot Sint Hubertus op de Hoge Veluwe. Nederland wilde vooralsnog alleen op termijn (bijvoorbeeld na tien jaar) denken aan zelfstandigheid van Indonesië. Bovendien moest dat in een federatie, waarvan de Republik Indonesia (Java en Sumatra) slechts een onderdeel zou zijn. De buitengewesten zouden in de federatie een gelijkwaardige plaats krijgen. En dat alles in een Unie met Nederland met als staatshoofd de Nederlandse koningin. De Indonesiërs wezen dat af.

3.

Onderhandelen, vechten, onderhandelen

Ondertekening Akkoord van Linggadjati

Het in juli 1946 gevormde kabinet-Beel (KVP, PvdA) ondernam een nieuwe poging om tot een akkoord met de Indonesische leiders te komen. Er werd een Commissie-Generaal ingesteld onder leiding van oud-PvdA-premier Schermerhorn, die in Indonesië ging onderhandelen. Uiteindelijk leidde dit tot het Akkoord van Linggadjati, dat in maart 1947 werd getekend. Er werd overeenstemming bereikt over een Unie van Nederland en de Federatieve staat Indonesië.

Nederlandse regering en parlement wilden die Unie een veel groter gewicht toekennen dan de Indonesiërs. In het Nederlandse parlement werd dit vastgelegd in een motie-Romme/Van der Goes van Naters. Zeker de leiders op Java (Soekarno) keerden zich daartegen. Zij wilden onafhankelijkheid van Nederland. Niet lang daarna braken opnieuw schermutselingen uit en ontstond er een guerilla. Uiteindelijk besloot de regering tot militair ingrijpen (sinds november 1946 waren de Engelse troepen volledig afgelost door Nederlandse).

Deze eerste 'politionele' actie begon op 21 juli 1947 en duurde tot 5 augustus. Onder internationale druk kwam een wapenstilstand tot stand en op het Amerikaanse marineschip 'Renville' werd het Akkoord van Linggadjati herbevestigd. Ook daarna bleef het echter onrustig. Aan beide zijden vonden wreedheden plaats en werd de guerilla voortgezet.

Nederlandse militairen in actie

De harde lijn werd na de vorming van het kabinet-Drees/Van Schaik in 1948 vormgegeven door minister Sassen (KVP) en door Beel, die in november 1948 Van Mook verving als hoogste Nederlands gezagdrager in Indië (Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon). Vooral zij stuurden aan op nieuw militair ingrijpen.

Hoewel de PvdA-ministers zich lange tijde verzetten en er zelfs een korte kabinetscrisis ontstond, werd op 19 december 1948 tot een tweede politionele actie besloten. De leiders van de Republik werden gevangengenomen en het gezag van Nederland op Java werd deels hersteld. Tegenover dit militaire succes stond grotere internationale schade. Het aanvankelijke militaire succes werd opnieuw gevolgd door een Indonesische guerillaoorlog die veel Nederlandse slachtoffers eiste.

De Veiligheidsraad veroordeelde het Nederlandse optreden en de VS dreigde de steun aan het economisch herstel stop te zetten. Onder die druk werd Nederland begin 1949 gedwongen terug te keren naar de onderhandelingstafel. Er kwam een speciale VN-commissie voor Indonesië en in mei 1949 bereikten de diplomaten Van Roijen en Roem een akkoord over een ronde-tafelconferentie over de toekomst van Indonesië. Bovendien kwam er een wapenstilstand.

4.

Naar een oplossing

Een Grondwetsherziening in 1948 maakte inmiddels een oplossing voor het Indonesische vraagstuk mogelijk zonder dat nog de Grondwet hoefde te worden gewijzigd (en er dus verkiezingen zouden moeten worden uitgeschreven). Het kabinet-Beel diende in 1948 een wetsvoorstel in om een apart hoofdstuk aan de Grondwet toe te voegen. Hierdoor werd vorming mogelijk van een Unie tussen het koninkrijk Nederland (inclusief Suriname en de Nederlandse Antillen) en de Verenigde Staten van Indonesië met aan het hoofd koningin Juliana. Dit wetsvoorstel kreeg na de verkiezingen van 1948 de vereiste tweederde meerderheid in beide Kamers.

Ministers keren terug uit Indonesië

De Grondwetsherziening maakte overdracht van de soevereiniteit mogelijk via een gewone wet, die dan echter wel met tweederde meerderheid in beide Kamers moest worden aangenomen.

De totstandkoming van de grondwetsherziening en de daarvoor vereiste tweederde meerderheid maakte in 1948 vorming van een kabinet op brede basis noodzakelijk. In het kabinet-Drees/Van Schaik kwamen daarom naast KVP en PvdA ook CHU en VVD als regeringspartijen. De VVD verlangde als concessie voor steun aan de grondwetsherziening dat Nieuw-Guinea buiten de Verenigde Staten van Indonesië zou blijven.

Een conflict in het kabinet tussen Sassen en de overige ministers leidde in februari 1949 tot zijn vervanging door de gematigder en soepelere Van Maarseveen. In mei 1949 vertrok daarnaast Beel als HVK. Dit droeg bij aan een politiek klimaat waarin onderhandelingen kansrijk waren.

Na de succesvolle onderhandelingen tussen Van Roijen en Roem van april/mei 1949 startte in augustus dat jaar in Den Haag een Ronde Tafelconferentie (RTC). Daar zou in feit worden bereikt wat eerder in 1946 in Linggadjati al grotendeels was overeengekomen. Alleen de positie van Nieuw-Guinea werd anders geregeld dan in 1946.

Het op de RTC bereikte akkoord werd aan beide Kamers voorgelegd. Het kreeg slechts ternauwernood de vereiste meerderheid. In de Tweede Kamer stemden vijf van de negen CHU-leden vóór het akkoord, waardoor er 29 tegenstemmers waren (de Tweede Kamer was voor het eerst bij een stemming voltallig).

In de Eerste Kamer stemde op 21 december 1949 zelfs de gehele CHU-fractie tegen (uitslag 34 tegen 15 stemmen, de ARP'er De Wilde was de enige afwezige). Wat er zou zijn gebeurd als het voorstel was verworpen, is onduidelijk. Feitelijk was er geen alternatief dan overdracht van de soevereiniteit.

Op het Paleis op de Dam in Amsterdam en in het paleis van de Gouverneur-Generaal in Batavia (Djakarta) werd op 27 december 1949 de Akte van Soevereiniteitsoverdracht getekend (in een Engelse, Nederlandse en Indonesische vertaling). In Amsterdam gebeurde dat door koningin Juliana en de Indonesische premier Mohamed Hatta. Ook alle Nederlandse ministers en vertegenwoordigers van Suriname en de Nederlandse Antillen ondertekenden dit document, evenals leden van de Indonesische onderhandelingsdelegatie. De Akte bevestigde de instelling van de Nederlands-Indonesische Unie.

Koningin Juliana sprak onder meer de volgende woorden:

De aanvaarding van haar soevereiniteit door de jonge staat, de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië alsmede het afstand doen daarvan van het Koninkrijk der Nederlanden, en het aangaan van een Unie, is één van de meest aangrijpende en ingrijpende gebeurtenissen van deze tijd (...). Niet langer staan wij gedeeltelijk tegenover elkander. Wij zijn nu naast elkaar gaan staan, hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol littekens van wrok en spijt.

Op het paleis in Batavia werd de Indonesische vlag gehesen. Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon Lovink droeg de macht over aan een delegatie van de Indonesische republiek. Soekarno arriveerde een dag later in Djakarta en nam zijn intrek in het paleis.

5.

Gevolgen voor de Nederlandse politieke verhoudingen

De gedachte dat Indië verloren zou gaan, was voor veel Nederlandse politici een spookbeeld ('Indië verloren, rampspoed geboren'). Tegen onderhandelingen, maar vooral tegen het loslaten van het staatsverband kwam daarom heftig verzet. Bovendien werden veel leiders van de Republik Indonesia gewantrouwd.

Het Nederlandse verzet werd in december 1946 gebundeld in het Nationaal Comité Handhaving Rijkseenheid, met oud-premier Gerbrandy en oud-minister Welter als voormannen. ARP, CHU, Liberalen, SGP en een groot deel van de KVP stelde zich hard op. De nieuwe KVP-voorman Romme schreef bij het begin van de Hoge Veluweconferentie over 'de Week der Schande'.

De KVP kreeg mede ten gevolge van de Indonesische kwestie met een afscheiding te maken van de rechtervleugel. Onder leiding van oud-minister Welter verliet een kleine groep de KVP om enkele jaren als Katholieke Nationale Partij te ageren tegen de koers van de KVP. In 1955 keerde de afscheidenen terug naar de KVP.

In de PvdA onstond in 1947 oppositiebeweging (de Nova-Zemblagroep) tegen militair ingrijpen. Ook in het kabinet keerden onder anderen Drees zich tegen nieuwe militaire acties. Uiteindelijk legden zij zich hierbij echter neer, vooral omdat gevreesd werd dat het alternatief zou zijn een rechtse regering, zonder PvdA, die tot veel hardere acties zou besluiten.

De Indonesische kwestie maakte vorming van een nationaal kabinet tot 1950 onmogelijk. De ARP bleef buiten het kabinet. Die partij verzette zich heftig tegen de lijn van de kabinetten-Schermerhorn, -Beel en -Drees, met Gerbrandy als felste woordvoerder.

Er zijn al langere tijd speculaties over een mogelijke 'rechtse' staatsgreep, die een harder Nederlands militair ingrijpen in Indonesië mogelijk hadden moeten maken. Sluitende bewijzen daarvoor zijn er echter niet.

6.

Na 1949

De Indonesische kwestie beheerste de eerste naoorlogse jaren volop de politiek en bleef ook na 1949 een belangrijk onderwerp op de politieke agenda. De kwestie-Nieuw-Guinea, die een direct gevolg was van de Indonesische vrijheidsstrijd, werd pas in 1962 opgelost. In 1950/1951 veroorzaakte die kwestie een kabinetscrisis.

In 1956 zegde Indonesië de Nederlands-Indonesische Unie op en daarna verslechterde de verhouding met Nederland snel. Nederlandse bedrijven werden in 1957 door Indonesië genationaliseerd en veel (Indische) Nederlanders keerden noodgedwongen, als zogenoemde repatrianten, terug naar Nederland. Pas na het oplossen van de kwestie-Nieuw-Guinea konden de verhoudingen zich normaliseren.

In 1968 leidden onthullingen over misdragingen van Nederlandse militairen in de jaren 1945-1949 tot veel beroering. De problematiek van de in Nederland verblijvende Zuid-Molukkers, die in 1950 hadden geweigerd onder Indonesisch bewind te komen en door de regering naar Nederland waren gehaald, zou tot in de jaren '70 diverse keren voor confrontaties in Nederland zorgen.

7.

Tijdbalk

8.

Kamerdebatten

9.

Nederlandse hoofdrolspelers

 W. Schermerhorn

 
 L.J.M. Beel

 
 W. Drees

 
 J.H.A. Logemann

 
 H.J. van Mook

 
 J.A. Jonkman

 
 E.M.J.A. Sassen

 
 C.P.M. Romme

 
 J.H. van Maarseveen