Werkgroep VI "Economisch beleid" van de Europese Conventie

Deze werkgroep van de Europese Conventie kreeg in het mandaat de volgende vraag voorgelegd:

  • De invoering van de gemeenschappelijke munt impliceert een meer diepgaande economische en financiële samenwerking. Hoe zou zo'n samenwerking er uit kunnen zien?

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Economisch Bestuur

Euro's

Elke lidstaat van de Europese Unie is lid van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Deze monetaire unie streeft naar een optimale integratie van de nationale economieën, zodat economische groei en welvaart gestimuleerd worden.

Zeventien lidstaten van de Europese Unie nemen deel aan de laatste fase van de EMU. Zij gebruiken de euro als betaalmiddel en stemmen hun economische en financiële politiek op elkaar af binnen de Eurozone.

Om het vertrouwen van de financiële wereld in de euro te behouden, hebben deze lidstaten aanvullende afspraken gemaakt over de gezondheid van hun nationale economie.

2.

Kernpunten slotverslag

Motto van het slotverslag: Intensievere coördinatie

Allereerst beveelt de werkgroep economisch bestuur aan dat de economische en sociale doelstellingen van de Europese Unie worden opgenomen in het toekomstige constitutioneel verdrag.

▪  Toekomstige monetaire samenwerking

De werkgroep herhaalt dat het Europese monetair beleid een exclusieve communautaire bevoegdheid is die wordt uitgeoefend door de Europese Centrale Bank.

De werkgroep onderstreept het belang van het behoud van de EUROGROUP en van de mogelijkheid van informele betrekkingen tussen de EUROGROUP, de Europese Centrale Bank en de Commissie. De werkgroep onderstreept dat de vertegenwoordiging van de Eurozone in internationale organisaties moet worden versterkt.

▪  Toekomstige economische samenwerking

Het economisch beleid behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten. De werkgroep benadrukt echter dat de coördinatie van het beleid van de lidstaten moet worden verbeterd, ongeacht of de werktuigen voor die verbetering in het verdrag worden opgenomen of niet. De werkgroep bereikte geen unanimiteit over de aanbevelingen, maar is geneigd het volgende voor te stellen:

  • 1. 
    de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREM)
    • worden vastgesteld door de Raad van de Europese Unie; het Europees Parlement zou moeten worden geraadpleegd (kan zijn mening te kennen geven) over die ontwerpen. Er zou aan een versterking van de rol van de Commissie kunnen worden gedacht;
    • bij niet-naleving ervan, richt de Commissie rechtstreeks een waarschuwing tot de betrokken lidstaat, de Raad van de Europese Unie beslist op voorstel van de Commissie welke maatregelen moeten worden genomen.
  • 2. 
    het stabiliteits- en groeipact
    • bij een buitensporig overheidstekort, stuurt de Commissie rechtstreeks een waarschuwing tot de betrokken lidstaat, de Raad van de Europese Unie beslist welke maatregelen moeten worden genomen. Op dit punt kan de rol van de Commissie worden versterkt.
  • 3. 
    de open coördinatiemethode
    • het Europees Parlement moet systematisch bij de open coördinatiemethode worden betrokken;
    • de doelstellingen, procedures en beperkingen daarvan moeten in het constitutionele verdrag worden opgenomen.
  • 4. 
    belastingen

    Enkele leden van de Groep stellen het volgende voor:

  • om de werking van de interne markt te verbeteren, moeten de besluitvormingsprocedures een onderlinge afstemming van de tarieven en de opstelling van minimumnormen voor de indirecte en de vennootschapsbelastingen mogelijk maken;
  • over maatregelen betreffende de interne markt of milieubescherming zou in de Raad van de Europese Unie met gekwalificeerde meerderheid moeten worden gestemd. Er zou dan een limitatieve lijst van die maatregelen moeten worden opgesteld.

3.

Samenstelling werkgroep

Voorzitter: Klaus Haensch (Duitsland, vertegenwoordiger Europees Parlement)

Nederlands lid: Tom de Bruijn (plv Regeringsvertegenwoordiger)