Werkgroep XI: "Sociaal Europa" van de Europese Conventie

Deze werkgroep van de Europese Conventie kreeg in haar mandaat onder meer de volgende vragen voorgelegd:

  • Welke essentiële waarden op sociaal gebied en welke sociale doelstellingen moet het constitutioneel verdrag bevatten? Moet de rol van de sociale partners terugkomen in het verdrag? Welke rol kan de open coördinatiemethode spelen en welke plaats moet zij in het constitutionele verdrag innemen?
  • Moeten de huidige bevoegdheden van de Unie op sociaal gebied worden gewijzigd? Zo ja, welke bevoegdheden op sociaal gebied moeten dan aan de Unie worden toegekend en in welke categorie van bevoegdheden moeten deze worden ondergebracht?
  • Welk verband kan er tot stand worden gebracht tussen de coördinatie van de economische beleidslijnen en de coördinatie van de sociale beleidslijnen?
  • In hoeverre moeten, wat de procedures betreft, de medebeslissingsprocedure en de stemming bij gekwalificeerde meerderheid worden uitgebreid tot onderwerpen waarvoor momenteel unanimiteit is vereist?

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Grondrechten van burgers binnen de Europese Unie

Verklaringen over de rechten van de mens en de burger vinden we terug in de grondwetten van de meeste Europese staten, die meestal dateren uit de 19e eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog is de bescherming van mensenrechten vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). Binnen Europa zijn sinds 1950 verschillende verdragen getekend waarmee verschillende (deel)rechten van de Europese burgers beschermd worden, bijvoorbeeld sociale rechten, anti-discriminatiebedingen en vrijheden waarmee economische activiteiten ontplooid kunnen worden.

De diverse verdragen zijn in 2000 samenbracht in één verdrag: het Handvest van Grondrechten. De Europese Conventie streeft ernaar het Handvest op te nemen in de grondwet voor de Europese Unie. De bepalingen in het Europees Handvest beschouwt de Conventie als onderdeel van de waarden waarop de Unie berust en die alle lidstaten met elkaar gemeen hebben. Dit zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten.

2.

Kernpunten van het slotverslag

▪  Sociaal Europa in het constitutioneel verdrag

De werkgroep beveelt aan sociale rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid, in het bijzonder gelijkheid van mannen en vrouwen, als waarden op te nemen in het constitutioneel verdrag.

De doelstellingen van de Unie op sociaal gebied zouden de bevordering van de volgende thema's moeten zijn: de volledige werkgelegenheid, sociale rechtvaardigheid, sociale vrede, duurzame ontwikkeling, economische, sociale en territoriale samenhang, sociale markteconomie, kwaliteit van het werk, levenslang leren, sociale integratie, een hoge mate van sociale bescherming, gelijkheid van mannen en vrouwen, kinderrechten, een hoog volksgezondheidsniveau en efficiënte en hoogwaardige sociale diensten en diensten van algemeen belang.

De werkgroep beveelt aan de rol van de sociale partners expliciet te erkennen in het constitutionele verdrag, bepalingen omtrent toereikend overleg op te nemen en de bestaande regelingen voor het onderhandelen over sociale akkoorden te verbeteren. De organisaties van de civiele samenleving dienen ook een rol te krijgen, vooral bij de bestrijding van sociale uitsluiting, dit onverminderd de bestaande speciale positie van de sociale partners in het proces van de sociale dialoog.

De werkgroep steunt in grote lijnen de opneming van de open coördinatiemethode in het verdrag, op een manier die de procedures en de respectieve rol van de betrokkenen verduidelijkt. In de desbetreffende bepaling zou duidelijk geformuleerd moeten worden dat de open coördinatiemethode niet gebruikt kan worden om de bestaande bevoegdheid van de Unie of van een lidstaat te ondermijnen.

▪  Wijziging huidige bevoegdheden van de Unie op sociaal gebied

Aangaande de bevoegdheden van de Unie op sociaal gebied is de werkgroep in het algemeen van mening dat de bestaande bevoegdheden toereikend zijn. De werkgroep geeft evenwel in overweging deze bevoegdheden nader te verduidelijken en maatregelen op Europees niveau te concentreren op vraagstukken die verband houden met de werking van de interne markt en/of beleidsmaatregelen met een sterk grensoverschrijdend effect. De werkgroep is van mening dat er specifieke uitbreidingen van de bestaande bevoegdheden op het gebied van de volksgezondheid zouden moeten worden overwogen, alsook een eventuele herformulering van artikel 16 VEG zodat verdere EU-wetgeving op het gebied van diensten van algemeen belang mogelijk wordt.

▪  coördinatie van economische en sociale beleid

De werkgroep is het erover eens dat de verschillende economische en sociale coördinatieprocessen moeten worden gestroomlijnd, waarbij de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad verantwoordelijk is voor het waarborgen van de coherentie. Aanbevolen wordt de daartoe benodigde procedures formeel vast te leggen in het verdrag.

▪  Wijzigingen procedures

Ter attentie van de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid (BGM) bleef de consensus van de werkgroep beperkt tot het standpunt dat ten minste het in Nice bereikte compromis om de Raad te machtigen om met algemene stemmen over te gaan tot de medebeslissingsprocedure en BGM voor artikel 137, de punten d), f) en g), in het constitutionele verdrag zou moeten worden gehandhaafd. Voor punt c) van artikel 137, lid 1, zou dan nog eenparigheid van stemmen vereist zijn.

Voorts bleef een minderheid sterk gekant tegen automatische uitbreiding van de BGM tot sociale zekerheid en arbeidsverhoudingen, terwijl de meeste andere leden van de groep nu verdere stappen in de richting van een systeem van besluitvorming bij meerderheid kunnen overwegen. Sommigen noemden een "supergekwalificeerde meerderheidsstemming" als mogelijk compromis.

De werkgroep was het erover eens dat verduidelijking van de reikwijdte van het Europese optreden een mogelijkheid is om de algemene toepassing van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid te vergemakkelijken. In deze context zou het mogelijk zijn de reikwijdte en de bewoordingen van artikel 137 te actualiseren en te moderniseren. De meeste leden van de groep pleitten ervoor om voor de artikelen 13 en 42 VEG medebeslissing met besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid te doen gelden.

3.

Samenstelling werkgroep

Voorzitter: Georges Katiforis (Griekenland, regeringsvertegenwoordiger)

Nederlands lid: J.J. van Dijk (plv. Tweede Kamer)