r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij Monitor Nieuwsbrief pdclogo Afstudeer hoed man met tas twitter

Laatste nieuws: 

Nederland en Europa

Nederlandse vlag

Nederland heeft al meer dan 60 jaar geleden samen met België, Duitsland, Frankrijk, Italië en Luxemburg de conclusie getrokken, dat we in Europa meer moesten gaan samenwerken, omdat we een aantal grensoverschrijdende problemen niet meer afzonderlijk van elkaar konden oplossen.

Bovendien was en is samenwerken goed voor de handel en daar moet Nederland het van hebben. Ook was Europa aan het herstellen van een verwoestende oorlog; men verwachtte dat landen die nauw samenwerken, elkaar niet gauw zullen aanvallen.

 
De Europese vlag, wapperend

Het samenwerkingsverband dat begon als Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal heeft zich gedurende de afgelopen decennia ontwikkeld van een handelsblok tot een verregaand geïntegreerde markt. Dit maakt ook het nemen van gezamenlijke politieke besluiten noodzakelijk, waarbij lidstaten niet langer op elk beleidsterrein een veto kunnen uitspreken. De rol van Nederland binnen wat inmiddels de Europese Unie is gaan heten, is daardoor veranderd.

Delen

Inhoud

1.

Afnemend enthousiasme

Het enthousiasme voor de Europese Unie en verdere integratie is sinds het begin van de jaren negentig sterk verminderd. In 2005 stemde het Nederlandse volk via een referendum tegen de Europese Grondwet. Het 'nee' had een aantal oorzaken. Zo was er onvrede over onder andere de gestegen prijzen na invoering van de euro en de gebrekkige manier waarop de Nederlandse regering het land informeerde over de toen in te voeren Europese Grondwet.

Ook was er kritiek op de snelle uitbreiding van de EU. Bovendien werd Nederland sinds de jaren negentig in plaats van netto-ontvanger een netto-betaler in de Europese Unie. Die netto-betalingen werden steeds groter. Het referendum werd bovendien gebruikt om onvrede over andere zaken te uiten dan de Europese Grondwet zelf, zoals over het kabinetsbeleid.

Uit onderzoek in de jaren erna blijkt dat er meer tegenstanders zijn gekomen van verdergaande Europese eenwording. Zo vrezen veel mensen dat de EU zich meer gaat bezighouden met onze pensioenen, zorg en onderwijs, of met onze typisch Nederlandse euthanasiewetgeving of ons softdrugsbeleid. Ook zijn er zorgen over de komst van nieuwe werknemers uit toegetreden landen zoals Polen, Bulgarije en Roemenië.

Anderzijds zijn er wereldwijde problemen die de noodzaak van grensoverschrijdende samenwerking nog meer onderstrepen. Zo kan de klimaatverandering alleen worden bestreden met gezamenlijk regelgeving om een CO2-reductie te behalen. Ook energievoorziening en internationale veiligheid zijn terreinen waarop we als klein land effectiever zijn als we de krachten bundelen met de rest van Europa. De gemiddelde Nederlander moedigt samenwerking op deze gebieden aan. Dit geeft aan dat Nederlanders, ondanks de kritische houding van de afgelopen jaren, nog steeds de waarde inzien van de Europese samenwerking.

Ook de politiek is in de loop der jaren veel minder vanzelfsprekend vóór Europese samenwerking. Partijen als SGP, SP, Partij voor de Dieren en PVV waren om uiteenlopende redenen vaak fel gekant tegen nieuwe initiatieven voor verregaande Europese samenwerking. En ook in de traditioneel pro-Europese partijen valt vaker kritiek op de EU te horen. Tegen de achtergrond van de economische crisis en de eurocrisis speelde de Europese Unie in de Tweede Kamerverkiezingen van 2012 een grote rol, en dan met name de rol die de Europese Unie had in de aanpak van de crisis. Met die vraag kwamen ook allerlei andere kwesties aan de orde, zoals waar Europa zich mee bezig moet houden en hoe de Europese Unie democratischer kan worden.

In 2013 verzamelde de organisatie BurgerforumEU in een maand tijd de benodigde 40.000 handtekeningen om een verzoek in te kunnen dienen bij de Tweede Kamer. Dit platform wilde dat er, wanneer er nieuwe bevoegdheden worden overgedragen aan de Europese Unie, in Nederland een referendum wordt gehouden waarin de bevolking zich over die bevoegdheidsoverdracht kan uitspreken. Tijdens de behandeling van dit verzoek op 21 januari 2014 in de Tweede Kamer bleek echter dat er geen meerderheid was voor het houden van een EU-referendum.

In 2015 verzamelde het actiecomité GeenPeil voldoende handtekeningen om een referendum aan te vragen over de goedkeuringswet met betrekking tot de Associatie-overeenkomst tussen de EU en Oekraïne. Op 6 april 2016 stemde een meerderheid tegen goedkeuring, bij een geldige opkomst van 32%. Het kabinet moet hierdoor goedkeuring heroverwegen.

2.

Nederland en de Europese instellingen

Iedere vijf jaar mogen alle stemgerechtigde burgers uit de EU stemmen voor het Europees Parlement. Iedere burger stemt voor kandidaten uit het eigen land. Die nationale Europarlementariërs werken volgens hun politieke kleur samen. In veel gevallen kijken de Europarlementariërs bij het nemen van beslissingen ook naar de belangen van hun land.

De Nederlandse ministers vertegenwoordigen ons land in de Raad van Ministers, kortweg de Raad. De minister-president doet dat in de Europese Raad. Ieder land verdedigt de belangen van het eigen land zo goed als mogelijk in de onderhandelingen met de andere landen over nieuwe voorstellen. In verreweg de meeste gevallen neemt de Raad besluiten bij gekwalificeerde meerderheid. In die gevallen kan de Raad  een voorstel aannemen wanneer 55% van het aantal lidstaten, met een minimum van 16, vóór stemt. Ook moeten de lidstaten die voor zijn, ten minste 65% van de totale bevolking van de Europese Unie vertegenwoordigen.

In het dagelijks bestuur van de Europese Unie, de Europese Commissie, zit een eurocommissaris uit iedere lidstaat. Van de eurocommissarissen wordt verwacht dat ze werken voor het Europees belang, en niet voor het land waar ze vandaan komen.

In de verschillende Europese instellingen werken burgers uit alle lidstaten, dus ook Nederlanders. Net als bij de eurocommissarissen wordt van de medewerkers van de Europese instellingen verwacht dat ze het Europese belang dienen, en niet het belang van het land waar ze vandaan komen.

3.

Nederland en Europese voorstellen

Naast de Europese instellingen hebben de Nederlandse regering en de volksvertegenwoordiging (Eerste en Tweede Kamer) elk hun eigen rol binnen het proces van Europese besluitvorming.

Regering

Jaarlijks heeft het kabinet zijn visie op de Europese samenwerking in de nota Staat van de Europese Unie. Wanneer de Commissie met nieuwe voorstellen komt, reageert het kabinet hierop zo nodig met een kabinetsappreciatie of BNC-fiche, waarin de eerste reactie op een voorstel wordt gegeven. Ook vervult Nederland eens in de zoveel jaar het wisselend voorzitterschap van de Raad

Parlement

De Tweede Kamer kan het kabinet vragen om niet met een Europees voorstel in te stemmen voordat is overlegd met de Kamer. Dit heet een parlementair voorbehoud of behandelvoorbehoud. Wanneer het Nederlands parlement vindt dat de Europese Unie niet bevoegd is om te beslissen op een bepaald beleidsterrein, dan kan het samen met parlementen van andere lidstaten proberen een gele of oranje kaart te trekken. Ook wijst de Tweede Kamer met enige regelmaat een rapporteur aan uit haar midden om Europese initiatieven op een bepaald terrein nauwlettend te volgen.

Voorafgaand aan een Raadsvergadering bespreekt de Tweede Kamer doorgaans de Nederlandse inzet met de minister of staatssecretaris die namens Nederland meebeslist in de Raad.

4.

Meer informatie

Delen

Terug naar boven