Energiebeleid

Windmolens

De Europese Unie streeft naar een constante en veilige aanvoer van energie. Concurrentie tussen energiebedrijven op de Europese markt moet de prijs van energie verlagen.

Ook hebben de EU-lidstaten afspraken gemaakt over het klimaatbeleid en het terugdringen van de luchtvervuiling. Beperking van het energieverbruik, of overstappen naar meer duurzame energiebronnen is daarbij van groot belang.

Delen

enveloppe

Inhoud

1.

Ontwikkeling in vogelvlucht

Het energiebeleid van de Europese Unie gaat terug tot de oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal in 1952 en het Euratom-verdrag in 1958 (samenwerking op het gebied van kernenergie). Sinds die tijd heeft het beleid zich ontwikkeld; kernpunten zijn nu vooral verdere liberalisering van de energiemarkt, het veiligstellen van de Europese energievoorziening en ontwikkeling van duurzame energiebronnen.

Liberalisering van de energiemarkt

De Europese Unie stimuleert concurrentie tussen energiebedrijven en streeft naar de totstandkoming van een Europese interne energiemarkt. Mede onder druk van Europese regelgeving zijn nationale monopolies op het gebied van energiedistributie sinds de jaren 1990 opengebroken.

De leveranciers moeten daardoor meer met elkaar concurreren. Dat moet leiden tot scherpere prijzen en meer keuzevrijheid voor consumenten. Per 1 juli 2007 heeft de Europese consument de vrijheid gekregen om zelf een gas- of elektriciteitsleverancier te kiezen. In Nederland kon dat al eerder.

In 2009 zijn de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie het eens geworden over een nieuw pakket regelgeving voor verdere liberalisering van de energiemarkt.

In het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor deze nieuwe richtlijn, moesten energiebedrijven rigoureus worden opgesplitst in een infrabedrijf dat netwerken onderhoudt en een bedrijf dat energie produceert en levert. Op die manier moesten monopolies van bedrijven voorkomen worden. Onder druk van Frankrijk en Duitsland werd dit echter afgezwakt. Energiebedrijven kunnen nu ook intern de afdelingen voor productie en levering scheiden.

Een ander onderdeel van het nieuwe pakket maatregelen is de oprichting van een EU-agentschap voor samenwerking tussen nationale energieregulators, ACER. Dit agentschap is op 4 maart 2011 operationeel geworden. ACER coördineert en ondersteunt het werk van de nationale toezichthouders op de energiemarkt, zodat er meer samenhang komt tussen het energiebeleid in de verschillende lidstaten van de EU.

De Europese Raad kwam op 26 en 27 juni 2014 bijeen en besprak daar onder andere het Europese energiebeleid. De Europese Raad zal de discussie over het afbouwen van de afhankelijkheid van de Europese Unie van de import van energie voortzetten. In de discussies over het energiebeleid werd ook de voortgang op het terrein van het Europese klimaatbeleid meegenomen. 

Op 29 oktober 2014 werd bekendgemaakt dat de EU 647 miljoen euro investeert in cruciale energie-infrastructuur. Met name de gasprojecten in het Oostzeegebied en in Midden- en Zuidoost-Europa ontvangen een groot deel van dit bedrag. In totaal is vanuit het kader van de Connecting Europe-faciliteit tussen 2014-2020 5,85 miljard euro toegewezen voor het verbeteren en uitbreiden van de trans-Europese energie-infrastructuur.

Veiligstellen van de energievoorziening in Europa

Ruim 50 procent van de energie die in de Europese Unie wordt verbruikt, is afkomstig van leveranciers van buiten de Unie (bijvoorbeeld uit Rusland of het Midden-Oosten). De leveranties van gas en olie uit andere landen zijn niet altijd betrouwbaar. Zo draaide Rusland in januari 2009 de gaskraan naar Europa dicht, na een conflict met Oekraïne. Omdat de pijplijn die het gas naar de lidstaten van de EU aanvoert door Oekraïne loopt, ontvingen ook sommige EU-lidstaten geen gas meer.

De Europese unie streeft er daarom naar om verschillende wegen te gebruiken voor de aanvoer van gas en olie naar Europa. Het aantal aanvoermogelijkheden wordt daarvoor uitgebreid. Een goed voorbeeld van nieuwe aanvoerkanalen zijn de in de 2011 geopende Nord Stream-pijpleiding en de aan te leggen Nabucco-pijplijn. Verder liggen er plannen voor de South Stream-pijplijn, maar de Europese Commissie is fel tegen dit plan.

Duurzame energie

Deze energie biedt een goed alternatief voor meer traditionele energiesoorten zoals fossiele brandstoffen. Het gebruik van duurzame energie leidt niet alleen tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en dus een schoner milieu, maar ook tot een Europese Unie die minder afhankelijk is van ingevoerde fossiele brandstoffen (met name gas en aardolie). Voorbeelden van duurzame energie zijn:

  • windenergie
  • zonne-energie
  • energie uit waterkracht
  • energie uit biomassa

In 2007 zijn de regeringsleiders van de EU-lidstaten overeengekomen om een ambitieus klimaatplan te starten. Het doel is om het broeikaseffect te bestrijden en de afhankelijkheid van energieleveranciers te verminderen. De doelstellingen voor 2020 zijn:

  • het energieverbruik in de hele EU met 20 procent terugdringen. In juni 2012 is deze maatregel verplicht gesteld voor alle lidstaten
  • de uitstoot van kooldioxide (CO2) met 20 procent verminderen
  • het aandeel van de verbruikte energie dat afkomstig is uit hernieuwbare energiebronnen als zon, wind, water en aardwarmte vergroten tot 20 procent
  • het aandeel biobrandstoffen in brandstof voor transport vergroten tot 10 procent

In oktober 2014 zwakten de EU lidstaten de klimaatdoelstellingen voor 2030 af vergeleken met de doelstellingen die de Commissie voor 2020 voor ogen had. Het volgende is overeengekomen:

  • De uitstoot van broeikasgassen moet voor 2030 met ten minste 40 procent zijn teruggebracht ten opzichte van 1990
  • Zeker 27 procent van de energie moet afkomstig zijn uit duurzame, hernieuwbare bronnen
  • Het energieverbruik moet worden teruggebracht met ten minste 27 procent

Concrete voorbeelden van Europese initiatieven op het gebied van energiebesparing zijn het verbod op de verkoop van energieverslindende gloeilampen en subsidies voor windmolenparken.

Kernenergie: onderzoek en veiligheid

In Europa wordt veel gebruik gemaakt van kernenergie. De Europese Unie ziet toe op de veiligheid van centrales. In Oost-Europa zijn verschillende oude kerncentrales gesloten, omdat ze niet aan de Europese veiligheidsnormen voldeden. Bij de toetreding van veel landen in Oost-Europa tot de EU was de sluiting van verouderde energiecentrales een harde voorwaarde voor EU-lidmaatschap.

Door de ramp met een kerncentrale in Japan in maart 2011 is de discussie in de EU over het veilige gebruik van kernenergie opnieuw opgelaaid. Tegenstanders van kernenergie wijzen op de ontwikkelingen in Japan om aan te geven dat kernenergie niet veilig is.

De Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie besloot op 21 maart 2011 dat alle 143 kerncentrales in de Europese Unie onderworpen moesten worden aan een stresstest. In oktober 2012 verklaarde toenmalig EU-commissaris belast met energie Günther Oettinger dat de stresstests hebben aangetoond dat de situatie in het algemeen bevredigend is.

De tests hebben echter ook tal van aanbevelingen opgeleverd voor technische verbeteringen van specifieke installaties. Daarnaast is gebleken dat de internationale veiligheidsnormen en internationale 'beste praktijken' voor installaties niet overal worden toegepast. Afgesproken is dat de nationale regelgevende instanties nationale actieplannen opstellen met consequente en transparante tijdschema's voor de uitvoering van de aanbevelingen. 

Op 8 juli 2014 heeft de EU een wijziging van de nucleaire veiligheidsrichtlijn ingevoerd.  Deze nieuwe richtlijn omvat de volgende veranderingen:

  • versterking van de macht en onafhankelijkheid van nationale wetgevende autoriteiten 
  • de introductie van een hoog niveau van veiligheid in de hele EU om ongelukken te voorkomen
  • een Europees systeem van collegiale toetsing om iedere zes jaar specifieke veiligheidskwesties te behandelen
  • het verhogen van transparantie met betrekking tot nucleaire veiligheidskwesties door het informeren en betrekken van het publiek
  • het promoten van een effectieve nucleaire veiligheidscultuur

Strategie Energie 2020

De Europese Commissie maakte in november 2010 de strategie Energie 2020 bekend. Deze bevat de prioriteiten op het gebied van Europees energiebeleid voor de periode 2010-2020:

  • energiebesparing, met name in de sectoren vervoer en gebouwen
  • een vrije markt voor energie, waaraan alle lidstaten meedoen; voor investeringen in infrastructuur is 1 miljard euro nodig
  • coördinatie van het energiebeleid tegenover andere landen: één stem op het wereldtoneel
  • een toonaangevende rol van Europa op het gebied van energietechnologie en -innovatie
  • continu geleverde en betaalbare energie; consumenten moeten makkelijk tarieven kunnen vergelijken en eenvoudig naar een andere leverancier kunnen overstappen en begrijpelijke facturen ontvangen

Energie-Stappenplan 2050

Om de CO2-uitstoot in 2050 met 80 procent verminderd te hebben, presenteerde de Europese Commissie in december 2011 het Energie-stappenplan 2050. Dit stappenplan bevat verschillende scenario's waarbij energieproductie koolstofvrij zou moeten worden. Ook worden van deze scenario's de consequenties beschreven. Aan de hand van deze scenario's kunnen lidstaten keuzes maken voor hun eigen beleid.

Het stappenplan concludeert dat de volgende vijf elementen van belang zijn voor de werking van alle scenario's:

  • 1. 
    Ontkoling van het energiesysteem (d.w.z. beperking van het gebruik van steenkool)
  • 2. 
    Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie
  • 3. 
    Vroege investeringen
  • 4. 
    Prijsstijgingen in de hand houden
  • 5. 
    Gezamenlijk actie ondernemen  

Lees meer

Bron

Taal

Soort informatie

Europese Unie

NL

Energie: inleiding + samenvatting van de EU wetgeving

2.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement een rol.

Initiatief voor nieuw beleid bij de Europese Commissie

Eerstverantwoordelijken zijn de Eurocommissaris voor Klimaatactie en energie en de Eurocommissaris voor Energie Unie:

Invloed nationale parlementen

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

Besluitvorming door Raad en Europees Parlement

De besluitvorming verloopt volgens de gewone wetgevingsprocedure. Fiscale maatregelen worden besloten volgens de procedures die gelden voor fiscaal beleid.

De raadsformatie die beslist over het Europese Energiebeleid is de Raad Vervoersbeleid, Telecommunicatie en Energie. Besluiten worden genomen met gekwalificeerde meerderheid. Nederland wordt in deze raad vertegenwoordigd door:

Voor het Europees Parlement beoordeelt de parlementaire commissie Industrie, onderzoek en energie de voorstellen van de Europese Commissie en de eventuele aanvullingen van de Raad. De volgende Europarlementariërs zijn (plaatsvervangend) lid in deze commissie:

 

Plaatsvervanger(s)

Als het Europees Parlement het (eventueel aangepaste) voorstel goedkeurt, sluit een overeenstemming in de Raad van de Europese Unie de procedure af. Als het voorstel door de Raad is goedgekeurd, zorgt de Nederlandse regering ervoor dat het voorstel nationaal wordt uitgevoerd.

3.

Meer informatie

Achtergrondartikelen

Nederland

Europese Unie

Activiteitendossier

Factsheet Europees Parlement

Betrokken instanties

Statistiek

Video Europees Parlement

Organisatie van Olie Exporterende Landen (OPEC)

Delen

enveloppe

Terug naar boven