Tijdens de Europese Raad van Maastricht in 1991 maakten de toenmalige Europese regeringsleiders afspraken over de oprichting van een Economische en Monetaire Unie (EMU) om zo de Europese economieën en munteenheden meer op één lijn te krijgen. Het plan van de EMU bestond uit drie stappen en werd vastgelegd in het Verdrag van Maastricht (1992). Het uiteindelijke doel was de invoering van een Europese eenheidsmunt, de euro. De landen die de euro als valuta hebben ingevoerd, worden samen de eurozone genoemd.
De drie fases van de EMU
-
-In de eerste fase van het plan werd de Europese kapitaalmarkt vrijgemaakt. Dit betekende onder meer dat burgers van de Europese Unie in elke lidstaat een bank- en spaarrekening konden openen, een hypotheek konden afsluiten en aandelen en obligaties vrij konden verhandelen.
-
-In de tweede fase werd het Europees Monetair Instituut (EMI) opgericht, de voorloper van de Europese Centrale Bank (ECB). Het EMI speelde een belangrijke rol in het stimuleren van samenwerking tussen de nationale banken van de lidstaten.
-
-De laatste (derde) fase van de EMU is op 1 januari 1999 van start gegaan. Op die datum hebben elf lidstaten de euro ingevoerd als gemeenschappelijke munt in het girale bankverkeer: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Luxemburg, Ierland, Italië, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Op 1 januari 2002 voegde ook Griekenland zich bij de eurozone en werden in alle deelnemende lidstaten de eurobankbiljetten en -munten ingevoerd ter vervanging van de nationale bankbiljetten en munten. Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken hebben besloten voorlopig niet aan de invoering van de euro mee te doen. Zij hebben gebruik gemaakt van wat officieel een "opt-out"-clausule heet, een speciale uitzonderingsmaatregel.
De euro vanaf 2004
In 2003 heeft de Zweedse burger 'nee' gestemd in een referendum over invoering van de euro. Zweden heeft zich bij de toetreding tot de Europese Unie in 1995 wel verplicht om uiteindelijk tot de eurozone toe te treden.
De tien nieuwe lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie toetraden, waren verplicht de euro op termijn ook in te voeren. Dit kon echter pas als deze landen aan alle criteria konden voldoen. Vooral het inflatiecriterium bleek voor veel landen een struikelblok.
Dit criterium bepaalt dat de inflatie in een land niet te hoog mag zijn op het moment dat de euro wordt ingevoerd. Dit zou namelijk de stabiliteit van de euro in gevaar kunnen brengen. Omdat in veel Oost-Europese landen de forse economische groei van de laatste jaren gepaard ging met een hoge inflatie, voldeden zij lange tijd niet aan het inflatiecriterium.
Op 1 januari 2007 voerde Slovenië als eerste van de nieuwe toetreders de euro in. Sindsdien zijn ook Cyprus(2008), Malta (2008), Slowakije (2009) en Estland (2011) toegetreden tot de groep van eurolanden. Andere landen, waaronder Polen, Hongarije en enkele Baltische Staten, hopen de euro ook binnen enkele jaren in te mogen voeren.
