Kyoto-Protocol - Europa NU

Europa NU
logo Europees Parlement

bij Kyoto-Protocol

Kyoto-Protocol

De temperatuur op aarde stijgt, en dit kan grote gevolgen hebben voor het menselijk leven. De zeespiegel kan zodanig stijgen dat kleine eilanden voor hun voortbestaan moeten vrezen. Delen van de aarde zouden kunnen uitdrogen, andere kunnen juist te kampen krijgen met overvloedige neerslag. De sneeuwgrens op bergtoppen kan drastisch omhoog gaan en gletsjers - van levensbelang als zoetwater-bronnen - kunnen steeds kleiner worden.

Het voornaamste probleem voor Nederland zal gevormd worden door buiten hun oevers tredende rivieren. Menselijk handelen is een belangrijke oorzaak van de temperatuurstijging.

Uit onderzoek blijkt dat door menselijke activiteiten een te hoge concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer hangt. Een toenemend gebruik van fossiele brandstoffen leidt tot een steeds grotere uitstoot van kooldioxide (CO2), het belangrijkste 'broeikasgas'. Dergelijke gassen houden door de aarde weerkaatste warmtestraling van de zon vast in de atmosfeer.

Tijdens een klimaatconferentie in Kyoto (1997) beloofden onder meer alle EU-lidstaten om in de periode 2008-2012 de uitstoot van broeikasgassen met 8 procent terug te hebben gebracht ten opzichte van 1990.

Het zogenoemde Protocol van Kyoto is een uitwerking van het Klimaatverdrag uit 1992. De Commissie startte in juni 2000 het European Climate Change Programme (ECCP), met als doel in kaart te brengen welke acties de EU moet ondernemen om de doelstellingen van 'Kyoto' te halen.

Een jaar later luidde de conclusie dat de Europese industrie de benodigde maatregelen zonder onoverkomelijke problemen kan realiseren. Een ernstige tegenvaller voor het realiseren van de doelstellingen uit het Protocol van Kyoto vormde de afwijzing van het protocol door de VS in april 2001. De VS (verantwoordelik voor één derde van alle CO2-uitstoot in de wereld) voerden als argument aan dat het Protocol van Kyoto alleen verplichtingen oplegt aan industrielanden.

Van derdewereldlanden en opkomende grote industrielanden (en dus broeikasgasproducenten) als Brazilië, China, India en Mexico wordt namelijk voorlopig geen bijdrage verlangd. Het protocol kan pas in werking treden als niet alleen minimaal 55 landen het hebben geratificeerd, maar ook als deze landen nog eens minimaal 55 procent van de totale CO2-uitstoot vertegenwoordigen.

In augustus 2005 hadden 155 landen (waaronder alle EU-lidstaten) het Protocol van Kyoto geratificeerd. Samen vertegenwoordigen zij 61,6 procent van de CO2-uitstoot. Tijdens een conferentie in Bonn in juli 2001 bereikten 178 landen (uitgezonderd de VS) op de valreep een akkoord over de nadere invulling van 'Kyoto'. Dit compromis wordt over het algemeen beschouwd als een afgezwakte versie van het oorspronkelijke Protocol.

Een belangrijk verschil met dit Protocol is dat landen hun CO2-uitstoot onbeperkt mogen compenseren met 'CO2 -projecten' in het buitenland. Er worden extra fondsen gesticht die echter niet meer verplicht zijn, zoals in Kyoto afgesproken, maar vrijwillig. Bovendien is het principe dat bijdragen aan de fondsen worden vastgesteld op basis van de vervuiling, afgeschaft. Canada en Japan mogen in vergelijking met de andere landen onevenredig veel van hun bossen voor CO2-opname meerekenen.

De EU gaat intern wel door met de doelstelling om de uitstoot met 8 procent te verminderen. In de EU zijn sinds maart 2004 alle regels uit het Protocol EU-wetgeving geworden. Het gaat dan niet alleen om de doelstellingen, maar ook om hoe ze bereikt moeten worden.

Vanaf januari 2005 is in de EU de handel in emissierechten mogelijk voor bedrijven die het milieu vervuilen. Sommige bedrijven zullen hun uitstoot verminderen en overgehouden rechten verkopen. Andere bedrijven zullen juist extra rechten willen inkopen, omdat ze meer uitstoten dan is toegestaan. De prijs van de emissierechten wordt bepaald op de vrije markt. Iedere lidstaat publiceert een nationaal toewijzingsplan, waarin is bepaald hoeveel emissierechten iedere onderneming krijgt.

 
Stuur door