Het Europees Parlement en het nieuwe EU-Verdrag

gebouw Europees Parlement

De Europese Unie heeft lang aan een nieuw verdrag gewerkt. Na twee rondes van uitbreidingen in 2004 en 2007 bestaat de EU uit maar liefst 27 lidstaten. Om ervoor te zorgen dat deze grote groep landen effectief samen kan werken was een verdrag met nieuwe spelregels nodig. Het Verdrag van Lissabon is op 1 december 2009 in werking getreden.

In eerste instantie bestond een plan voor de zogenaamde 'Europese Grondwet'. Hoewel de regeringen van de EU-lidstaten vóór deze grondwet waren, werd het grondwettelijke verdrag door de bevolkingen van Frankrijk en Nederland in 2005 per referendum afgewezen.

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

De inzet van de Nederlandse regering

In het regeerakkoord was afgesproken dat Nederland een verdrag wilde dat naar 'inhoud, omvang en benaming' verschilt van de eerdere grondwet. De eerste symbolen van Europese staatsvorming (zoals de Europese vlag en de Europese minister van Buitenlandse Zaken) moesten buiten het nieuwe verdrag worden gehouden.

Ten tweede wilde de regering dat nationale parlementen via een 'rode kaart' procedure (waarbij een meerderheid van nationale parlementen EU-voorstellen kan tegenhouden) meer invloed op EU-besluitvorming zouden krijgen. Ten derde wilde Nederland dat Europa zich niet bemoeit met nationale beleidsterreinen als onderwijs, en moesten de Kopenhagen-criteria voor de toelating van nieuwe lidstaten in het verdrag opgenomen worden. Ten slotte wilde Nederland dat het zogenaamde Handvest van de Grondrechten niet in het nieuwe verdrag komt te staan. Volgens premier Balkenende was een verwijzing naar dit Handvest voldoende.

2.

Rol van het Europees Parlement

Het oordeel van het Europees Parlement (EP) over het nieuwe EU-verdrag was niet juridisch bindend; de nationale regeringen van de EU-lidstaten moesten eensgezind beslissen over dit nieuwe verdrag. Hoewel zij niet verplicht waren om rekening te houden met het standpunt van het EP, zou het politiek gezien schadelijk zijn wanneer de enige EU-instelling met direct verkozen vertegenwoordigers het nieuwe verdrag zou afkeuren. De mening van het Parlement deed er in de praktijk dus wel toe. Sommige nationale parlementen hebben in het verleden aangegeven dat ze alleen akkoord zouden gaan met een nieuw EU-verdrag dat de steun van het Europees Parlement heeft.

Het Europees Parlement bemoeide zich actief met het nieuwe EU-verdrag. Op 7 juni 2007 nam het EP met overweldigende meerderheid een resolutie aan over een stappenplan voor dit nieuwe verdrag. Daaruit bleek dat het EP de oorspronkelijke Europese Grondwet nog steeds steunt, eventueel met een ander uiterlijk.

Hoewel het EP besefte dat er in een aantal landen (zoals Frankrijk en Nederland) bezwaren bestonden tegen de Europese Grondwet, wees het erop dat deze lidstaten het grondwettelijk verdrag al wel ondertekend hadden, en dat bovendien tweederde van de lidstaten (achttien landen) het verdrag al had geratificeerd. Het EP wilde dan ook vasthouden aan zowel deel I van het grondwettelijke verdrag, waarin de institutionele grondbeginselen stonden, als aan deel II, het Handvest van de Grondrechten. Het Europees Parlement stelde in de resolutie dat het elk resultaat van de onderhandelingen tussen de regeringsleiders af zou wijzen dat in vergelijking met het grondwettelijk verdrag leidt tot een aantasting van de bescherming van de rechten van de burgers.

Bovendien wilde het EP in het nieuwe verdrag op enkele nieuwe beleidsterreinen een gemeenschappelijke aanpak realiseren. Deze beleidsterreinen waren onder andere klimaatverandering, energiesolidariteit, ontwikkeling van een migratiebeleid, het verbeteren van het Europese sociale model en de strijd tegen het terrorisme.

Na ondertekening van het nieuwe verdrag is het Europees Parlement zich gaan voorbereiden op wat er zou gaan gebeuren als het verdrag daadwerkelijk in werking treedt. De veranderde machtsverhoudingen tussen de verschillende Europese instellingen betekenden dat de samenwerking op sommige gebieden anders moest worden vormgegeven.

Het Europees Parlement heeft een aantal rapporten uitgebracht over de bestuurlijke veranderingen in het Verdrag van Lissabon:

De standpunten van de acht Nederlandse fracties in het EP

3.

SP: 'Geen oude grondwet in nieuwe zakken!'

Erik Meijer

Erik Meijer

Tijdens de vergadering van het EP op 23 mei 2007 in Straatsburg over het nieuwe EU-verdrag, zei de toenmalige fractieleider van de SP in het Europees Parlement, Erik Meijer, dat voor zijn fractie het oude grondwettelijke verdrag niet voldeed. Meijer was het met de Nederlandse regering eens dat een nieuw EU-verdrag zich 'in inhoud, omvang en benaming' duidelijk moest onderscheiden van de eerdere grondwet.

Daarbij waren voor de Nederlandse SP-fractie in het EP twee zaken van groot belang:

  • 1. 
    Nationale parlementen moesten meer macht krijgen bij de totstandkoming van Europese wet- en regelgeving.
  • 2. 
    Nationale beslissingen over publieke diensten, zoals de post en de energienetwerken, mochten niet door de EU verstoord worden. Dat week volgens Meijer af van de grondwetstekst die opriep tot een steeds verdergaande liberalisering van diensten en een vrije en onvervalste concurrentie.

4.

GroenLinks: 'EU-verdrag zonder grondrechten is een misser'

Kathalijne Buitenweg

Kathalijne Buitenweg

Kathalijne Buitenweg, destijds fractieleider van GroenLinks in het EP, maakte in haar toespraak voor de vergadering van het EP op 23 mei duidelijk dat ze de strategie van de Nederlandse regering op het gebied van het nieuwe EU-verdrag selectief vond. Volgens haar koos de regering bij haar interpretatie van het 'nee', alleen maar die bezwaren tegen de Grondwet die leidden tot een minder ambitieus verdrag.

Buitenweg vond het van essentieel belang dat het Handvest van de Grondrechten integraal in het nieuwe verdrag zou worden opgenomen, omdat er volgens haar maar weinig mensen tegen de grondwet gestemd hadden omdat ze meer rechten zouden krijgen. Die uitleg van het 'nee' zou niet kloppen niet. De Nederlandse regering leek door het afzien van opname van het Handvest, enkel en alleen te willen voorkomen dat er in Nederland opnieuw een referendum moest worden gehouden.

5.

ChristenUnie-SGP: 'Geen oud product met een nieuw label'

Bas Belder

Bas Belder

Tijdens het debat van het EP op 7 juni in Brussel over het nieuwe EU-verdrag, liet Bas Belder, lid van de ChristenUnie-SGP fractie in het EP, weten dat zijn fractie tegen het grondwettelijke verdrag was. Voor zijn fractie volstonden uiterlijke aanpassingen van het verdrag niet; het draaide immers om de inhoud. In het debat van 23 mei maakte Belder duidelijk waar zijn fractie inhoudelijk belang aan hechtte wat betreft het nieuwe EU-verdrag.

  • 1. 
    In plaats van de voorgestelde vaste voorzitter van de EU zou er een roulerend triovoorzitterschap moeten komen, gevormd door een grote, een middelgrote en een kleine lidstaat.
  • 2. 
    De Kopenhagen-criteria moesten in het nieuwe verdrag opgenomen worden. Daarnaast moest het verdrag uitsluitsel geven over de grenzen van de EU.
  • 3. 
    In plaats van nationale parlementen de bevoegdheid te geven regeringsvoorstellen van de Europese Commissie te blokkeren, moesten de bevoegdheden van het Europees Parlement versterkt worden.

6.

VVD: 'Graag snel een verdrag, zonder opsmuk'

Jules Maaten

Jules Maaten

Volgens de toenmalige fractieleider van de VVD in het EP, Jules Maaten, was het van groot belang dat het nieuwe EU-verdrag in zicht kwam. Volgens Maaten ging het namelijk niet goed genoeg met de EU. Maaten wees op de volgende aandachtspunten:

  • 1. 
    De EU moest transparanter en democratischer zijn, en dus moest het Europees Parlement in het nieuwe verdrag meer bevoegdheden krijgen.
  • 2. 
    Nationale parlementen moesten eveneens meer bevoegdheden krijgen op het gebied van Europese wetgeving.
  • 3. 
    De EU moest effectiever zijn, zodat samenwerking op het gebied van klimaatverandering, energiebeleid, immigratie en het versterken van de rol van Europa in de wereld, echt tot resultaten leidt.
  • 4. 
    In het nieuwe verdrag moet vooruitgang geboekt worden op het terrein van de interne markt, omdat dit in het belang is van zowel de Europese consument als van de Europese economie.

7.

PvdA: 'Een nieuw verdrag, een socialer Europa'

Max van den Berg

Max van den Berg

De toenmalige fractieleider van de PvdA in het Europees Parlement, Max van den Berg, presenteerde op 6 juni 2007 in Brussel een vijfstappenplan dat de Nederlands burger ertoe zou moeten bewegen om weer voor Europa te kiezen:

  • 1. 
    Er moest een democratischer Europa komen. Dat betekende minder veto's en meer meerderheidsbesluitvorming, een sterkere rol voor het EP en afschaffing van de maandelijkse reis van het EP naar Straatsburg. De zogenaamde 'rode kaart'-procedure was volgens Van den Berg niet wenselijk.
  • 2. 
    Europa moest socialer worden. Publieke en semipublieke voorzieningen mochten niet onderworpen worden aan de markt.
  • 3. 
    Door middel van decentralisatie moest er een Europa van de regio's komen.
  • 4. 
    In het verdrag moesten verscherpte criteria worden opgenomen voor de toetreding van nieuwe lidstaten.
  • 5. 
    Het verdrag moest veel beknopter worden.

Van den Berg had al in een eerder debat op 23 mei aangegeven dat de PvdA het belangrijk vond dat het Handvest van de Grondrechten bindend zou blijven.

8.

CDA: 'Maak Nederland sterk met een nieuw verdrag'

Maria Martens

Maria Martens

In haar toespraak tijdens het debat in het EP op 23 mei, maakte Maria Martens, toen nog fractieleider van het CDA in het Europees Parlement, duidelijk dat Nederland geen EU met een grondwettelijk karakter wilde. Het nieuwe Europese verdrag mocht er niet toe leiden dat de Europese Unie een soort van superstaat werd. Volgens Martens moest het nieuwe EU-verdrag voldoen aan de wensen van de Nederlandse bevolking. De vier belangrijkste wensen van die bevolking waren volgens haar:

  • 1. 
    dat de EU stap voor stap verder gaat
  • 2. 
    dat de EU respect heeft voor subsidiariteit van de lidstaten (wat beter op nationaal niveau geregeld kan worden, moet nationaal blijven)
  • 3. 
    dat de EU democratisch en slagvaardig is en dus op meer terreinen beslissingen per meerderheid kan nemen
  • 4. 
    dat de uitbreidingscriteria opgenomen worden in het nieuwe verdrag

Martens vond het heel belangrijk dat de lidstaten op korte termijn tot een nieuwe verdragstekst zouden komen, waarin het fundament werd gelegd voor een slagvaardig en transparant Europa. Dat Nederland zich vanwege het 'nee' bij het referendum daarvoor extra hard moest inzetten, sprak volgens haar voor zich.

9.

D66: 'Met een miniverdrag wordt Europa een politieke dwerg'

Sophie in 't Veld

Sophie in 't Veld

Sophie in 't Veld, de fractieleider van D66 in het EP, vond dat de inzet van het Nederlandse kabinet voor het nieuwe EU-verdrag getuigde van een gebrek aan visie op Europa. In haar toespraak in het Europees Parlement op 23 mei 2007 maakte In 't Veld duidelijk dat een miniverdrag, zoals de Nederlandse regering dat voor ogen heeft, er onherroepelijk voor zou zorgen dat Europa een politieke dwerg op het wereldtoneel werd; een miniverdrag leidde tot minder democratie, minder invloed voor de burgers en minder Europese slagvaardigheid. De fractieleider van D66 achtte de volgende vier punten van groot belang voor het nieuwe verdrag:

  • 1. 
    De grondrechten moesten juridisch afdwingbaar zijn. Het verwijderen van het Handvest van de Grondrechten was een laffe truc, uitsluitend bedoeld om een referendum te ontlopen.
  • 2. 
    De betrokkenheid van nationale parlementen moest inderdaad versterkt worden, maar 'rode kaart'-procedures leidden alleen tot verlamming van Europa. Nationale parlementen zouden zelf meer belangstelling voor Europa moeten ontwikkelen.
  • 3. 
    Veiligheid moest op Europees niveau geregeld worden. Dit moest niet in achterkamertjes gebeuren, maar in de openbaarheid. Het grondwettelijke verdrag gaf daar de instrumenten toe. 
  • 4. 
    Het afschaffen van symbolen als de Europese vlag en het Europese volkslied was niet meer dan symboolpolitiek.

10.

Europa Transparant: 'Europese Grondwet moet volledig van tafel'

Paul van Buitenen

Paul van Buitenen

Volgens de fractieleider van Europa Transparant, Paul van Buitenen, toen nog vertegenwoordigd in het Europees Parlement, werd de Europese grondwet gepresenteerd als de oplossing voor het tekort aan democratie binnen de EU. Van Buitenen meende echter dat de Europese Grondwet ervoor zorgde dat er een verdere overdracht van bevoegdheden naar Brussel plaatsvond op gebieden als buitenlands beleid en veiligheid, zonder dat het Europees Parlement en/of de nationale parlementen meer mogelijkheden tot controle kregen. Dit leidde er volgens Van Buitenen toe dat de voorgestelde Grondwet het gebrek aan democratie in de EU, en hiermee dus het gebrek aan invloed van burgers, juist vergrootte. Voor Van Buitenen was een simpele aanpassing van de huidige voorstellen dan ook geen optie; de Europese Grondwet moest volledig van tafel.

11.

Meer informatie