Werkgroep IV "Rol nationale Parlementen" van de Europese Conventie

Deze werkgroep van de Europese Conventie is ingesteld om zich te buigen over de volgende vragen:

  • Hoe wordt de rol van de nationale parlementen uitgeoefend in de huidige opzet van de Europese Unie?
  • Welke nationale regelingen functioneren het beste?
  • Moet er worden gedacht aan nieuwe mechanismen of procedures op nationaal of op Europees niveau?

Inhoud

Delen

enveloppe

1.

Nationale parlementen

Nationale parlementen zijn niet in Europese instellingen en organen vertegenwoordigd. Dit in tegenstelling tot burgers (vertegenwoordigd in het Europees Parlement) en de nationale regeringen (vertegenwoordigd in de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad).

Toch spelen nationale parlementen een sleutelrol in het proces van Europese regelgeving. De nationale parlementen nemen op drie verschillende manieren deel aan de werkzaamheden van de Europese Unie:

  • ze moeten zorgen dat de richtlijnen uit Brussel worden omgezet in nationale wetgeving, door deze richtlijnen goed te keuren tijdens een stemming
  • ze oefenen controle uit op de standpunten die hun respectieve regeringen binnen de Raad innemen
  • ze kunnen samenwerkingsbetrekkingen aangaan met de andere parlementen in de Unie

Een grotere betrokkenheid van nationale parlementen bij activiteiten van de Europese Unie is regelmatig inzet van discussie. Zo is op de Europese Conventie gesproken over een nieuw op te richten Volkscongres, een forum voor afgevaardigden van alle Europese Parlementen.

2.

Kernpunten van het slotverslag

Motto van het slotverslag: "De Nationale Parlementen: Beter geïnformeerd, meer betrokken"

▪  Rol van de nationale parlementen in de huidige opzet van de Unie

In de lijn van de Verklaring van Laken is de Werkgroep nationale parlementen overtuigd van de rol die voor de nationale parlementen is weggelegd om de legitimiteit van de Europese Unie een solide basis te geven.

▪  Nieuwe mechanismen of procedures op nationaal of Europees niveau

De Groep is van mening dat de nationale parlementen beter toezicht moeten kunnen houden op het Europese beleid van hun regeringen, en controle moeten kunnen uitoefenen op het subsidiariteitsbeginsel. Voorts stelt de werkgroep een verbetering voor van de mechanismen om de parlementen nauwer bij Europa te betrekken.

De werkgroep beveelt derhalve het volgende aan:

  • 1. 
    erkenning van de rol van de nationale parlementen in het constitutioneel verdrag;
  • 2. 
    een  betere informatie van de nationale parlementen, door de Europese Commissie te verplichten de parlementen rechtstreeks alle raadplegingsdocumenten, wetgevingsvoorstellen, alsook de jaarlijkse wetgevingsen strategische programma's, toe te zenden. Deze toezending zou tegelijkertijd met toezending aan het Europees Parlement en aan de regeringen - via de Raad van de Europese Unie - moeten geschieden. De rechtstreekse, volledige informatie zou de nationale parlementen in staat moeten stellen:
    • controle uit te oefenen op het subsidiariteitsbeginsel dankzij een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing (zie het verslag van de werkgroep "Subsidiariteit");
    • een doeltreffender toezicht van de parlementen op de betrekkingen tussen parlement en regering ;
  • 3. 
    intensivering van de samenwerking en de uitwisselingen tussen de nationale parlementen in verband met hun rol in de Europese aangelegenheden. De voornaamste plaats voor uitwisseling zou de COSAC (Conferentie van de organen van de nationale parlementen die gespecialiseerd zijn in communautaire aangelegenheden) zijn. De COSAC zou onder meer de uitwisseling van goede praktijken moeten vergemakkelijken. De COSAC zou een handleiding opstellen die de parlementen moet helpen bij de follow-up van het Europees beleid;
  • 4. 
    de nationale parlementen sterker betrekken bij de hoofdlijnen van het Europees beleid, eventueel door:
    • in het constitutioneel verdrag de methode op te nemen om verdragswijzigingen middels conventies voor te bereiden
    • de organisatie van Europese weken waarbij de nationale parlementen en de Europese instellingen betrokken worden, en de mogelijkheid om interparlementaire conferenties bijeen te roepen over kernvraagstukken, naar gelang van de behoeften
    • de Conventie zou moeten bestuderen of het nut heeft de nationale parlementen en het Europees Parlement in fora samen te brengen om bijvoorbeeld de hoofdlijnen van het beleid van de Europese Unie inhoudelijk te bespreken.

3.

Samenstelling werkgroep

Voorzitter: Gisela Stuart (Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordiger Nationale parlementen)

Nederlands lid: Jan-Jacob van Dijk (plv. Tweede Kamer)