Beloning europarlementariërs

In juni 2005 ging het Europees Parlement akkoord met een uniforme beloningsregeling voor europarlementariërs. Een eerdere poging hiertoe strandde in januari 2004 in de Raad van ministers. Hierdoor bleven er grote verschillen in de salarissen van europarlementariërs bestaan. Ook is er al jarenlang veel kritiek op de systematiek en het gebruik van presentie- en reiskostenvergoedingen. Sinds 1999 is er voor Nederlandse europarlementariërs een gedragscode. Over de naleving daarvan ontstond begin 2004 discussie.

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Huidige beloningsregeling

De huidige leden van het Europees Parlement ontvangen over het algemeen hun 'bezoldiging' (salaris) op basis van het Statuut van het Europees Parlement dat in juli 2009 in werking trad. Enkele leden die al voor de verkiezingen van 2009 in het Parlement zaten hebben ervoor gekozen hun oude nationale regeling en de daarbij behorende bezoldiging te behouden.

Volgens het Statuut bedraagt in 2011 de bruto maandelijkse bezoldiging van de leden van het Europees Parlement € 7.956,87. Dit bedrag is 38,5 procent van het basissalaris van een rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Met aftrek van de Gemeenschapsbelasting en een bijdrage voor de ongevallenverzekering houden Europarlementariërs € 6.200,72 over. Het salaris wordt betaald uit de begroting van het Parlement zelf.

Voor de belastingheffing op het salaris bestaat een speciale regeling: europarlementariërs betalen tussen de 20 en 30 procent belasting aan de Europese Unie. Daarnaast kunnen de lidstaten zelf nog belasting heffen.

Verder maken europarlementariërs aanspraak op onbelaste onkostenvergoedingen. Deze onkostenvergoedingen worden direct betaald uit de EU-begroting. Bij deze vergoedingen gaat het deels om forfaitaire vergoedingen, dat wil zeggen vaste bedragen onafhankelijk van de werkelijk gemaakte kosten, en deels om vergoedingen voor daadwerkelijk gemaakte kosten.

De vergoeding voor algemene uitgaven is vastgesteld op het vaste bedrag van € 4.299,00. Hieruit worden leden van het Europees Parlement geacht uitgaven in hun lidstaat van herkomst te betalen, zoals administratie- en kantoorkosten.

Voor reiskosten van en naar vergaderingen van het Europees Parlement in Brussel en Straatsburg worden de daadwerkelijke kosten vergoed, plus vaste vergoedingen per gereisde kilometer. De europarlementariërs krijgen de kosten uitbetaald die zij gemaakt hebben voor een business class vliegticket, een eerste klas treinticket of € 0,50 per met de auto afgelegde kilometer.

Reizen voor andere doelen dan officiële vergaderingen van het Europees Parlement worden ook vergoed, in zoverre deze reizen uit het mandaat van de europarlementariërs voortkomen. Na overlegging van de vereiste bewijsstukken worden reis, accomodatie en bijkomde kosten vergoed tot een maximum van € 4.234,00 per jaar.

Hiernaast ontvangen de leden van het Europees Parlement een verblijfsvergoeding van € 304,00 voor elke dag van aanwezigheid op officiële vergaderingen. Een parlementslid kan deze vergoeding alleen krijgen als de presentielijst getekend is. Als blijkt dat een europarlementariër bij minder dan de helft van de plenaire stemmingen aanwezig is wordt de verblijfsvergoeding gehalveerd.

De verblijfsvergoeding wordt wel gezien als een presentiegeld en het schijnt nogal eens voor te komen dat europarlementariërs alleen hun handtekening komen zetten en vervolgens (soms met de trein of het vliegtuig) weer naar huis gaan zonder de zitting daadwerkelijk bij te wonen.

Er bestaat al jarenlang forse kritiek op de presentiegeldregeling. In maart 2004 maakte de Oostenrijkse europarlementariër Hans-Peter Martin (partijloos, voorheen sociaal-democraat) bekend dat hij sinds 1 februari 2001 opvallende dingen in het in zijn ogen veelal dubieuze gedrag van zijn collega's had bijgehouden.

Ook op andere onderdelen van het vergoedingenbeleid is kritiek. De Britse europarlementariër Marta Andreasen (UK Independence Party) zei in maart 2011 bijvoorbeeld ervan te walgen dat Europarlementariërs de onkostenvergoeding waarvan onder meer personeel betaald moet worden voor de tweede keer in korte tijd met €1500,- verhoogden. Ze werd hierin gesteund door vertegenwoordigers van de VVD en PVV die erop wezen dat dit soort verhogingen van het budget moeilijk te verantwoorden zouden zijn aan lidstaten die zelf onder druk van de EU in hun begrotingen moeten snijden.

Voor europarlementariërs die nog van de oude (nationale) bezoldigingsregeling gebruik maken geldt dat op hun schadeloosstelling een bedrag van € 11.530,10 wordt ingehouden. Deze korting wordt gebruikt om de vergoedingen van europarlementariërs netto gelijk te houden aan die van Tweede Kamerleden. Voor de Tweede Kamerleden zijn in 1997 de salarissen gestegen en de onkostenvergoedingen gedaald. Omdat de salarissen van leden van het Europees Parlement in het oude stelsel gelijk waren aan die van Tweede Kamerleden stegen de salarissen van de europarlementariërs mee, maar daalden de onkostenvergoedingen (die op Europees niveau uitbetaald worden) niet mee. Om hetzelfde neutrale netto resultaat te bereiken wordt er daarom € 11.530,10 ingehouden op de schadeloosstelling van Nederlandse europarlementariërs.

2.

Mislukte hervorming

Akkoord Europees Parlement

Nadat er jarenlang vergeefs was geprobeerd tot één salarisregeling voor alle europarlementariërs te komen, ging het Europees Parlement in december 2003 (met 345 van de 527 uitgebrachte stemmen voor, 94 tegen en 88 onthoudingen) akkoord met een door de Duitse sociaal-democaat Willy Rothley opgesteld compromisvoorstel. Deze politieke doorbraak werd mogelijk omdat Duitse europarlementariërs hun verzet tegen de nieuwe regeling staakten.

Ondanks de voordelen bij de kostenvegoedingen was ook op het EP-besluit de nodige kritiek mogelijk:

  • de voorgestelde bruto salariëring is (vaak zeer fors) hoger dan de salariëring van alle europarlementariërs uit de bestaande en nieuw toetredende EU-landen, met uitzondering van Italië;
  • de salarissen zijn buitenproportioneel veel hoger dan de salarissen van politici in de nieuwe EU-landen;
  • de pensioengerechtigde leeftijd is vastgesteld op slechts 63 jaar, terwijl veel lidstaten in verband met de vergrijzing juist proberen mensen langer te laten doorwerken.

Verwerping door Raad van ministers

Aangezien het statuut voor een deel ging over belastingheffing, moest het nog unaniem goedgekeurd worden door de Raad van ministers. Duitsland, Frankijk, Oostenrijk en Zweden blokkeerden hierin het plan.

Hoewel Duitse europarlementariërs er volgens het EP netto op achteruit zouden gaan door het verlies aan onkostenvegoedingen, zei de Duitse regering niet te willen dat europarlementariërs meer gingen verdienen dan nationale parlementsleden. Ook wilde de rood-groene Duitse coalitie niet aan de kiezers uitleggen dat europarlementariërs in een tijd van bezuinigingen een salarisverhoging kijgen.

Willy Rothley was hierop zo boos op zijn partijgenoten dat zijn voorstel het uiteindelijk toch niet had gehaald, dat hij vervolgens uit de SPD-delegatie in het EP stapte.

3.

Gedragscode Nederlandse europarlementariërs

  • Gedragscode Nederlandse europarlementariërs

    Sinds 3 februari 2005 bestaat er een nieuwe gedragscode voor Nederlandse leden van het Europees Parlement (EP). Hierin beloven de europarlementariërs onder meer om alleen de werkelijk gemaakte reiskosten te houden. De gedragscode lijkt in veel opzichten op de vorige uit 1999. Deze ontstond uit onvrede onder Nederlandse europarlementariërs vanwege het feit dat het EP en de Raad van de Europese Unie het niet eens konden worden over een nieuwe salaris- en onkostenregeling voor EP-leden.