r google-plus facebook twitter linkedin2 nujij Monitor Nieuwsbrief pdclogo Afstudeer hoed man met tas twitter
Niet/beperkt geactualiseerd na 21 januari 2013.

Klimaatconferentie Kopenhagen 2009

Uitstoot industrie
Bron: euobserver.com

De VN-klimaatconferentie in Kopenhagen eindigde zaterdag 19 december 2009 zonder een juridisch bindend akkoord over maatregelen tegen de verdere opwarming van de aarde. De VS, China en enkele opkomende economieën hadden een niet-bindende overeenkomst gesloten over maatregelen tegen de klimaatverandering.

Afgesproken is dat er een fonds wordt opgericht voor arme landen die kampen met de gevolgen van klimaatverandering. In de beginperiode van 2010 tot 2012 moeten de rijke landen samen daar 30 miljard dollar (21 miljard euro) in storten. In de tekst is verder opgenomen dat de landen ernaar streven op een volgende klimaattop in december 2010 een juridisch bindend document op te stellen. Er wordt naar gestreefd de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius.

Tijdens de klimaattop in Kopenhagen, gehouden van 7 tot 18 december, is vergaderd over een nieuw klimaatverdrag dat als opvolger moet dienen van het zogeheten Kyoto-protocol uit 1997.

Delen

Inhoud

1.

Broeikaseffect

De aarde wordt warmer, wat grote gevolgen kan hebben voor mens en dier, overal ter wereld. In 1992 is onder leiding van de VN een serie conferenties en onderhandelingen begonnen waarmee regeringsleiders klimaatverandering hopen te beperken en het milieu te beschermen. Volgens de meeste wetenschappelijke studies is menselijke activiteit de belangrijkste oorzaak van het veranderende klimaat op aarde. Sinds de industriële revolutie is de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer fors toegenomen, onder meer door verbranding van fossiele brandstoffen zoals steenkool en aardolie.

Één van de bekendste broeikasgassen is CO2. Samen met andere gassen zorgt de aanwezigheid van CO2 in de atmosfeer voor het in stand blijven van een isolerende deken om onze planeet die de warmte van het zonlicht vasthoudt op het aardoppervlak.

Doordat er steeds meer van deze gassen in de atmosfeer komen, wordt de warmtevasthoudende deken dikker, waardoor meer warmte wordt vastgehouden en de temperatuur langzaam toeneemt. Bovendien zorgt massale boskap ervoor dat er minder CO2 door de natuur wordt omgezet in zuurstof. De tropische regenwouden kunnen hun taak als ´s werelds grootste opslagplaats voor CO2 steeds minder goed waarmaken.

2.

Aandacht voor de problematiek

Aan het einde jaren van de jaren tachtig van de vorige eeuw begon het besef dat de wereld langzaam aan het opwarmen is geleidelijk door te breken. De media begonnen aandacht aan het fenomeen te besteden en de Verenigde Naties besloten het onderwerp serieus op te pakken met de oprichting van het Intergouvernementele Panel voor Klimaatverandering (IPCC).

In zijn eerste rapport in 1990 stelt het IPCC dat de wereld sinds het begin van de twintigste eeuw een halve graad warmer was geworden. Het rapport vormde de aanzet tot internationale onderhandelingen om het economisch handelen meer in evenwicht te brengen met de milieubelangen van onze planeet. De onderhandelingen leidden in 1992 tot een eerste wereldwijd klimaatverdrag, dat van Rio de Janeiro. De deelnemende partijen spraken af meer aandacht te besteden aan de bescherming van ecosystemen en de belangrijkste industrielanden moesten de uitstoot van CO2 drastisch omlaag brengen.

Het akkoord van Rio was echter niet gedetailleerd uitgewerkt. Daarom bleef er grote behoefte om het tot een effectief instrument uit te laten groeien voor het tegengaan van klimaatverandering. Die verdere uitwerking kwam vijf jaar later in het Protocol van Kyoto (1997). De geïndustrialiseerde landen spraken daar gezamenlijk af om de uitstoot van broeikasgassen voor 2012 met 5 procent te reduceren ten opzichte van het niveau van 1990. De rijkere landen kregen echter drie instrumenten ter beschikking om hun economische groei zo weinig mogelijk schade toe te brengen en tegelijkertijd de doelstellingen te halen.

Het Clean Development Mechanism (CDM) stelde rijke landen in staat om met duurzame milieuprojecten in de Derde Wereld een deel van hun eigen uitstoot te compenseren. De Joint Implementation Projects (JI) waren een soortgelijk instrument als het CDM, maar golden voor de geïndustrialiseerde landen onderling. En tot slot was er de introductie van Emissiehandel, een grote ruilbeurs in uitstootvergunningen. De drie instrumenten hadden voornamelijk tot doel om de hoge kosten die gepaard gaan met het terugdringen van emissies te compenseren via goedkopere projecten in andere landen en de veiling van vergunningen.

Kyoto trad pas begin 2005 in werking, twaalf jaar nadat het akkoord was gesloten. Om verschillende redenen hadden Canada, Japan en Rusland gewacht het protocol te ondertekenen. Grote afwezige bleef echter de Verenigde Staten, het land met de grootste gemiddelde CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking ter wereld. Met een gemiddelde uitstoot van een kleine 20 ton CO2 per persoon per jaar, presteert de VS veel slechter dan landen zoals Nederland (11 ton) en opkomende wereldmacht China (4,6 ton).

3.

Nieuw verdrag nodig

Inmiddels komt de einddatum van Kyoto in zicht en zijn de modellen die de gevolgen van klimaatverandering op de middellange en lange termijn in kaart brengen steeds preciezer geworden. Volgens deze modellen, waarop het IPCC in 2007 zijn laatste rapportage baseerde, is een zeespiegelstijging van meer dan zes meter mogelijk en moeten we rekening houden met temperatuurstijgingen van wel 3 tot 6 graden in de komende honderd jaar. Dit zou een dramatische impact hebben op alle ecosystemen op aarde.

Gebleken is inmiddels ook dat de inspanningen van het Kyoto-protocol bij lange na niet genoeg zijn geweest om de ingezette klimaatverandering snel genoeg te beperken. De VN hoopt haar leden zover te krijgen dat nieuwe afspraken er toe leiden dat de temperatuursstijging beperkt kan worden tot 2 graden Celsius. Dit zou echter betekenen dat de mondiale uitstoot van broeikasgassen niet veel meer boven het huidige niveau mag stijgen en in 2050 met circa 80 % moet zijn terugebracht ten opzichte van het jaar 1990.

4.

Tegengestelde belangen

Snel groeiende economische supermachten zoals China, India en Brazilië vinden dergelijke doelstellingen echter onrealistisch en onwenselijk. En zolang de grootste vervuiler van alle landen, de VS, niet bereid is haar eigen emissies aanzienlijk te reduceren, vinden de ontwikkelende economieën al helemaal niet dat het hun beurt is een bijdrage te leveren.

De Verenigde Staten zijn sinds de klimaatconferentie van Bali in 2007 en de verkiezing van de nieuwe democratische president Barack Obama iets toeschietelijker geworden om mee te werken aan een nieuw verdrag. Hun ambities blijven vooralsnog beperkt, vooral als het gaat om maatregelen voor de korte en middellange termijn. Maar Washington voelt er weinig voor om harder aan de weg te timmeren zolang opkomende industrieën als China en India zich schuil houden achter het Kyoto-protocol, dat alleen vergaande verplichtingen inhoudt voor de (oude) geïndustrialiseerde wereld.

De Europese Unie vormde tot voor kort een welkome uitzondering op het door wantrouwen bepaalde overleg tussen de grootste vervuilers ter wereld. Vanaf de start van het klimaatoverleg in 1992, en steeds meer sinds de VS zich onder leiding van George Bush onwillig opstelden, voelde Europa zich verplicht het voortouw te nemen in de strijd tegen klimaatverandering. Die houding paste niet alleen goed bij de Europese cultuur, maar werd ook ingegeven door het besef dat de EU op economisch gebied niet langer een wereldspeler zou zijn als het zou blijven investeren in achterhaalde (vervuilende) technologieën en industrieën.

De grote industriële ontwikkeling binnen de EU maakte het mogelijk een positieve draai te geven aan de uitdagingen die de wereld te wachten staan. Zo heeft de Europese Commissie hoge verwachtingen van de verdere ontwikkeling van een bedrijfstak die gespecialiseerd is in milieutechnologie. Schonere productie, meer groene energie en een energiezuiniger consumerende bevolking zouden de EU een heel eind op weg kunnen helpen om de klimaatdoelstellingen voor 2020 te halen.

5.

Op weg naar Kopenhagen

Maar naarmate Kopenhagen dichterbij komt, beginnen ook in Europa steeds meer discussies te spelen. Zo is het de vraag of er in Kopenhagen in december 2009 gesproken moet worden over een voortzetting van het Kyoto-protocol of een geheel nieuw klimaatverdrag. De VS heeft al laten weten voorstander te zijn van een volledig nieuw verdrag dat ook verplichtingen bevat voor opkomende industrielanden, en dat tegelijkertijd staten meer vrijheid biedt om individueel invulling te geven aan klimaatdoelen.

Op die manier hoopt de Amerikaanse regering concurrentievervalsing tussen de Europa en de VS tegen te gaan en tegemoet te komen aan critici in eigen land. De EU wilde aanvankelijk doorgaan op het via het Kyoto-protocol ingezette traject, dat ontwikkelingslanden ontziet. Maar op de onlangs gehouden tussenconferentie in Bangkok, maakte de G77, de groep van ontwikkelingslanden, zich grote zorgen dat de EU zich tot de Amerikaanse koers zou gaan bekeren.

De Europese ministers van financiën gaven in oktober tijdens een vergadering ter voorbereiding van het Europese standpunt op Kopenhagen in iedere geval een weinig opwekkend signaal af naar de ontwikkelingslanden. Om de ontwikkelingslanden te compenseren voor de schade als gevolg van de klimaatveranderingen, is volgens een rapport van het IMF en de Wereldbank een bedrag nodig van jaarlijks maximaal 100 miljard dollar. De Europese Commissie heeft echter voorgesteld om slechts een bedrag van tussen de 2 en 15 miljard euro per jaar beschikbaar te stellen. Zelfs dat vinden de ministers van Financiën uit Oost-Europese lidstaten nog te veel. Zij vragen zich waarom arme EU-lidstaten de rijkere lidstaten moeten helpen om arme ontwikkelingslanden te compenseren.

Het Europees Parlement blijft echter hameren op een ambitieuze inbreng van de EU op de conferentie van Kopenhagen. In zijn resolutie van maart 2009 riep de Europese volksvertegenwoordiging de lidstaten op ruimhartig te zijn in de compensatie van ontwikkelingslanden. De collectieve bijdrage van de EU moet tot 2020 minstens 30 miljard euro bedragen. Verder zou de EU in zijn klimaatdoel voor de lange termijn (2050) moeten streven naar reductie van tenminste 80 procent van de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990. Voor de middellange termijn (2020) zou dat percentage tussen 25 en 40 moeten liggen.

Ontwikkelingslanden moeten overigens ook hun bijdrage leveren, bijvoorbeeld door het tegengaan van verdere ontbossing. De percentages die het parlement voorstelt gaan waarschijnlijk deel uitmaken van de inbreng van de EU tijdens de Kopenhagenconferentie. Maar de compensatie aan ontwikkelingslanden blijft vooralsnog een controversieel onderwerp.

Al met al zijn er nog veel conflicten te verwachten bij de onderhandelingen naar een nieuw verdrag als opvolger van Kyoto en lijkt overeenstemming vooralsnog ver weg.

6.

Argumenten in de discussie:

Hieronder staan een aantal veel gehoorde argumenten in de discussie over de Kopenhagen-conferentie. Uiteraard is bij alle standpunten wel een kanttekening te plaatsen, wat de discussie boeiend maar niet eenvoudiger maakt. Europa is wikken en wegen. Door op de links te klikken krijgt u meer informatie én nuancering.

  • Alle landen moeten zich binden aan strikte verplichtingen

    Het protocol van Kyoto is onvoldoende om de verdere opwarming van de aarde tegen te gaan. Het is noodzakelijk dat ook de belangrijkste opkomende industrielanden als China, India en Brazilië zich binden aan een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en dat de VS als grootste vervuiler een forse bijdrage gaat leveren. In het nieuwe verdrag zouden bovendien sancties moeten worden opgenomen tegen landen die zich niet aan de afspraken houden.

  • De tijd is niet rijp voor vergaande afspraken

    Binnen rijke geïndustrialiseerde landen zal de bereidheid om grote bedragen uit te geven aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen niet erg groot zijn als het hen maar weinig oplevert. De gevolgen van klimaatverandering worden pas langzaam merkbaar en politici vinden het vaak lastig om maatregelen voor de lange termijn te nemen. Dit geldt des te meer als de staatsbegroting al zwaar te lijden heeft onder enorme schulden als gevolg van een wereldwijde financiële crisis.  Het opnemen van sancties in een nieuw verdrag zal de weerstand bij landen met grote economische belangen alleen maar doen toenemen.

Meer informatie

Delen

Terug naar boven