Werkgroep V "Complementaire Bevoegdheden" van de Europese Conventie

Deze werkgroep van de Europese Conventie kreeg in het mandaat de volgende vragen voorgelegd:

  • Hoe moet "complementaire" bevoegdheid in de toekomst worden aangepakt?
  • Moeten de lidstaten volledige bevoegdheid krijgen voor zaken waarvoor de Unie thans complementaire bevoegdheid heeft, of moeten de grenzen van de complementaire bevoegdheid van de Unie duidelijk worden afgelijnd?

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Aanvullende bevoegdheden

De meeste bevoegdheden van de Europese Unie zijn vastgesteld in diverse verdragen. Hierin staat duidelijk omschreven over welke beleidsterreinen de Europese Unie bevoegd is op te treden en welke instellingen hierbij een rol spelen.

Het optreden van de Europese Unie bestrijkt:

  • Beleidsgebieden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, zoals het monetair beleid voor lidstaten waar de euro is ingevoerd, de douane-unie en grote delen van het gemeenschappelijk handelsbeleid
  • Beleidsgebieden waarin de Unie bevoegdheden deelt met nationale of regionale overheden. Dit zijn het merendeel van de werkterreinen van de Unie, zoals het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de interne markt en het milieubeleid.
  • Beleidsgebieden waarin de Europese Unie de nationale overheden kan ondersteunen, door bijvoorbeeld coördinatie. Hierin heeft de Unie aanvullende bevoegdheden. Een bekend voorbeeld van een dergelijke aanvullende bevoegdheid is het Erasmusprogramma, waarin op onderwijsgebied de uitwisseling van studenten in Europa geregeld is.

2.

Kernpunten van het slotverslag

Motto van het slotverslag: "Aanvullende bevoegdheden" wordt "ondersteuningsmaatregelen".  Gebieden waarop ondersteuningsmaatregelen kunnen worden genomen: werkgelegenheid, onderwijs en beroepsopleiding, cultuur, volksgezondheid, trans-Europese netwerken, industrie, onderzoek en ontwikkeling.

▪  Toekomst van complementaire bevoegdheden

De Werkgroep:

  • beveelt aan om de aanduiding "complementaire bevoegdheden" te vervangen door "ondersteuningsmaatregelen";
  • onderstreept dat met betrekking tot deze maatregelen de nationale wetgeving niet kan worden vervangen door een Europees wetgevingsbesluit;
  • herinnert eraan dat ze slechts toegepast mogen worden wanneer er sprake is van een gemeenschappelijk belang van de Unie en de lidstaten.

Volgens de werkgroep bestaan de "aanvullende bevoegdheden" niet uit hoofde van dezelfde titel als de exclusieve bevoegdheden van de Unie of de gedeelde bevoegdheden. Voor de "aanvullende bevoegdheden" blijven de lidstaten volledig bevoegd, wat geen beletsel vormt voor het treffen van steun- en coördinatiemaatregelen op Europees niveau (zoals het Erasmus-programma, dat grootschalige studentenuitwisselingen mogelijk maakt).

▪  Explicieter formulering van de complementaire bevoegdheden?

De werkgroep was van mening dat om te beginnen de dubbelzinnigheden de wereld uit moeten, met name door de "aanvullende bevoegdheden" een andere plaats te geven ten opzichte van de overige categorieën bevoegdheden.

Verdere overwegingen van de werkgroep:

  • het toekomstige Constitutionele Verdrag moet een titel bevatten die gewijd is aan de bevoegdheden in hun geheel;
  • er moet kort worden aangegeven welk type bevoegdheid op elk in het Verdrag genoemd beleid van toepassing is;
  • de verdeling door het Constitutionele Verdrag van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese Unie mag een zekere soepelheid niet in de weg staan.

Hiervoor kan worden gezorgd door artikel 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te handhaven. Wel moet met name worden vastgesteld dat het in geen geval gaat om een uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie.

3.

Samensteling werkgroep

Voorzitter: Henning Christophersen (Denemarken, regeringsvertegenwoordiger)

Nederlands lid: (geen)