Deze werkgroep van de Europese Conventie kreeg in haar mandaat onder meer de volgende vragen voorgelegd:
-
-Welke taken zou de Unie op defensiegebied, naast de Petersbergtaken, op zich kunnen nemen?
-
-Nu de Unie besloten heeft zich te voorzien van een echt operationeel vermogen, waaronder een militair vermogen, rijst de vraag hoe ervoor gezorgd kan worden dat de lidstaten de nodige militaire vermogens hebben om de geloofwaardigheid van het defensiebeleid van de Unie te waarborgen. Moeten er, zoals voor de monetaire unie het geval was, toelatingscriteria en een pact opgesteld worden waaraan men zich vervolgens dient te houden?
-
-Moet de nauwere EU-samenwerking uitgebreid kunnen worden tot defensie?
-
-Hoe kan worden gezorgd voor een snelle besluitvorming tijdens crisisbeheersingsoperaties?
-
-Hoe kan er samenhang worden aangebracht in de planning van de crisisbeheersingsoperaties van de Unie?
-
-Hoe kan er bij de aankoop en ontwikkeling van en het onderzoek in verband met wapens voor een grotere efficiëntie en voor schaalvoordelen gezorgd worden? Moet er in dit verband worden gedacht aan de oprichting van een Europees bureau voor bewapening?
De Europese Unie is al enkele jaren bezig om een samenhangend defensiebeleid op te stellen. Vroeger ging het bij defensie vooral om de verdediging van het eigen land tegen een aanvaller. Tegenwoordig zijn militaire operaties vaker bedoeld om vrede te bewaren, of om te helpen bij de opbouw van een land dat is verwoest door een oorlog of door interne conflicten. Door deze veranderingen is het defensiebeleid in Europa steeds in ontwikkeling.
Sinds het einde van de Koude Oorlog hebben militaire operaties steeds meer als doel om vrede te bewaren, of te helpen bij de opbouw van een land dat is verwoest door een oorlog of interne conflicten; het gaat minder dan vroeger om militaire verdediging. Het Europese defensiebeleid ontwikkelt zich daardoor.
De Europese Unie heeft geen gemeenschappelijk leger. De militaire verdediging van veel lidstaten van de Europese Unie en enkele kandidaat-lidstaten wordt, behalve door hun eigen nationale leger, gegarandeerd door de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO).
In 2010 hebben de EU-landen ingestemd met een Spaans voorstel over de verdere ontwikkeling van een Europese snelle-interventiemacht. Die moet in geval van humanitaire of andere crisissituaties snel ter plaatse zijn en hulp kunnen verlenen.
Motto van het slotverslag: Voor een grotere effectiviteit en solidariteit in defensie
De Europese Unie wil uitgerust zijn met geloofwaardige, autonome strijdkrachten, om de veiligheid van de Unie de waarborgen. Deze strijdkrachten moeten door de EU geleide militaire operaties kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld bij de uitvoering van vredeshandhavingoperaties, humanitaire taken en reddingsopdrachten. Het Veiligheids- en Defensiebeleid zal onderdeel vormen van een meer algemene aanpak, die parallel met of na voltooiing van de militaire operatie ook andere elementen behelst. Het lijkt dan ook cruciaal om zorg te dragen voor een samenhangende planning van de verschillende onderdelen van een crisisbeheersingsoperatie van de Europese Unie.
Om een autonome strijdkracht te realiseren zouden EU-lidstaten, in het kader van vrijwillige samenwerking, binnen 60 dagen vijftien brigades (50.000 tot 60.000 manschappen) moeten kunnen mobiliseren. Ook moeten de deelnemende lidstaten kleinere snelle-reactie-eenheden kunnen leveren die in zeer hoge mate beschikbaar zijn. Dergelijke interventiemacht moeten:
-
-gedurende ten minste een jaar operationeel kunnen blijven
-
-zelfvoorzienend zijn
-
-beschikking hebben over de noodzakelijke vermogens inzake commando, controle, inlichtingen en logistiek
-
-beschikking hebben over andere inzet-ondersteunende eenheden en, indien nodig, lucht- en marine-eenheden
Om een geloofwaardig militair potentieel te bereiken, gaat de aandacht niet alleen uit naar de hoogte van de Europese defensiebegrotingen, maar ook naar gezamenlijke aankopen van materieel, en naar onderzoek en ontwikkeling op bewapeningsgebied.
Aanbevelingen van de werkgroep
Het verslag bevat de aanbevelingen van de groep, waarvan er verscheidene ruime steun hebben gekregen:
-
-actualisering van de Petersbergtaken;
-
-verbetering van de regelingen inzake crisisbeheersing, teneinde de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie te versterken;
-
-waarborgen van de flexibiliteit in besluitvorming en optreden zowel door een ruimer gebruik van de constructieve onthouding als door de instelling van een specifieke vorm van nauwere samenwerking tussen de lidstaten die de meest veeleisende Petersbergtaken wensen uit te voeren en beschikken over de nodige vermogens om die bereidheid geloofwaardig te maken;
-
-invoering van een solidariteitsclausule die de lidstaten met name in staat stelt terroristische dreigingen binnen de Unie te voorkomen en te bestrijden met inzet van alle nodige, zowel militaire als civiele, instrumenten;
-
-oprichting van een Europees bureau voor bewapening en strategisch onderzoek om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken, de lidstaten in staat stellen onderling verschillende samenwerkingsprogramma's uit te voeren en de naleving van de vermogensverbintenissen waarborgen;
-
-de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid verantwoordelijk maken voor de uitvoering van het optreden van de Unie en de coördinatie van de defensie-inspanningen van de lidstaten;
-
-waarborgen van een passende parlementaire controle
Voorzitter: Michel Barnier (Frankrijk, Eurocommissaris Regionaal Beleid)
Nederlands lid: Wim van Eekelen (Eerste Kamer), Frans Timmermans (Tweede Kamer)
