Vijftig jaar na Rome - Europa NU

Europa NU
logo Europees Parlement

Vijftig jaar na Rome

Samen sinds 1957

Op 25 maart 2007 is het 50 jaar geleden dat in Rome de verdragen werden getekend die de basis vormden voor wat tegenwoordig de EU heet. Een ambitieus plan van zes West-Europese landen die op die manier wilden voorkomen dat dit continent voor de derde keer in één eeuw het toneel zou worden van een verwoestende oorlog. Aldus gaven de politieke leiders van die zes landen gevolg aan het initiatief van de Franse minister Robert Schuman zeven jaar daarvoor had genomen, toen hij op 9 mei 1950 Frankrijk en Duitsland opriep hun productie van kolen en staal onder één gemeenschappelijke autoriteit te brengen. Dit initiatief mondde in 1953 uit in het EGKS-Verdrag, waarna in 1957 het EEG-Verdrag werd ondertekend in Rome.

Kijk naar EP-live: Van de Eerste wereldoorlog tot de opbouw van Europa

Het was de tijd dat de politieke leiders in Europa werden geïnspireerd door een droom, een droom die eenvoudig is samen te vatten in de woorden "nooit meer oorlog". En deze droom wilden zij werkelijkheid laten worden langs de weg van economische samenwerking. Vandaar kolen en staal. Vandaar de Europese Economische Gemeenschap. Uiteraard moesten Frankrijk en Duitsland destijds de hoeksteen van deze samenwerking vormen. Want zonder deze twee rivaliserende grootmachten zou het ideaal van "nooit meer oorlog" niet levensvatbaar zijn. Italië sloot zich aan, en ook België, Nederland en Luxemburg, die al geruime tijd als Benelux een douane-unie vormden.

1.

Van samenwerkingsverband tot een EU van 27 lidstaten

Wat in de jaren na de oorlog was begonnen als een ideaal, ontwikkelde zich allengs tot een pragmatisch, economisch samenwerkingsverband: de controles aan de binnengrenzen verdwenen, de interne markt kwam tot stand in de jaren '80 en de euro werd in een groot deel van de EU-landen geïntroduceerd als gemeenschappelijk betaalmiddel. En niet onbelangrijk: de EU breidde zich uit, met het Verenigd Koninkrijk bij voorbeeld in 1973, met Spanje en Portugal in 1986 en - last but not least - tien landen die we vroeger tot het Oostblok rekenden. De EU bestaat op dit moment uit 27 landen en is met zo'n 500 miljoen inwoners het grootste economische blok in de wereld.

En inderdaad, 50 jaar na de oprichting van de EEG leven we in dit deel van de wereld in relatieve stabiliteit, een derde wereldoorlog bleef uit en economisch ontwikkelden de lidstaten zich in dit klimaat zeer voortvarend. Nederland, en juist een land als Nederland met zijn op de buitenlandse handel georiënteerde economie, had veel baat bij de Europese samenwerking. Hoewel het moeilijk te becijferen valt hoe ons land ervoor had gestaan wanneer het niet de vruchten van Europese samenwerking had geplukt, mogen we er zonder enige twijfel van uitgaan dat we een niet onbelangrijk deel van onze welvaart te danken hebben aan ons EU-lidmaatschap.

2.

Hoe nu verder?

Maar met de ontwikkeling van de EU als economisch samenwerkingsverband raakte ook het oorspronkelijke ideaal van de grondleggers steeds verder op de achtergrond. Steeds meer wordt het middel- economische samenwerking- aangezien voor het doel van Europese integratie, zeker door de generatie die is opgegroeid in een klimaat van politieke stabiliteit waarin het ideaal van "nooit meer oorlog" steeds minder tot de verbeelding spreekt.

3.

Meer of minder Europa?

Intussen is het proces van Europese integratie zo ver voortgeschreden dat we hier en daar scepsis en weerzien zien opduiken. Aan het begin van de jaren '90 was dat duidelijk voelbaar in Denemarken toen de bevolking daar bij referendum in eerste instantie tegen het Verdrag van Maastricht stemde. Angst voor verlies van eigenheid en soevereiniteit liggen als regel aan de basis van dergelijke anti-reflexen. Nu de EU zo ver is doorgedrongen in ons dagelijks leven, beginnen veel burgers zich af te vragen wat er nog over blijft van hun nationale identiteit en soevereiniteit. Het "nee" dat bij het referendum in Frankrijk en Nederland werd uitgesproken tegen de Europese Grondwet, spreekt in dat verband boekdelen: twee van de landen die 50 jaar geleden het Europese ideaal vorm gaven, tonen nu openlijk hun aarzelingen tegen verdere samenwerking.

Heeft het proces van Europese integratie inmiddels zijn bovengrens bereikt? Of maakt Europa 50 jaar na de oprichting even pas op de plaats, zoals dat in het verleden wel vaker het geval is geweest? Het zou te ver voeren om van een crisis in de Europese samenwerking te spreken. Trouwens, het woord "crisis" wordt wel erg snel in de mond genomen als het om Europese politiek gaat. Misschien is het beter om te spreken van een periode van "bezinning" waarin we ons de vraag stellen waar we staan en of we op de ingeslagen weg verder willen. En als we verder willen, in welke richting en in welk tempo.

4.

Nederland en Europa

Het nieuwe kabinet staat ondertussen voor de taak om inhoud te geven aan deze bezinning. Balkenende IV kiest voor een "actieve internationale en Europese rol" en "zet zich in voor een sterk draagvlak voor de Europese samenwerking, in dialoog met de burgers." Blijkens het regeerakkoord zal er ten aanzien van de Europese grondwet worden gestreefd naar een wijziging van de bestaande verdragen die zich naar inhoud, omvang en benaming overtuigend onderscheidt van het eerder verworpen "grondwettelijk verdrag".

En aldus speelt Nederland, samen met Frankrijk, 50 jaar na dato weer een sleutelrol in de verdere vormgeving van de Europese samenwerking. Geen eenvoudige rol, overigens. Want enerzijds weet Nederland zich gebonden aan de Europese partners die wel hebben ingestemd met de Grondwet, anderzijds stelt de uitslag van het referendum duidelijke beperkingen aan de manoeuvreerruimte waarover ons land aan de onderhandelingstafel beschikt.

5.

Meer informatie

 
Stuur door