Werkgroep VII "Extern optreden" van de Europese Conventie

Deze werkgroep van de Europese Conventie kreeg in haar mandaat onder meer de volgende vragen voorgelegd:

  • Hoe kan er een grotere samenhang in het extern optreden van de Unie bereikt worden?
  • Hoe kunnen alle instrumenten waarover de Unie beschikt gecoördineerd worden? (met inbegrip van ontwikkelingshulp, humanitaire acties, financiële bijstand, handelspolitiek, enz.)
  • Hoe kan de Unie besluitvaardiger optreden op het internationale podium?
  • Behoeft het ambt van Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid wijzigingen?

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Extern optreden

 

Wereldleiders voor vlaggen van EU en Verenigde Staten

Europese landen voeren in diverse samenwerkingsverbanden gezamenlijk een buitenlands beleid, dat gericht is op het wereldwijd uitdragen van democratie en mensenrechten. Daarvoor vinden regelmatig bijeenkomsten plaats tussen de ministers van Buitenlandse Zaken van Europese landen.

Door haar grote economische gewicht is de Europese Unie een factor van betekenis in de wereld. De Unie is voor tal van landen en regio's de belangrijkste handelspartner. Bovendien is zij de grootste hulpverstrekker als het gaat om ontwikkelingssamenwerking. De EU en de lidstaten leveren ongeveer de helft van alle officiële internationale ontwikkelingshulp (ODA) die op wereldschaal wordt verstrekt. Ieder jaar geeft de Europese Commissie 6 miljard euro aan steun.

Het is een oud idee dat de Europese Unie in mondiale aangelegenheden met één stem moet spreken. Toch heeft de Unie op het gebied van een gemeenschappelijk buitenlands beleid in de afgelopen jaren minder vooruitgang geboekt dan bij het totstandbrengen van een interne markt en een enkele munteenheid.

2.

Kernpunten van het slotverslag

Motto van het slotverslag: Gevestigde Principes, een coherentere en efficiëntere benadering

De werkgroep benadrukt dat de Unie internationaal veel kan winnen door gezamenlijk op te treden, omdat het in toenemende mate moeilijk wordt voor individuele lidstaten om internationale ontwikkelingen te beïnvloeden. Het proces van Europese integratie heeft geleid tot nieuwe gedeelde belangen en waarden, die om een geïntegreerde aanpak vragen. Verder benadrukt de werkgroep dat extern beleid een groot aantal gebieden zal omvatten, waardoor nieuwe procedures en afspraken nodig zullen zijn.

▪  Institutioneel kader

Het samenvoegen van de artikelen met betrekking tot het extern optreden van de Unie in één titel van het Constitutioneel Verdrag. Momenteel zijn de artikelen verspreid over verschillende verdragen. In deze titel moeten ook algemene principes en doelstellingen van het externe beleid worden geformuleerd, met name de waarden waarmee de Unie is geschapen, geëvolueerd en uitgebreid.

De werkgroep beveelt aan dat de Europese Raad de strategische belangen en doelstellingen van de Unie definieert. Ook moet de Europese Raad de basisprincipes van het extern beleid vaststellen.

In het Constitutioneel Verdrag zou moeten staan dat de Unie de bevoegdheid zou moeten hebben om overeenkomsten te sluiten op gebieden die binnen het bereik van de eigen verantwoordelijkheden vallen. De Raad en de Europese Unie zouden, voorafgaand aan het sluiten van overeenkomsten, een besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen moeten bereiken.

▪  Verhoging van samenhang en doelmatigheid van het extern beleid

De werkgroep benadrukt de noodzaak om de samenhang en efficiency tussen de instellingen en de spelers te verhogen. Binnen de werkgroep werden verschillende opties geformuleerd:

  • handhaving van de rol van de Hoge Vertegenwoordiger van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB)
  • de rol van de Europese Commissie in de buitenlandse betrekkingen
  • een volledige integratie van de rol van de Hoge Vertegenwoordiger binnen de Europese Commissie
  • de vereniging van de functies van Hoge Vertegenwoordiger en Commissaris Buitenlandse betrekkingen in één functie

De laatste optie wordt gesteund door een aantal leden van de werkgroep. Ook de Europese Commissie stelt deze vereniging voor op andere voorwaarden.

Om de coherentie en efficiency van het externe beleid binnen de Europese organen te versterken, bestond binnen de werkgroep een stroming die de volgende zaken bepleit:

  • de oprichting van een specifieke Raad voor Externe Betrekkingen
  • de instelling van een 'focal point' binnen de Europese Commissie voor alle externe zaken die door de Commissie behandeld worden

▪  Organisatorische aanbevelingen

Daarnaast was er brede consensus voor enkele organisatorische aanbevelingen:

  • instelling van een gezamenlijke dienst, bestaande uit medewerkers van DG Relex, het secretariaat van de Europese Raad en de nationale diplomatieke vertegenwoordigers.
  • instelling van een EU-diplomatenacademie en een EU-diplomatieke dienst die naast de diplomatieke diensten van de lidstaten moet opereren

Voor wat betreft de instrumenten van het buitenlands beleid, beschouwt de werkgroep het wenselijk dat de Hoge Vertegenwoordiger en de Europese Commissie "gezamenlijke initiatieven" ontplooien. De werkgroep meent dat de huidige voorzieningen voor parlementaire controle voldoen: het Europees parlement wordt op de hoogte gehouden en mag aanbevelingen doen.

Om inertie binnen het besluitvormingsproces te voorkomen en een proactieve houding te stimuleren, zouden de procedures bij de formulering van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) zo flexibel mogelijk moeten zijn. De werkgroep denkt hierbij aan een maximaal gebruik van het stemmen met gekwalificeerde meerderheid (QMV) over GBVB-aangelegenheden en aan constructieve onthouding.

Het huidige GBVB-budget blijkt onvoldoende. Bovendien zijn huidige procedures te uitvoerig om snelle financiering van activiteiten te organiseren. Daarom beveelt de werkgroep aan het GBVB-budget dusdanig te organiseren dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het hoofd te bieden aan onverwachte internationale crises of nieuwe politieke prioriteiten.

▪  Internationale vertegenwoordiging

Met betrekking tot het aangaan van internationale verplichtingen zou het Constitutioneel verdrag voorzieningen moeten bevatten voor de onderhandeling en ratificatie. Deze voorzieningen zouden moeten vastleggen dat de Raad van de Europese Unie:

  • toestemming geeft om onderhandelingen te openen
  • een mandaat tot onderhandeling verleent
  • afspraken afrondt
  • specificeert wie namens de Europese Unie mag onderhandelen - afhankelijk van de situatie zou dit de Hoge Vertegenwoordiger, de Europese Commissie of beide moeten zijn

Verder zou de Eurozone door één afgevaardigde in internationale financiële instituties vertegenwoordigd moeten zijn.

Ten slotte beveelt de werkgroep een wijziging van de statuten van internationale organisaties aan, die:

  • een lidmaatschap van de Europese Unie mogelijk moet maken.
  • een enkele vertegenwoordiger bevoegdheid geeft te spreken namens de EU, als er een gezamenlijk standpunt bestaat.

3.

Samenstelling werkgroep

Voorzitter: Jean-Luc Dehaene (België, vice-voorzitter Europese Conventie)

Nederlands lid: René van der Linden (Eerste Kamer)