De rol van nationale parlementen in de Europese Unie is door het Verdrag van Lissabon toegenomen. Nationale parlementen kunnen voortaan een 'gele' of 'oranje kaart' trekken als zij vinden dat voorgestelde Europese wetgeving niet in overeenstemming is met het principe van subsidiariteit. Nationale parlementen hebben daarmee een middel om aan de bel trekken wanneer ze menen dat een maatregel op Europees niveau niet doeltreffender is dan een maatregel op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau.
De Europese Commissie stelt nationale parlementen van al haar wetgevingsvoorstellen op de hoogte. Binnen acht weken moet een parlement een standpunt innemen. Elk parlement heeft twee stemmen. Bij parlementen met een tweekamerstelsel (zoals in Nederland met een Eerste en Tweede Kamer) heeft elke Kamer één stem.
Gele kaart
Als een derde van alle mogelijke stemmen vindt dat het onderwerp niet op Europees niveau thuis hoort, dan moet de Europese Commissie haar wetgevingsvoorstel in heroverweging nemen. Bij wetgevingsvoorstellen over de samenwerking op het gebied van justitie en politie is een kwart van alle mogelijke stemmen genoeg.
Oranje kaart
Deze optie maakt het voor de Europese Commissie als indiener van Europese wetsvoorstellen lastiger om haar gang te gaan. Als de helft van de nationale parlementen vindt dat het onderwerp niet op Europees niveau thuis hoort, moet de Europese Commissie het voorstel eveneens heroverwegen. Als de Europese Commissie het voorstel niet intrekt, moet zij met redenen omkleden waarom het gehandhaafd blijft. In dat laatste geval kunnen de Europese Raad van Ministers en het Europees Parlement besluiten het voorstel niet langer in behandeling te nemen. Om het voorstel naar de prullenmand te verwijzen is in de raad een meerderheid van 55 procent van de leden van de Raad nodig. Het Europees Parlement kan het voorstel in die situatie met een gewone meerderheid afwijzen.
Nederlandse inbreng
Het Nederlandse parlement speelde een voortrekkersrol in de discussie of het nationale parlement van een lidstaat zich nadrukkelijker zou moeten gaan bemoeien met de Europese besluitvorming. Onder aanvoering van het Tweede Kamerlid Han ten Broeke (VVD) en zijn PvdA-collega Luuk Blom wist Nederland de andere lidstaten er toe over te halen een duidelijke procedure in het leven te roepen om ongewenste Europese regelgeving al in een vroeg stadium tot staan te brengen. Dankzij de inbreng van de Nederlandse regering is niet alleen de gele, maar ook de oranje kaart toegevoegd aan het Verdrag van Lissabon. Ten Broeke en Blom zien de oranje kaart vooral als 'brandblusser'. "Het is geruststellend om het in huis te hebben, maar je hoopt het nooit te hoeven gebruiken."
Toepassing
Het Nederlandse parlement heeft nu zijn schouders gezet onder een de procedure tot een voor nationale parlementen hanteerbaar instrument te maken. De kaart moet namelijk binnen acht weken worden getrokken nadat de Commissie haar plannen bekend heeft gemaakt. Het is dus zaak om zoveel mogelijk van de huidige 27 lidstaten van de Unie te betrekken bij een gezamenlijke weging van de Commissievoorstellen. De Tweede Kamer wil daarvoor de COSAC in te schakelen, het samenwerkingsorgaan van vertegenwoordigers van het Europees Parlement en de Kamercommissies voor Europese zaken van de nationale parlementen.
De Tweede Kamer zou in de procedure voor de beoordeling van Commissievoorstellen ook graag zien dat de proportionaliteit van een wetgevingsinitiatief wordt onderzocht. Daarbij gaat het om de vraag hoe ver Europese wetgeving moet gaan. Het Verdrag van Lissabon daar niet helder over is.
Om de onafhankelijkheid van de nationale parlementen verder te bevorderen zijn in het verdrag duidelijke afspraken gemaakt over de tijdige toezending van alle relevante documenten die met Europese wetgeving te maken hebben. Ook zijn duidelijke termijnen gesteld waarbinnen bezwaren kunnen worden gemaakt.
In het Verdrag van Lissabon staat overigens duidelijk dat de Europese Commissie ervoor moet zorgen dat een voorstel strookt met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. De conclusie van de Commissie moet vervolgens worden onderbouwd door kwalitatieve en kwantitatieve argumenten, waarbij ook de kostenaspecten aan bod moeten komen. Ook die moeten in verhouding staan tot het te bereiken doel.
Als een voorstel volgens een nationaal parlement niet aan deze eisen voldoet mag deze naar het Hof van Justitie stappen.
Op 3 tot 5 april 2011 spraken de voorzitters van de parlementen van de 27 EU-lidstaten met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en het Europees Parlement over een mogelijke rol van nationale parlementen in het buitenlands- en veiligheidsbeleid van de EU. Volgens de Nederlandse senaatsvoorzitter René van der Linden zouden de bestaande Europese besluitvormingsprocedures niet toegerust zijn op snelle internationale ontwikkelingen.
Vooral het wegvallen van de West-Europese Unie en de bij deze organisatie horende parlementaire assemblée maken het nodig om tot een nieuw forum te komen voor parlementaire verantwoording over het buitenlands- en veiligheidsbeleid, zei Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet.
De voorzitters van de parlementen van de lidstaten kwamen overeen te gaan werken aan de vorming van een Interparlementaire Conferentie voor het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid en het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid. Over de rol die het Europees Parlement in deze conferentie zou moeten of kunnen krijgen werd nog geen overeenstemming bereikt.
In april 2011 werden de conclusies van onderzoeken naar het vermogen van de Eerste en van Tweede Kamer om nieuwe Europese wetgeving te kunnen beoordelen bekend gemaakt. Die onderzoeken schetsten een ontluisterend beeld.
De Eerste Kamer kan haar controlerende taak niet goed genoeg uitvoeren vanwege tijdgebrek en de problematische samenwerking met de bewindslieden. Tijdgebrek omdat de senatoren het kamerwerk in deeltijd moeten doen; de hoeveelheid en complexiteit van Europese regels is eigenlijk te groot om in die korte tijd aan te kunnen. De problematische samenwerking met de bewindslieden ligt hem vooral in het feit dat ze de Eerste Kamer niet of nauwelijks informeren over Europese voorstellen en de positie die Nederland over die voorstellen inneemt. Waar er al debat plaatsvindt is het vaak te laat en te weinig.
De Tweede Kamer heeft niet genoeg aandacht voor nieuwe Europese voorstellen. Ze kiest ervoor zich vooral op nationale zaken te richten. Eén belangrijke reden daarvoor is dat Europese voorstellen vaak minder tot de verbeelding spreken. Een ander probleem is dat de Tweede Kamer Europese regels beoordeelt als ze voor het eerst voorgesteld worden, en daarna pas weer onder ogen krijgt wanneer ze nationaal geïmplementeerd moeten worden. In het tussenliggende besluitvormingsproces kunnen voorstellen op allerlei manieren worden aangepast. De onderhandelingen daarover gaan veelal aan de Kamer voorbij.
Een oplossing zou zijn om, bij voor Nederland echt belangrijke zaken, vaker gebruik te maken van het parlementair voorbehoud.
Onderhandelingen in de Raad van Ministers kunnen door de delegaties genomen worden onder voorbehoud van goedkeuring van het nationale parlement van een of meerdere Lidstaten.
